Principes zijn voor rijke mensen

Principes zijn voor rijke mensen

donderdag 11 september 2014 13:21

Eigenlijk steekt een mens hier niet
veel op van tv, tenzij onrechtstreeks. Een evidente uitzondering
vormt het CBS-informatieprogramma ‘
60 Minutes‘. Elke zondag bekijk je
waar de bejaarde sterjournalisten nu weer hebben uitgehangen, en
welke steen ze nu weer hebben omgekeerd om een schandaal te onthullen.
Mike Wallace, de oudste van hen, is eind tachtig. Hij werd onlangs
door de politie voorgeleid omdat hij weerspannigheid had getoond tegen een agent die zijn taxi had bekeurd, omdat die in een zone waar
dat niet mocht wachtte tot Wallace zijn meeneemmaaltijd had
opgehaald. Zijn amper drieënzeventigjarige collega Morley Safer
reisde naar het subcontinent, waar hij filmde hoe Indiërs steeds
vaker Amerikaanse jobs overnemen.

Allerlei diensten in dit land,
hotels, spoorwegen, bussen, bieden hun klanten gratis telefoonnummers
aan waarop voor inlichtingen en/of boekingen kan gebeld worden. Zo’n
telefoongesprek verloopt stereotiep. Tenzij je, zoals bij Greyhound,
met een automaat wordt geconfronteerd, kondigt een stem aan dat het
gesprek om redenen van kwaliteitscontrole opgenomen zal worden.
Daarna stelt de telefoniste zich voor. “Hello, my name is Jane. Hoe
kan ik je van dienst zijn?”

Die telefonisten wonen dus in
toenemende mate in India, ze volgen leer ik tijdens ‘
60 Minutes‘, een
drie maanden durende cursus waarin ze gede-indianiseerd worden. Ze
leren van acteurs en taalcoaches hoe ze hun eigen accent kunnen
verliezen en hoe ze zich moeten gedragen om acceptabel Amerikaans te
lijken, hoe ze zich geloofwaardig kwaad kunnen tonen tegenover
wanbetalers. Ze veranderen hun naam (Sangita wordt Julia) en ze
werken voornamelijk ‘s nachts (vanwege het tijdsverschil).

Deze pseudo-amerikanen verdienen een
tiende van de echte Amerikanen. Voor de bedrijven zou de uitbesteding
van het werk een besparingen van 30 tot 50 procent opleveren. In
totaal zouden de voorbije drie jaar vierhonderdduizend ‘Amerikaanse’
jobs naar het buitenland zijn getransfereerd, van laag- tot
hooggeschoold, wat er mede toe bijdraagt dat de lokale economie, die
grote winstmarges produceert, toch relatief weinig groei in de eigen
banenmarkt te zien geeft.

In het verwarrende besef dat Jane
die mijn overnachting hielp boeken wellicht overdag als Kasturba door
het leven stapt (de telefonisten die ‘
60 Minutes’ interviewde waren
redelijk blij met hun dubbelleven) loop ik een Subway-sandwichwinkel
binnen. De drie werkneemsters zijn geen van allen Amerikaans. Irena,
een Roemeense, incasseert voor wat haar twee Indiase medewerksters,
een hindoe uit Delhi en een moslim uit Calcutta, prepareren. Irena is
vier maanden in het land, de andere twee zijn er een half jaar. Hun
accenten zijn zo dik als rijstebrij. Stoort het de Indiase vrouwen
niet dat ze de hele dag met rund- en varkensvlees in de weer zijn?

Ze dragen plastic handschoenen,
tonen ze, en ze hebben niet zoveel keus. “Principes”, zegt de
hindoe wat mistroostig, “zijn voor rijke mensen. Als we vandaag de
huishuur niet betalen, staan we morgen op straat. Dat is mijn
principe”. (1)

Obama zal dus zijn
hervormingsvoorstel rond migratie uitstellen tot na de
parlementsverkiezingen van november 2014. Nu doordrukken zal
betekenen dat hij zijn Democratische meerderheid in de Senaat aan de
Republikeinen verliest, menen zijn adviseurs. De
migrantenverenigingen spreken van verraad. In de VS leven naar
schatting elf miljoen mensen zonder geldige verblijfsvergunning.

