Wit-Gele Kruis van Antwerpen vzw

“Zotte dozen”: getuigenissen uit de thuisverpleging

In zijn streven naar een kwaliteitsvolle, toegankelijke en menswaardige zorgverlening wilde het Wit-Gele Kruis van Antwerpen geen jaarverslagen en missies overleggen, maar mensen eens laten vertellen waar het precies voor staat. Het bundelde verhalen van en over medewerkers, patiënten, mantelzorgers, verpleegkundigen. Zo ontstond een boek, "Verplegen: Over de drempel heen". Het gaat over kracht en kwetsbaarheid. Een fragment.

vrijdag 12 september 2014 09:54

Zelden zo geamuseerd zitten luisteren naar het beroepsverhaal van mensen als aan die tafel van dat eethuis in hartje Arendonk. Twee vrouwen, de één een oude rot in het vak, de ander nog net niet vers van de pers gerold. Ze kennen elkaar drie weken, en toch lijkt het alsof ze al jaren samenwerken. Ze delen de liefde voor de thuisverpleging, maar ook de manier waarop ze telkens die huizen binnenstappen. Met een kwinkslag en een heel groot hart, dat is hun stijl. Twee zotte dozen bij elkaar.

Doos 1: Christel 44 jaar; gezin met twee kinderen; 23 jaar bij het Wit-Gele Kruis 
Doos 2: Florence 21 jaar; vaste vriend; laatste jaar hoger beroepsonderwijs verpleegkunde

Christel: ‘Ik ben onmiddellijk na mijn studies bij het Wit-Gele Kruis begonnen, op 1 juli al. Vakantie nemen hoefde niet. Ik wilde al thuisverpleging doen van voor ik met de studie verpleegkunde begonnen was. Een buikgevoel was dat. Tijdens de stages in de eerste twee jaren werkte ik vooral in ziekenhuizen. Ik heb toen getwijfeld. De korte opnames zorgden voor nogal snelle en oppervlakkige contacten, terwijl ik net graag een band met de patiënten opbouw. En eerlijk gezegd stak al dat binnen zitten me ook wat tegen. Toen ik in het derde jaar een stage in de thuisverpleging mocht doen, herkende ik eindelijk wat ik van dit beroep verwacht had. Ik kom nu vaak jarenlang bij dezelfde mensen thuis: zalig. En ook: ik voel me vrij met mijn auto.’




Florence: ‘Ik herken dat. Ik zit ook niet graag binnen. Tijdens mijn middelbare studies was ik lui aan het worden; het boeide me niet meer. Ik schakelde toen over naar een beroepsafdeling, richting verzorging. Meteen voelde ik dat zorg voor mensen iets voor mij was. En voilà, ik zit nu in het laatste jaar hoger beroepsonderwijs. Ik zou nog verder kunnen studeren, maar het is nu echt genoeg geweest met die boeken. Stage lopen en ‘s avonds nog opdrachten maken en lessen leren, het is echt zwaar. Overmorgen heb ik examen van cardiologie. Mondeling. Vandaag valt dat nog mee, maar morgen zou je me moeten zien; echt zenuwachtig. Neen, ik wil aan het volle werk beginnen. Mijn beide ouders zijn verpleegkundigen. Ik heb mijn hele leven hun verhalen gehoord. Toen ik een studierichting moest kiezen, lag verpleegkunde nogal voor de hand. Ik dacht: ik probeer het gewoon. Ondertussen weet ik dat ik goed zit, zeker nu ik eindelijk een stage thuisverpleging heb mogen doen.’

Christel: ‘Stagiairs zijn altijd welkom bij mij. Ik breng hun graag iets bij, zowel handelingen als de liefde voor het vak. Voor mij is dat een plezier. Ik volg nu ook een mentorenopleiding in het departement verpleegkunde van de Thomas More Hogeschool in Turnhout: vier dagen met tips over hoe we met studenten kunnen communiceren, over hoe we feedback het best aanpakken. Ook het uitwisselen van ervaringen is enorm verrijkend.

Hoe ga je bijvoorbeeld om met studenten die weinig gemotiveerd zijn om thuisverpleging te doen? Ik hoor ook van collega’s dat ze het onmiddellijk voelen als stagiairs deze stageplaats als een verplichting ervaren. Meer zelfs; hier en daar wordt op thuisverpleging neergekeken.

