Opinie

Voorbij de besparingspolitiek: op zoek naar alternatieven

Teaser fallback community afbeelding
'Besparen.' 'Bezuinigen.' 'Snoeien.' 'Afslanken'. Het zijn woorden die de komende jaren tot in den treure herhaald zullen worden. Maar wat zijn de alternatieven? En vanuit welke hoek moet oppositie gevoerd worden tegen het besparingsbeleid? Een overzicht.

De besparingsoperaties die ons opgelegd worden, worden voorgesteld als een economische noodzaak. De zinsnede "iedereen weet dat we moeten besparen" is al evenzeer een evidentie geworden als "iedereen weet dat we langer moeten werken". En toch, wie zich de moeite getroost om even verder te kijken dan een journaal kort is, merkt snel dat wetenschappelijke consensus over een hardvochtig besparingsbeleid onbestaande is.

Dat zit zo. In januari 2010 publiceerden Harvard-econonomen Carmen M. Reinhart en Kenneth S. Rogoff de paper Growth in a Time of Debt. Een van de centrale stellingen in het artikel luidt dat een schuld die oploopt tot boven de negentig procent economieën regelrecht naar de afgrond leidt. Dat was natuurlijk koren op de molen voor de verdedigers van een hardvochtig besparingsbeleid. Zwaaiend met een wetenschappelijk artikel van twee vooraanstaande economen werden draconische besparingen gelegitimeerd. Met alle sociale gevolgen van dien.

Maar in april 2013 keerde het tij. Er werd aangetoond dat het artikel van Reinhart en Rogoff belangrijke fouten bevatte. Hun conclusies werden als niet langer wetenschappelijk houdbaar beschouwd. Opvallend: ook het IMF kondigde in juni 2013 aan dat ze de gevolgen van de draconische besparingspolitiek in Griekenland onderschat had. In een rapport zette het IMF de gevolgen van het Griekse besparingsbeleid op een rijtje: “Vertrouwen in de markt is niet hersteld, het banksysteem verloor dertig procent van zijn deposito's, de economie ging in een diepe recessie en de werkloosheid werd uitzonderlijk hoog.”

Niet dat het besparingsbeleid elders werkte. Na vijf jaar besparingspolitiek in de Eurozone oogt het resultaat mager. Vier landen verkeren op dit moment nog in recessie. Het gaat om Finland, Italië, Griekenland en Cyprus. Andere landen kennen dan weer een heel kleine groei (minder dan 1 procent). België, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Frankrijk behoren tot die club. Elders stagneert de economische groei opnieuw.

Bovendien gaat achter de bescheiden vreugdekreten omtrent de (erg matige) economische groei een onblusblare sociale crisis schuil. Dat wordt duidelijk als we de werkloosheidscijfers binnen de eurozone bekijken. Ierland, de beste leerling van de klas, klokt af op een groei van net boven de 5 procent, maar kent nog steeds een werkloosheidsgraad van 12 procent. Spanje kent opnieuw een economische groei van net boven de 1 procent, maar kampt nog steeds met een werkloosheid van boven de 25 procent. Ter vergelijking: België heeft op dit moment een werkloosheidsgraad van 8,5 procent.

Goed bestuur: sociaal bloedbad

Dat een streng besparingsbeleid niet werkt en niet kan werken, is te wijten aan een foute diagnose, zoals Paul De Grauwe opmerkte in een essay in The European. Besparingsprogramma's berusten op het idee dat het teveel aan overheidsuitgaven de crisis veroorzaakt heeft. Staten hebben onbezonnen uitgegeven en moeten nu gedisciplineerd worden. Maar deze diagnose is fout, zo stelt De Grauwe terecht, het is de private sector die zichzelf in de schulden heeft gewerkt. In haar val heeft ze de publieke sector meegetrokken.

Toch zijn het de publieke sector en de burgers die moeten besparen. Die boodschap wordt voor het grote publiek verpakt in moraliserende frasen. Zo was het Jan Peumans die onlangs in Het Nieuwsblad kwam vertellen dat "we boven onze stand geleefd hebben". De vraag is: wie is de 'we'?

Volgens de coalitiegenoten van Peumans zijn dat de overheid en de burgers. Het voorbeeld dat Peumans aanhaalde is dan ook veelzeggend: “We hebben vijftien jaar boven onze stand geleefd. Gisteravond nog passeerde ik een bus. Het licht brandde en er zat een chauffeur in. Maar voor de rest volledig leeg. Het kon voor sommigen de voorbije jaren niet op en nu worden we daarmee geconfronteerd.”