Stilaan wordt voor
iedereen duidelijk dat Obama de hoge verwachtingen helemaal niet zal
inlossen. Het voortdurend Amerikaans oorlogsgedrag, het lamentabele
klimaatbeleid, het mislukken van de herverdeling en de blijvende,
immense kloof tussen arm en rijk als gevolg van een onveranderd
neoliberale samenlevingsbestel. Obama is niet meer dan het alibi van
een zwarte president. De conclusie is duidelijk: de mammoettanker
Amerika wijzigt niet zo gauw zijn vaarrichting.

Interessant is het
om daarover twee recente boeken over Amerika te lezen. Het lange
uittreksel aan het begin van deze bijdrage is van R. Rotthier. Hij
trok (2) vijftien maand door de VS, en maakte onder meer de
herverkiezing van Bush mee in 2004.

Verhelderend wat
Rotthier ons vertelt over media. “De nieuwszender is voor de kijker
wat de lantaarnpaal is voor de dronkaard: iets om op te steunen
eerder dan iets wat verlichting brengt” bedacht James Carville
(adviseur van Clinton).

“Media hebben als
opdracht perceptie om te vormen tot waarheid… Wie de hoogste
kijkcijfers haalt wint de slag om de vrije markt van de waarheid. De
grote winnaar in deze strijd is recentelijk het rechtse Fox News dat
in sommige tijdssegmenten dubbel zoveel kijkers lokt als concurrenten
CNN, CNBC en MSNBC samen.”

Rotthier beschrijft
in dat verband de ‘heiligverklaring’ van Ronald Reagan bij zijn
overlijden in juni 2004 (enige maanden later wordt Bush herverkozen)
door alle kranten en vooral de tv-stations. Volgens CNN-kijkers
verdiende Reagan het pantheon van presidenten.

In Chicago, waar de
schrijver in juni 2004 verblijft, merkt hij “echter geen rimpel
verandering in het dagelijkse leven. Wie in zo’n gigantisch land wil
kan de publieke opinie enteren, amenderen, regisseren, klaarmaken
voor de ene of de andere waarheid, haar vatbaar maken voor
interpretatie,” besluit hij. “Je kunt met recht en reden om het
even wat verklaren. Althans het proberen. Dat was allicht altijd al
zo, maar nu wordt het gebillijkt door een regeringsfilosofie”.

En over helden
gesproken. Rotthier zegt in een land te reizen van heldhaftige
individuen, van onheus veel helden. “Van de brandweerman in een
brandend huis tot het meisje dat een verloren portefeuille
terugbrengt. Van de inzittenden van een neerstortend vliegtuig tot de
vrouw die beslist een buitenlandse studente te financieren.”

“Het is ook de
logica van de regering Bush” schrijft hij. “Iedereen kan een held
zijn. Iedereen kan de werkelijkheid kneden. Je moet dat heldendom
niet fnuiken met sociale voorzieningen of een leefbaar minimumloon.
De droom, de deur staat open voor iedereen (3), je kunt twee of drie
jobs combineren en je uit de goot naar het firmament werken (in
werkelijkheid zijn de echt succesrijke zakenlui doorgaans rijk of
halfrijk begonnen, zoals Bush zelf, en de allerrijksten, zoals Warren
Buffet of Bill Gates – de realiteit van de goot laten ze aan
onderen over; minder bevoorrechten moeten vaak meerdere jobs nemen om
in de goot te kunnen overleven)”.

