Opinie -

Voorbij de besparingspolitiek: op zoek naar alternatieven

'Besparen.' 'Bezuinigen.' 'Snoeien.' 'Afslanken'. Het zijn woorden die de komende jaren tot in den treure herhaald zullen worden. Maar wat zijn de alternatieven? En vanuit welke hoek moet oppositie gevoerd worden tegen het besparingsbeleid? Een overzicht.

donderdag 4 september 2014 11:07

De
besparingsoperaties die ons opgelegd worden, worden voorgesteld als
een economische noodzaak. De zinsnede “iedereen weet dat we moeten
besparen” is al evenzeer een evidentie geworden als “iedereen weet
dat we langer moeten werken”. En toch, wie zich de moeite getroost om
even verder te kijken dan een journaal kort is, merkt snel dat wetenschappelijke consensus over een hardvochtig besparingsbeleid
onbestaande is.

Dat
zit zo. In januari 2010 publiceerden Harvard-econonomen Carmen M.
Reinhart en Kenneth S. Rogoff de paper Growth
in a Time of Debt
. Een
van de centrale stellingen in het artikel luidt dat een schuld die
oploopt tot boven de negentig procent economieën regelrecht naar de
afgrond leidt. Dat was natuurlijk koren op de molen voor de
verdedigers van een hardvochtig besparingsbeleid. Zwaaiend met een
wetenschappelijk artikel van twee vooraanstaande economen werden
draconische besparingen gelegitimeerd. Met alle sociale gevolgen
van dien.

Maar
in april 2013 keerde het tij. Er werd aangetoond dat het artikel van
Reinhart en Rogoff belangrijke fouten bevatte. Hun conclusies werden als niet langer wetenschappelijk houdbaar
beschouwd. Opvallend:
ook het
IMF
kondigde in juni 2013 aan dat ze de gevolgen
van de draconische besparingspolitiek in Griekenland onderschat had.
In een rapport zette
het IMF de gevolgen van het Griekse besparingsbeleid op een rijtje:
“Vertrouwen in de markt is niet hersteld, het banksysteem verloor
dertig procent van zijn deposito’s, de economie ging in een diepe
recessie en de werkloosheid werd uitzonderlijk hoog.”

Niet
dat het besparingsbeleid elders werkte. Na vijf jaar
besparingspolitiek in de Eurozone oogt het resultaat mager.
Vier landen
verkeren op dit moment nog in recessie. Het gaat om Finland, Italië,
Griekenland en Cyprus. Andere landen kennen dan weer een heel kleine
groei (minder dan 1 procent). België, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Frankrijk
behoren tot die club. Elders
stagneert
de economische groei opnieuw.

Bovendien
gaat achter de bescheiden vreugdekreten omtrent de (erg matige)
economische groei een onblusblare sociale crisis schuil. Dat wordt
duidelijk als we de werkloosheidscijfers
binnen de eurozone bekijken. Ierland, de beste leerling van de klas,
klokt af op een groei van net boven de 5 procent, maar kent nog
steeds een werkloosheidsgraad van 12 procent. Spanje kent opnieuw een
economische groei van net boven de 1 procent, maar kampt nog
steeds met een werkloosheid van boven de 25 procent. Ter
vergelijking: België heeft op dit moment een werkloosheidsgraad van
8,5 procent.

Goed
bestuur: sociaal bloedbad

Dat een
streng besparingsbeleid niet werkt en niet kan werken, is te wijten
aan een foute diagnose, zoals Paul De Grauwe opmerkte in een essay in
The
European
. Besparingsprogramma’s berusten op het idee dat het teveel aan overheidsuitgaven de crisis veroorzaakt heeft. Staten hebben
onbezonnen uitgegeven en moeten nu gedisciplineerd worden. Maar deze
diagnose is fout, zo stelt De Grauwe terecht, het is de private
sector die zichzelf in de schulden heeft gewerkt. In haar val heeft
ze de publieke sector meegetrokken.

Toch zijn het de publieke sector en de burgers die moeten besparen. Die
boodschap wordt voor het grote publiek verpakt in moraliserende
frasen. Zo was het Jan Peumans die onlangs in Het Nieuwsblad kwam
vertellen dat “we boven onze stand geleefd hebben”. De vraag is: wie
is de ‘we’?