Het zou te weinig technisch zijn. Ik vind het een uitdaging om hen dan te prikkelen, in de hoop dat ze inzien dat ook deze sector sterk geëvolueerd is. Wij koppelen ook chemo af, we werken met poortkatheters, we nemen complexe wondzorg op van mensen die nog maar net geopereerd zijn. Wij hebben de vrijheid van planning, en kunnen onze eigen keuzes maken. Je kan met weinig extra veel verschil maken. Hoe? Met zottigheid! Ik zal straks enkele verhalen vertellen, goed? Florence houdt daar ook van. De patiënten vragen nog steeds naar haar. Dat gebeurt niet altijd. Meestal is een stagiaire snel vergeten.’

Florence: ‘Oh, tof! Ja, thuisverpleging is zoveel meer dan in een ziekenhuis. Ik was eerlijk gezegd ook wel bang dat ik een aantal handelingen niet veel zou kunnen uitvoeren, en dat ik vooral oude mensen zou wassen. In onze klas stond niemand echt voor het Wit-Gele Kruis te springen. Die willen allemaal in een ziekenhuis aan de slag, met als reden “hoe grelliger hoe beter”. Maar kijk, ik heb maar enkele weken stage gelopen en het voelt alsof ik die mensen al jaren ken. Het contact is op de voorgrond gekomen. Dat wassen komt er bij.

Mensen thuis wassen heeft ook iets. Ze hebben hun eigen wensen en regeltjes. Ze zeiden me: “Christel doet dat toch anders, zenne.” Ze zijn enorm aan haar gehecht, en dat is zo mooi. Je moet ook wat creatiever omgaan met de mogelijkheden.

Zo was er een huis waar we eerst met een waterkoker aan de slag moesten, in een kleine kamer waar naast het bed ook een kachel en een tv stonden. Die patiënt leefde op die paar vierkante meter. De rest van het huis was niet verwarmd. Dat was schrikken voor mij. Ik durf het nu pas te zeggen, Christel, maar ik was keibang om daar een muis tegen te komen.’

Christel: ‘Wat een gemiste kans! Ik had ze kunnen wijzen. Dat ik dat niet geweten heb. Ik zou je nogal geplaagd hebben. Twintig jaar geleden zagen we wel vaker huizen zonder goede badkamer. Nu is dat nog een uitzondering. Ik aanvaard dat gewoon. Het enige wat niet kan voor mij zijn rondlopende huisdieren als ik iemand moet prikken. Dat is gewoonweg niet veilig. Voor de rest ga ik ervan uit dat ik gast ben in hun huis, en dat ik geen commentaar geef. Dat betekent dan dat ik bijvoorbeeld naar rook ruik als ik bij een roker buitenkom, maar dat is nu eenmaal de realiteit van thuisverpleging.’

Florence: ‘Met geuren kan ik het echt moeilijk hebben. Misschien went dat nog wel. Wat mij opvalt is het verschil in gebruik van materiaal. In ziekenhuizen gebruik je twee washandjes en twee handdoeken – een set voor boven en een set voor onder. Tijdens deze stage gebruikten we telkens één set voor de twee en gooiden we die nadien in de wasmand. Ik vind dat gemakkelijk. Zo is er ook minder kans dat ze met elkaar verwisseld worden, wat volgens mij toch wel vaak gebeurt. Verder heb ik vele intramusculaire inspuitingen gegeven, en dat was een goede oefening. Ik voelde me er nog wat onzeker bij.

De patiënten vroegen dan: “Het is toch niet de eerste keer, hé?” Ik zei dan: “Och neen, ik heb dat al zeker honderd keer gedaan.” Dat was fel overdreven, maar het hielp om mijn zenuwen te bedwingen.’

Christel: ‘Niets van gemerkt, Florence. Je komt zeker over. Je deed het echt goed. Dat is niet zo bij alle stagiairs. Ik herinner me iemand die niet echt gemotiveerd leek. Goedemorgen zeggen vond ze niet nodig, terwijl de manier waarop je ergens binnenkomt volgens mij net zeer belangrijk is. Ook bij de verzorging had ze een eerder brute aanpak. Haar lichaamstaal was hard en weinig betrokken, haar handelingen onzeker. Ik kon haar eigenlijk niet alleen aan het werk laten, terwijl zelfstandigheid in de thuisverpleging natuurlijk een voorwaarde is. Hoe maak je zoiets duidelijk? Ik heb haar uitgelegd dat ze als thuisverpleegkundige niet echt geschikt was, maar dat ze in een team met voldoende ondersteuning nog de nodige ervaring zou kunnen opdoen.’

