Sporen

Sporen

dinsdag 16 september 2014 11:36

Een huishouden op de fiets onderweg naar het station op een nazomerse zondag. We geven van jetje want we zijn iets te laat vertrokken. We parkeren de fiets in de ondergrondse parking onder het station. We kopen kaartjes en snelwandelen naar het perron. De dochters vinden het altijd opwindend als het een beetje spannend is om de trein te halen. De ouders vinden dat minder opwindend. Maar eens we voor het raam geïnstalleerd zijn en de film van het landschap is aangevat, is iedereen tevreden.

De trein is een boemeltrein richting Vlaamse Ardennen. Aan het begin van het compartiment zit een man met geconcentreerde blik achter een laptop, aan het einde een puberslungel met een pet waaruit een gestileerd stukje haar priemt. Verder niemand. Ik haal thee en koekjes uit.

‘De conducteur komt eraan!’ roept de middelste dochter en ze gaat giechelend stokstijf zitten als een braaf schoolmeisje. 

De conducteur is een man achter in de veertig. Hij is groot, hij heeft zo’n beetje een Robert Redford-voorkomen met blondige haarsnit en al. Hij loopt ons voorbij met snelle pas en snelle blik, houdt halt twee banken verder waar de kleinste is gaan zitten. Hij kijkt om en bestudeert ons even. Hij maakt een lichte hoofdknik naar de kleinste.

‘Yep, die hoort bij ons,’ beaam ik met een glimlach.

Op een of andere manier lijkt hij dat vreemd te vinden, dat ze bij ons hoort of dat ze daar apart zit. Wat later passeert hij opnieuw, hij vertraagt even maar vraagt niet naar ons vervoersbewijs. 

De trein boemelt zich een weg naar de Vlaamse Ardennen, buiten winnen de velden en de bomen het steeds meer van de huizen en de wegen. Ik woon graag in de stad maar voel toch altijd zielzalving als er glooiend landschap verschijnt om in te vertoeven. 

Plots ploft de lange conducteur neer in het compartiment rechttegenover ons. De meisjes zijn wat verderop gaan zitten om een gezelschapspel te spelen.

‘Zo,’ zegt hij, ‘Op stap?’

‘Awel ja, op stap,’ zeg ik en ik besluit zijn nieuwsgierigheid tegemoet te komen.

‘We gaan op bezoek bij onze familie en we konden vandaag onze auto niet krijgen dus zijn we met de trein onderweg.’

‘Wat is dat voor zever,’ zegt hij onomwonden en ik schrik er een beetje van. Het volume en de hardheid van zijn uitspraak accordeert echter niet met zijn lichaamstaal. Die zegt verwonderd: ‘vertel er mij alles over’. 

Wat mijn ‘partner in openbaarvervoer-crime’ dan ook doet. Hij vertelt dat we onze auto delen met een ander gezin. Dat we week om week over de auto beschikken maar ‘m ook wel kunnen gebruiken in de andere week als ie vrij is. Dat was nu niet het geval. Hij stelt verbluft bijvragen:

‘Jamaar en wie is er dan de eigenaar?’

‘Wat als er iemand een ongeluk heeft?’

‘Wat als de ene veel meer kilometers doet?’’

‘En wat als de andere een veel sletiger rijstijl heeft?

Hij kan er echt niet inkomen.

‘Tja,’ voeg ik toe, het over een andere boeg gooiend,’het is natuurlijk een geweldige besparing in ons budget. We delen alle kosten door twee.’

Met een zijwaartse twijfelende hoofdknik gooit hij zich achterover in de treinsofa alsof hij thuis is. Dat is hij natuurlijk ook een beetje.

‘Tja, daar kan ik wel inkomen. In mijn huishouden zijn er drie wagens: een Toyota Landcruiser, een Nissan Primera en mijne zoon rijdt met ne Ford Fiesta. Die zuipen samen toch zo’n 500 liter mazout per maand.’

Even is het stil. De trein vertraagt, ik veer recht en begin spullen te verzamelen, want het volgende station is het onze. Maar hij gaat verder van man tot man.

‘Allez maar dat slaat toch nergens op. Jullie hebben nen auto en moeten geld uitgeven voor de trein.’

‘Oh maar dat valt goed mee, de kinderen zijn nog onder de twaalf en we hebben een verminderingskaart.’ 

Ik maan de meisjes aan om niet meer te talmen en jaag ze naar de deuren. De trein stopt maar heel even op deze plattelandshalte.

‘Hoeveel kost dat dan?’ vraagt de conducteur aan de reiziger.

‘Twaalf euro heen en terug,’ antwoordt de reiziger terwijl hij zijn vest aantrekt.

‘Allez jong, met den auto zou dat maximum 6 euro zijn.’ 

De conducteur is ons gevolgd naar de deuren. De trein houdt halt. De kleinste heeft haar vinger klaar op de knop om de deuren te openen, een actie die haar telkens veel voldoening geeft. De kinderen springen een voor een uit de trein, ik volg hen. Als ik omkijk zie ik de conducteur een kameraadschappelijke tik geven op de schouder van mijn halve trouwboek terwijl die van de trein stapt. De conducteur zwaait naar ons terwijl de trein alweer vertrekt en roept: 

‘Ge moet aan die andere 6 euro vragen vanavond, jong!

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!