Volgens
de coalitiegenoten van Peumans zijn dat de overheid en de burgers.
Het voorbeeld dat Peumans aanhaalde is dan ook veelzeggend: “We hebben vijftien jaar
boven onze stand geleefd. Gisteravond nog passeerde ik een bus. Het
licht brandde en er zat een chauffeur in. Maar voor de rest volledig
leeg. Het kon voor sommigen de voorbije jaren niet op en nu worden we
daarmee geconfronteerd.”

Tegelijk
wordt de private sector duidelijk buiten schot gehouden. Het zijn
overheid en burgers die moeten snoeien, maar de private sector dient
gestimuleerd te worden. De vaak gehoorde oneliner dat we het allemaal met
minder moeten doen, klopt dus niet. Het zijn bepaalde sectoren en
groepen waarop bespaard wordt, met name de publieke sector en de
midden- en lagere klassen.

Het
onevenwicht in deze besparingsoefening kan verklaard worden door een
andere these die besparingsvoorstanders aanhangen: ze geloven in het
idee dat we het aanbod moeten stimuleren in plaats van de vraag. In
tijden van crisis, zo wordt geredeneerd, moeten we private
ondernemers extra ondersteunen. Subsidies voor ondernemingen of het
naar omlaag halen van loonkosten staan bijvoorbeeld niet ter
discussie. Wel integendeel.

De logica hierachter is deze: het
zijn ondernemers die werk en welvaart creëren. Zij zijn de motor
achter de economie. Als die motor weer op gang wordt getrokken, dan
zal de economie als geheel weer op gang komen. Niet de vraagzijde
maar de aanbodzijde is het belangrijkste binnen een marktcontext.
Maar de vraagzijde wordt zo verwaarloosd. Met alle gevolgen
van dien.

Het is deze giftige cocktail die de crisis tegelijk
verdiept en reproduceert. Een haast exclusieve aandacht voor de
aanbodzijde en een besparingsoperatie in publieke sectoren zorgen
voor een sociale crisis in de vorm van toenemende werkloosheid en een
verminderde koopkracht. Net op het moment dat vrijwel iedereen
doorheeft dat dit schema een recipe for disaster is, wil
België het gaan invoeren. Of: hoe men een sociaal bloedblad wil laten
rijmen op goed bestuur.

Linkse
oppositie

Het
logische antwoord van de Europese linkerzijde op de
besparingspolitiek is: investeer! De crisis zal niet opgelost worden
door de koopkracht van de consumenten te doen dalen, maar door deze
te stimuleren: de overheid moet in tijden van crisis net publieke
investeringen aangaan. Enkel zo kan de negatieve spiraal doorbroken
worden. Hiermee schaart de linkerzijde zich achter het denken van
onder meer Krugman en De Grauwe. De nieuwe Marx heet John Maynard
Keynes.

Ongetwijfeld
dient tegenover een besparingspolitiek een investeringspolitiek
geplaatst te worden. Op korte termijn is dat inderdaad het beste
antwoord. Tegelijk is het tekenend dat de linkerzijde niet
verder geraakt dan Keynes. Pleiten voor een stimuleren van de
vraagzijde valt niet bepaald revolutionair te noemen. Het is een
behoudsgezinde strategie die gewoon pleit voor een andere wijze
waarop het bestaande kan gered worden. Bijgevolg is de linkse
oppositie genoodzaakt om een defensieve politiek te voeren.

Dat
heeft zo zijn gevolgen. De Europese linkerzijde slaagt er eigenlijk
niet in om de dans te leiden. Er wordt slechts gereageerd op een
politiek die zich voltrekt, zonder dat een echt alternatief wordt
geformuleerd. Om het in de woorden van Slavoj
Žižek
te zeggen: “[…] het vertoog van de oppositie getuigt
opnieuw van de armoede van hedendaags links: er is geen positief,
inhoudelijk programma dat de eisen begeleidt, er bestaat enkel een
algemene weigering om een compromis te sluiten over de bestaande
welvaartsstaat. Het Utopia is niet dat van de systemische verandering,
maar slechts het idee dat we de welvaartsstaat kunnen behouden binnen
het bestaande systeem.”