Florence: ‘Je hebt gelijk dat ik me zeer goed gevoeld heb op deze stageplaats. En wonden verzorgen, da’s de max! Echt waar, dat prulwerk, die snelle verandering van die wonde zien, die verschillende technieken en materialen; dat is tof. Ik heb vooral veel vingers gezien, van iemand met brandwonden en iemand die een zaagongevalletje had. Je moet dan met fijne handelingen kleine oppervlakten verzorgen, de compressen moeten goed blijven zitten zodat ze nadien niet hinderen en dan moet je nog de windels tussen alle vingers winden. Ik doe dat graag.

Bij amputaties moet ik slikken. Ik ben dan niet op mijn gemak omdat ik weet dat die mensen veel te verwerken hebben. Vaak is het nog maar net gebeurd en ben ik bang om iets verkeerds te zeggen, of misschien hebben ze helemaal niet graag dat je eraan komt.

Het idee dat er een stuk van je lichaam is, kan traumatisch zijn.’

Christel: ‘Af en toe verandert er wel iets, en dan moet je mee. Vroeger moesten we telkens voor het prikken ontsmetten, nu enkel nog voor een intramusculaire inspuiting of voor een infuus. Ook chemo afkoppelen en poortkatheters aanprikken zijn tamelijk nieuw voor de thuisverpleging. We volgen daar ook bijscholing voor.’

Florence: ‘Dat vond ik wel straf. In de ziekenhuizen mocht je daar als student niet aankomen en waren er vaak verpleegkundigen die nog hadden bijgestudeerd voor ze met chemo aan de slag gingen. Tijdens mijn stage zag ik een patiënt die een baxter als een buideltasje om had en daar thuis mee zat. Het afkoppelen is dan werk voor de thuisverpleegkundige.’

Christel: ‘Is het dan nu tijd voor een leuk verhaal? Zullen we vertellen van Richard, Florence?’

Florence: ‘Ja! Toen ik hem de eerste keer zag, vond ik hem zeer nors. Hij was jonger dan hij eruitzag, ergens in de zestig. Hij had een chronische wonde en had hygiënische zorgen nodig. De eerste keer dat ik hem wilde wassen, zei hij: “Laat de verpleegster dat maar doen.” Ik begreep hem en deed een stap opzij. Ik verwachtte niet dat dat zou veranderen. De volgende keer ging ik met jou mee en zag ik een andere man. Hij had speciaal voor jou Abba opgezet, en plots was er een leuke sfeer van zingen en zot doen.’

Christel: ‘Ik had ooit eens gezegd dat ik van Abba hield, en toen is hij op zijn pc aan een compilatie begonnen, speciaal voor mij. Ja, er staat nu een mapje op met mijn naam, en dat zet hij klaar tegen mijn komst.

Stap ik binnen, dan klikt hij op play, en dan is het “Dancing Queen” of “Waterloo”. Nu al drie jaar lang, tweemaal per dag.

Florence: ‘Ik wist die eerste keer niet wat er gebeurde. Hij was helemaal niet zoals ik gedacht had. Die muziek paste ook niet bij hem, maar hij deed dat voor Christel. Leuk, maar hoe houdt ze dat al jarenlang vol, dacht ik?’