Geert Mak
constateert (4) op zijn reis in 2010 (twee jaar na de verkiezing van
Obama in november 2008) een evolutie: “De democratische
samenleving verkeert in de Europese Unie en in de Verenigde Staten in
een crisis. Binnen de EU worden, noodgedwongen, omvangrijke
machtssystemen opgebouwd die buiten iedere democratische controle
vallen. Het publiek reageert verontwaardigd, de kiezers trekken bij
nationale verkiezingen steeds meer naar de extremen. De nationale
middepartijen, vanouds de gesprekspartners van de Unie, brokkelen in
snel tempo af. De polarisatie neemt toe. In Amerika is iets
soortgelijks aan de hand. Het probleem is, ook hier, het
democratische proces. Dat is niet verward, zoals in Europa, maar
bovenal gecorrumpeerd. Met giften en donaties kan het Amerikaanse
besluitvormingsproces in vergaande mate worden beïnvloed, en de
mogelijkheden daartoe zijn nog eens aanmerkelijk verruimd door het
Hooggerechtshof. De rijken worden zo niet alleen steeds rijker, maar
ook machtiger, en ze krijgen bovendien telkens nieuwe mogelijkheden
om die rijkdom te beschermen en verder uit te breiden. Bij de armen,
en ook bij grote delen van de middenklasse, vindt het omgekeerde
plaats.” (blz. 517 en 518).

Na het lezen van de
twee boeken rijst vooral de vraag wat eruit kan geleerd worden voor
onze actuele realiteit. Verhelderend is wat Rotthier hierover
schrijft als hij door Texas (5) trekt. In een gesprek met journalist
Paul Burka zegt deze laatste over president Bush: “De man die
campagne gevoerd had als ‘compassionate conservative‘ (6) wou ineens
geen overleg meer met de andere partij, ineens was hij voluit voor de
grote bedrijven. De man die weliswaar christen was maar die als
gouverneur had gezegd dat er onder zijn regime abortussen zouden
blijven plaatsvinden, was ineens de vertegenwoordiger van de radicale
christenen. Ik verklaar dat als volgt. Het gouverneurschap van Texas
is klein bier. Het is een post met beperkte macht. Bush voelde dat
hij niet klaar was voor het presidentschap, maar dat van de andere
kant zijn tijd gekomen was – als je in de politiek een mogelijkheid
laat passeren komt ze misschien nooit meer weer. Nog voor hij zich
kandidaat gesteld had, stond hij aan kop vna de peiligen. Maar waar
hij als gouverneur enkele krachtlijnen had kunnen uitzetten werd hij
als president ineens voor alles verantwoordelijk. Hij deed wat hij
altijd deed : hij toonde belangstelling voor twee of drie dingen en
de rest – dat wat hem ten gronde niet kon schelen – liet hij aan
zijn medewerkers over, met name aan zijn vice-president, die veel
meer pro-bedrijfsleven is dan Bush. Rove had hem duidelijk gemaakt
dat hij kon winnen door naar rechts op te schuiven, eerst in de
voorverkiezingen, daarna in de echte verkiezingen.”

Het bewuste
compassionate conservatism is ook bij ons actueel. En dat niet
alleen net over de plas, in het Verenigd Koninkrijk van Theodore
Dalrymple en David Cameron (hij noemt zijn ideologie het modern,
compassionate conservatism), die momenteel zijn handen vol heeft met
Schotland en waar de kans bestaat dat hij een koekje van eigen deeg
geserveerd krijgt. Alleszins wordt zijn zienswijze bij de Schotten
zwaar in vraag gesteld.

Ook bij ons wordt,
in weerwil van een recente OESO-uitspraak (7) lustig gepraat over een
indexsprong. En plaatsen mogelijke, drastische besparingen
levensgrote vraagtekens achter een efficiënte overheid in domeinen
als cultuur, werk, welzijn of onderwijs.

Dit lijken mij meer
ernstige kwesties dan de zogenaamde halszaak of het resultaat van de
nachtelijke onderhandelingen van Peeters, Michel en Co, waarbij
Marianne Thyssen kandidaat Europees commissaris wordt, gevolg is van
een geniale schaakzet van Wouter (Beke) en Kris (Peeters) of een
goocheltruc, getoverd uit de hoge hoed van Bart De Wever (8).

