Waarom een rechtvaardige fiscaliteit besparingen overbodig maakt
Opinie - Guido Deckers

Waarom een rechtvaardige fiscaliteit besparingen overbodig maakt

De keuzes die door de verschillende regeringen in België worden gemaakt, dragen een ideologische stempel. De besparingsmaatregelen die worden genomen, zijn doordrongen van het neoliberaal gedachtegoed. Het politieke karakter van dit gedachtegoed is gemakkelijk te herkennen, omdat het op twijfelachtige aannames is gebaseerd die bepaalde groepen schaamteloos bevoordelen.

maandag 15 september 2014 17:07

Zo gelooft men dat als de rijken een groter stuk van de rijkdom krijgen, ze die gebruiken om te investeren: een aanname die niet door de werkelijkheid wordt gestaafd. Om het ideologische karakter van regeringsmaatregelen te beoordelen, moeten we ons altijd de eeuwenoude vraag stellen: wie heeft er profijt van?

Als er vooral bespaard wordt in de sociale zekerheid, in onderwijs, in openbare diensten, op kinderopvang, op de lonen en uitkeringen, dan kan men moeilijk zeggen dat het doorsnee individu profijt ondervindt van deze politiek. Als je bepaalde maatregelen gaat analyseren en ook gaat kijken naar de maatregelen die niet worden genomen, wordt het pas duidelijk dat bepaalde groepen in de samenleving worden bevoordeeld.

Grondig fout

Zo is het niet invoeren van een vermogensbelasting op het totale bezit een goed voorbeeld! Als je weet dat de rijkste 1 procent van de bevolking over een vermogen beschikt dat net iets groter is dan wat de 60 procent minst rijken bezitten, dan zou je toch denken dat men eerst aan deze onrechtvaardigheid iets gaat doen? Als men weet dat de rijkste 500 Franse families via 54 holdings 17 miljard euro in België hebben geparkeerd, dan is het toch duidelijk dat er iets grondig fout zit in de Belgische fiscale wetgeving?

Als de regering zou kiezen voor een progressieve vermogensbelasting op het totale bezit met een vrijstelling van 1 miljoen euro, verhoogd met een waarde van 500.000 euro voor de eigen woning, kan zo’n vermogensbelasting 9,5 miljard euro opbrengen. De vermogensbelasting die het ACV mee ondersteunt in het Financiële Actie Netwerk (FAN), heeft drie aanslagvoeten: 1 procent op de schijf tussen 1 en 2 miljoen euro, 2 procent op de schijf tussen 2 en 3 miljoen euro en 3 procent op alles boven de 3 miljoen euro. Als alleen de gezinnen met een vermogen groter dan 1,5 miljoen euro onder de vermogensbelasting vallen, dan komt slechts 3 procent van de bevolking in aanmerking. Dat zijn 138.000 gezinnen!

Niemand herverdeelt beter dan België?

Een onderzoek van de krant De Standaard wees uit dat de 10 procent rijkste Belgen bijna de helft van de totale belastingen betaalt. Vetgedrukt als titel en op de voorpagina schreef de krant dat België zelfs kampioen is in het herverdelen van de rijkdom. Nergens in Europa zou de ongelijkheid tussen het beschikbare inkomen zo klein zijn als in België. Maar het “inkomen” is maar een deel van iemands rijkdom! Inkomensongelijkheid onderschat de totale welvaartsongelijkheid. Het negeert het vermogen dat bestaat uit roerende en onroerende goederen zoals aandelen, obligaties, huizen enz.

Minder opvallend, en wat verder in de krant, stelt het onderzoek wel vast dat het vermogen veel ongelijker verdeeld is dan het beschikbare inkomen. De rijkste twintig procent bezit 35,5 procent van het beschikbare inkomen, maar 61,25 procent van het vermogen. België staat hier niet alleen! De tegenstelling tussen inkomensongelijkheid en vermogensongelijkheid is volgens een onderzoek van de UNCTAD* vooral groot in Europese landen met een lage inkomensongelijkheid, zoals in Noorwegen en Duitsland. Als je weet dat in België de inkomens uit kapitaal voordeliger worden belast dan inkomens uit arbeid en dat daarbij het bankgeheim nog redelijk solide is, mogen we België dan een herverdelingskampioen noemen?

Sterkste schouders

Ondanks dat de ongelijkheid in het beschikbaar inkomen kleiner is dan bij het vermogen, moet de krant toegeven dat ook bij de beschikbare inkomens de ongelijkheid groeit. Dat heeft dan weer te maken met de afbraak van het progressieve stelsel, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.

Een kort overzicht van de geschiedenis: in 1988 werd het aantal belastingtarieven verminderd van 13 naar 7. De toenmalige tarieven van 61,90 procent, 67,80 procent en 70,30 procent werden afgeschaft. Vanaf aanslagjaar 1990 zou het hoogste tarief 55 procent bedragen op het gedeelte van het inkomen boven de 2.200.000 Belgische frank (± 54.500 euro). Met de belastinghervorming die werd opgestart vanaf 2002, heeft men de tarieven verder afgebouwd. In het aanslagjaar 2003 heeft men de tarieven van 55 procent en 52,5 procent afgeschaft en werd het hoogste tarief 52 procent. Vanaf het aanslagjaar 2004 werd het tarief van 52 procent afgeschaft en werd het hoogste tarief 50 procent.

De afbouw van de progressiviteit bezorgde de hoge inkomens profijt, de overheid leed verlies! Zo schreef Jan Béghin (sp.a) in zijn boek De schande van een rijk land dat de afschaffing van de belastingtarieven van 55 procent en 52,5 procent de overheid jaarlijks zo’n 6 miljard euro kost. Als de regering meer dan 17 miljard zoekt, dan moet ze dat niet gaan zoeken door besparingen in de sociale zekerheid, maar door het belastingstelsel op een billijke manier te organiseren.

Waarom zou het aantal belastingschalen niet kunnen worden verhoogd, door te voorzien in schijven lager dan 25 procent voor de lage inkomens en in schijven hoger dan 50 procent voor de hoge inkomens? Zo dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten en krijgt de overheid meer inkomsten! Om je een idee te geven wat dit voor de overheid kan opbrengen: een herinvoering van de belastingschalen van 52,5 procent, 55 procent en 65 procent voor de inkomens vanaf 6.000 euro per maand, zou 9 miljard euro opbrengen.

(*) UNCTAD: United Nations Conference on Trade and Development (Conferentie van de Verenigde Naties van Handel en Ontwikkeling)

Bronnen:

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!