Christel: ‘Ik verbaas me er ook over, Florence, maar als hij het niet opzet, bijvoorbeeld omdat hij iemand anders verwachtte, dan vraag ik er zelf naar. Het hoort er gewoon bij, en ik weet hoe hij ervan geniet. Hetzelfde met Fien, daar kom ik nu al vijf jaar. Ze heeft veel pijn, en toch zeggen we altijd tegen elkaar: “Zo lang je maar gezond bent, hé?” En dan moeten we lachen. Op een zomerse dag stapte ik eens met een opvallende zonnebril binnen. Ik kwam uit de badkamer en zag dat ze hem had opgezet. Ik zei dat ik de dag nadien mijn fototoestel zou meebrengen. Ik zette haar in de tuin, met opgerolde broekspijpen, een strooien hoedje en een cocktail. En de bril, natuurlijk. Ik maakte er een foto van met de tekst: zonnige groeten uit Arendonk. Die hebben we opgestuurd naar haar zoon, die in Spanje woont. Met die foto belde ze iedereen op om te zeggen dat ze eens moesten komen kijken. Zie je dat onze zottigheid dan ook contacten voor haar oplevert? Wij brengen het sociale leven bij haar binnen. In de kerstperiode zei ik dat ze de sneeuw in het oog moest houden, want dat ik in mijn auto zou springen van zodra alles wit zag. En ja hoor: op een dag lag er sneeuw en stond ik daar met mijn moonboots en een rendierhoedje. Ik zette haar buiten op de bank, gaf haar een belletje en zei dat ze luid hohoho moest roepen. De hele buurt genoot mee! Daarna ben ik de foto in de bus van haar familie gaan droppen. En met Pasen was ze in een paashaas geschminkt en had ze een diadeem met lange oren op. Ja, zot, he? Ik geniet daar zelf van. Ik heb er deugd van als mensen eens lachen en geef daar gerust wat vrije tijd voor op. En weet je wat het allerleukste is? Ik had die foto’s eens naar ons personeelsmagazine ’t Kruis gestuurd. De makers van het tv-programma Duizend Zonnen belden me toen op. Ze zijn komen filmen. En Fien maar genieten!’

Florence: ‘Op school hoorde ik altijd dat je een professionele afstand moet bewaren. Moest ik toen dit verhaal gehoord hebben, ik zou gezegd hebben dat ik dat nooit zou doen. Na enkele weken samenwerken met Christel voel ik dat zulk spontaan enthousiasme snel ontstaat. Ik heb veel van haar geleerd. Ze weet het perfecte evenwicht te vinden tussen die zottigheid en haar eigen grenzen. Het moet niet altijd ernst zijn.

Niet alles moet volgens het saaie boekje. Toen we met Kerstmis samen moesten werken, hebben we er iets plezants van gemaakt.

Ik zei in de auto dat we toch een kerstmuts zouden moeten opzetten, en Christel vond dat we dan ook maar ineens een danske moesten doen. Geloof het of niet, maar we hebben zelfs heel even geoefend: “Jingle Bells” zingen, met de handen rond elkaar draaien, pasje rechts, pasje links. Er was een huis waar we langs de achterdeur binnengingen, en waar de patiënte met haar rug naar het raam zat. Haar man had ons al zien komen en speelde goed mee. Toen we aan dat raam stonden en we plots begonnen te zingen, had je haar gezicht moeten zien! Genieten is dat. Ze wilde ook de kerstmuts op, en daar namen we dan weer een foto van natuurlijk. Toen ik met oudjaar in het dorp aan het feesten was, kwam er een meisje naar mij. “Gij staat met ons moeke op de foto”, zei ze. Het was de kleindochter.’

Christel: ‘Zalig, toch? Het is ook zo prettig om na al die jaren nog steeds te kunnen zeggen dat ik dit werk graag doe. Soms heb ik eens een ochtend dat het niet goed op gang komt, maar dat heeft niets met de patiënten te maken en gaat altijd vanzelf weer over.’

Florence: ‘En ik kan er binnenkort aan beginnen. Ik zou nog een maand vakantie willen nemen. Als dat kan tenminste, want men zegt op school dat het grote overschot aan jobs in onze sector verdwijnt en dat we dus ook ernstig zullen moeten rondzoeken. Hier op het Wit-Gele Kruis werken? Ja, graag. Ik hou van de zelfstandigheid. Echt waar, die kliekjes die er soms in ziekenhuizen zijn, dat is niets voor mij. Ik wil openheid. Heb ik al gezegd dat ik nog een stagemaand in Tanzania loop? Ik zal in een ziekenhuis werken en in een centrum voor moeder en kind. Wegen, vaccineren, misschien wel wat bevallingen; laat maar komen. Zelfs kakkerlakken zijn geen probleem. Als er maar geen muizen zijn…’

Christel: ‘Misschien val je daar voor iemand, en zien we je nog in het programma Grenzeloze liefde?’

Florence: ‘Christel!’

Uit: Verplegen: Over de drempel heen. De teksten zijn van Gretel Van den Broek, Liesbeth Grimon en Freya Janssen
© Wit-Gele Kruis van Antwerpen vzw en uitgeverij EPO vzw, 2014

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!