Actueel wordt de
steeds dringender vraag gesteld naar de groeiende ongelijkheid. Zoals
Mak de Brits-Amerikaanse historicus Tony Judt (9) citeert : “… één
grote waarschuwing tegen deze snel toenemende ongelijkheid, tegen de
voortgaande uitholling van het gelijkwaardigheidsideaal van de
Amerikaanse Revolutie. Zoals dit principe in het verleden de dynamiek
van de Amerikaanse samenleving voordurend aanjoeg, zo zal een
toenemende ongelijkheid de Amerikaanse maatschappij steeds meer doen
verstarren. Tony Judt vergeleek in een reeks grafieken landen met
grote inkomensverschillen – de Verenigde Staten en, in mindere
mate, Groot-Brittannië – met landen die relatief geringe
inkomensverschillen – zoals Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken,
Duitsland en Canada. De kansen die een samenleving biedt kunnen in
zo’n grafiek goed worden afgelezen aan de zogenaamde mobiliteit
tussen de generaties. Amerika loopt daarbij inmiddels achterop, in
plaats van vooraan. Tony Judt : “In tegenstelling tot hun ouders en
grootouders hebben kinderen in Groot-Brittannie en de Verenigde
Staten tegenwoordig slechts een minimale kans zich te verheffen boven
de omstandigheden waarin ze werden geboren. De armen blijven arm”.

(1) Blz. 300-301
uit Het land dat zichzelf bemint, van Rudi Rotthier (Uitgeverij
Atlas, 2005).

(2) Rudy Rotthier
reist bij voorkeur niet met de wagen. Naast een heel ander reisritme
laat hem dat toe in contact te komen met diverse compagnons de
route.

(3) De studente
sociologie die Rotthier interviewt heeft echter haar twijfels. Zij
werkt in de vakantiemaanden in een shopping mall. “Ik schat dat
geen tien procent van de werknemers hier graag werkt. Weet je wat
mij ook opvalt: hoe gestroomlijnd dit land is. De VS zijn officieel
het land van de vrije mensen, maar als je werkt in een winkel als
deze moet je er zo stereotiep mogelijk uitzien… Wij Amerikanen
leven als eenheidsworst. Ik ben niet gepierced, ik heb geen
tatoeages, maar toch heb ik van mijn baas te horen gekregen dat ik
er niet winkelwaardig bijloop. Mijn haarkleur is te fel.”

(4) In zijn boek
Reizen zonder John, Atlas 2012. John is de voornaam van John
Steinbeck, Amerikaanse schrijver, die in 1960 reisde doorheen
Amerika. Mak gaat hem, vijftig jaar later, achterna.

(5) De thuisbasis
van de familie Bush. Een passage: ‘Het milieu is simpel – dat
doet er in Texas niet zoveel toe en het interesseerde Bush al
helemaal niet. Door Houston loopt een kanaal dat vroeger
verschrikkelijk stonk en dat wellicht nog altijd stinkt. De bewoners
spreken van ‘de stank van het geld’. We stellen vervuiling gelijk
met welvaart – en dat is nu eenmaal zo. We doen laatdunkend over
Californië waar ze bomen belangrijker vinden dan mensen. Bush
maalde niet om het milieu. Hij was er niet tegen, zou je kunnen
zeggen. Je kunt daar nog aan toevoegen dat uitkeringen en sociale
voorzieningen er in Texas niet toe doen. Texas verschilt in die zin
van de rest van het land dat we de underdog, de zwakkere, absoluut
niet waarderen. Ik verklaar dat door het moeilijke terrein – en de
vijftigjarige, gruwelijke oorlog met de Comanches. Wie niet voor
zichzelf kon zorgen bracht de hele groep in gevaar. We houden niet
van vakbonden – dat past in hetzelfde stramien, je moet de
zwakkeren niet beschermen. In de olie-industrie heeft de vakbond
nooit een voet aan de grond gekregen’ (blz. 358)

(6) Wij komen deze
uitdrukking later nog tegen.

(7) ABVV- woordvoerster Gina Heyrman: “Wat Marc Leemans gezegd heeft (nvdr : indexsprong is einde van sociaal overleg) is de
evidentie zelve. Er is nu duidelijk een rechtse regering in de maak
die de werkgevers in een zetel zet, en de poten onder de stoel van
de vakbonden wil zagen”.

(8) Zoals
VRT-journalist Bart Verhulst de Grote Roerganger eens te meer
bovennatuurlijke gaven toedicht in ‘Deze regeling komt uit de hoed van Bart De Wever’, do 4/9/2014

(9) Citaat uit het
boek Ill Fares the Land, verschenen in 2010, net voor zijn dood.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!