Hier maakt Žižek een belangrijk punt. Wanneer gesproken wordt over
revolutionaire of systemische verandering, dan betreft dit geen
modegril of puberaal gedweep met stoere termen. We dienen ons wel
degelijk af te vragen of het model van een sterke,
herverdelende staat, waarin het compromis tussen arbeid en kapitaal
wordt gestut door een constante economische groei en
een consumptie-economie, überhaupt houdbaar is. Het is te zeggen: houdbaar binnen de context van een
kapitalistisch model. Er zijn steeds meer indicaties dat dit niet het
geval is. Voor alle duidelijkheid: dit wil niet zeggen dat we het
idee van een welvaartsstaat dienen te bevragen, maar wel dat van een
kapitalistische economie.

Draagkracht

Er
zijn meerdere contradicties die het kapitalistische systeem
tegenwoordig tot de rand van de afgrond voeren, zowel intern als
extern. Maar er is één contradictie die bijzonder urgent is,
namelijk die tussen ecologie en kapitalistische economie. Recent nog
lekte een deel van het klimaatrapport
van de VN uit. Daarin werd een inktzwart  toekomstbeeld geschetst: het risico
op onomkeerbare gevolgen door klimaatopwarming valt niet langer uit
te sluiten.

In
haar te verschijnen boek This Changes
Everything
getuigt Naomi Klein over de
onhoudbaarheid van het kapitalistische model in relatie tot de ecologische
draagkracht van onze planeet. Voor Klein is de ecologische crisis een
reden om het kapitalisme als systeem opnieuw te gaan bevragen. Ook de
Vlaamse auteurs Matthias Lievens en Anneleen Kenis trokken deze kaart in
hun boek De mythe van de groene economie. Net als Klein concluderen ze dat
een kapitalistisch model gebaseerd op groei niet langer houdbaar is. Dat betekent evenzeer dat een verzorgingsstaat die groei als
motor heeft niet langer houdbaar is.

Wat
daarom nodig is, is een verbeelding van hoe
een postkapitalistische samenleving eruit kan zien. Dat zal niet
gebeuren door opnieuw een groot verhaal te vertellen over een
communistisch walhalla, wel door concrete praktijken naar voor
te schuiven en daarrond een progressieve politieke strijd te
ontwikkelen.

Dergelijke
praktijken hoeft men niet zo ver te zoeken. Voor een deel zijn het
oude strijdpunten die opnieuw moeten gepolitiseerd moeten worden, andere
volgen logisch uit de actuele toestand waarin we ons bevinden. Zo is
het duidelijk dat we moeten afstappen van een model dat
gebaseerd is op economische groei. Op dit moment gebruiken, produceren
en consumeren we meer dan de aarde aankan. De enige manier om dat te
stoppen is van een dergelijk model af te stappen. Maar dat
betekent een radicale breuk ten aanzien van het bestaande economische
model.

Hoe een dergelijke overstap te concretiseren? In De mythe van de groene economie wordt een
interessant voorstel gedaan. Er wordt onder meer gepleit voor
arbeidsduurvermindering. Zowel vanuit ecologisch als sociaal
standpunt is dit verdedigbaar. Arbeidsduurvermindering is een manier
om overproductie tegen te gaan: er wordt geproduceerd tot er genoeg
is. De extra ecologische kost wordt op die manier gereduceerd.
Bovendien laat arbeidsduurvermindering toe om arbeid te gaan
herverdelen. Geen slecht idee in tijden van werkloosheid.

Last
but not least
: arbeidsduurvermindering
leidt tot een hogere levenskwaliteit, aangezien er meer tijd vrijkomt
voor het autonoom plannen en organiseren van het eigen leven. Geen
overbodige luxe in tijden van een groeiend aantal burn-outs en
depressies.

Het zijn dergelijke eenvoudige strijdpunten die een kapitalistische logica gedeeltelijk
kunnen breken. Bovendien is dit ook een offensieve eis. Er straalt
een ander toekomstbeeld, een ander levensmodel van uit, dat haaks
staat op de bestaande eisen van steeds meer en langer werken in naam
van ons eigenste “sociaal model”. Kortom,
het symboliseert een zekere hoop. De crisis zal pas overwonnen worden
wanneer deze hoop het onderwerp kan worden van een politieke
strijd.

take down
the paywall
steun ons nu!