Tegelijk wordt de private sector duidelijk buiten schot gehouden. Het zijn overheid en burgers die moeten snoeien, maar de private sector dient gestimuleerd te worden. De vaak gehoorde oneliner dat we het allemaal met minder moeten doen, klopt dus niet. Het zijn bepaalde sectoren en groepen waarop bespaard wordt, met name de publieke sector en de midden- en lagere klassen.

Het onevenwicht in deze besparingsoefening kan verklaard worden door een andere these die besparingsvoorstanders aanhangen: ze geloven in het idee dat we het aanbod moeten stimuleren in plaats van de vraag. In tijden van crisis, zo wordt geredeneerd, moeten we private ondernemers extra ondersteunen. Subsidies voor ondernemingen of het naar omlaag halen van loonkosten staan bijvoorbeeld niet ter discussie. Wel integendeel.

De logica hierachter is deze: het zijn ondernemers die werk en welvaart creëren. Zij zijn de motor achter de economie. Als die motor weer op gang wordt getrokken, dan zal de economie als geheel weer op gang komen. Niet de vraagzijde maar de aanbodzijde is het belangrijkste binnen een marktcontext. Maar de vraagzijde wordt zo verwaarloosd. Met alle gevolgen van dien.

Het is deze giftige cocktail die de crisis tegelijk verdiept en reproduceert. Een haast exclusieve aandacht voor de aanbodzijde en een besparingsoperatie in publieke sectoren zorgen voor een sociale crisis in de vorm van toenemende werkloosheid en een verminderde koopkracht. Net op het moment dat vrijwel iedereen doorheeft dat dit schema een recipe for disaster is, wil België het gaan invoeren. Of: hoe men een sociaal bloedblad wil laten rijmen op goed bestuur.

Linkse oppositie

Het logische antwoord van de Europese linkerzijde op de besparingspolitiek is: investeer! De crisis zal niet opgelost worden door de koopkracht van de consumenten te doen dalen, maar door deze te stimuleren: de overheid moet in tijden van crisis net publieke investeringen aangaan. Enkel zo kan de negatieve spiraal doorbroken worden. Hiermee schaart de linkerzijde zich achter het denken van onder meer Krugman en De Grauwe. De nieuwe Marx heet John Maynard Keynes.

Ongetwijfeld dient tegenover een besparingspolitiek een investeringspolitiek geplaatst te worden. Op korte termijn is dat inderdaad het beste antwoord. Tegelijk is het tekenend dat de linkerzijde niet verder geraakt dan Keynes. Pleiten voor een stimuleren van de vraagzijde valt niet bepaald revolutionair te noemen. Het is een behoudsgezinde strategie die gewoon pleit voor een andere wijze waarop het bestaande kan gered worden. Bijgevolg is de linkse oppositie genoodzaakt om een defensieve politiek te voeren.

Dat heeft zo zijn gevolgen. De Europese linkerzijde slaagt er eigenlijk niet in om de dans te leiden. Er wordt slechts gereageerd op een politiek die zich voltrekt, zonder dat een echt alternatief wordt geformuleerd. Om het in de woorden van Slavoj Žižek te zeggen: “[...] het vertoog van de oppositie getuigt opnieuw van de armoede van hedendaags links: er is geen positief, inhoudelijk programma dat de eisen begeleidt, er bestaat enkel een algemene weigering om een compromis te sluiten over de bestaande welvaartsstaat. Het Utopia is niet dat van de systemische verandering, maar slechts het idee dat we de welvaartsstaat kunnen behouden binnen het bestaande systeem.”

Hier maakt Žižek een belangrijk punt. Wanneer gesproken wordt over revolutionaire of systemische verandering, dan betreft dit geen modegril of puberaal gedweep met stoere termen. We dienen ons wel degelijk af te vragen of het model van een sterke, herverdelende staat, waarin het compromis tussen arbeid en kapitaal wordt gestut door een constante economische groei en een consumptie-economie, überhaupt houdbaar is. Het is te zeggen: houdbaar binnen de context van een kapitalistisch model. Er zijn steeds meer indicaties dat dit niet het geval is. Voor alle duidelijkheid: dit wil niet zeggen dat we het idee van een welvaartsstaat dienen te bevragen, maar wel dat van een kapitalistische economie.

Draagkracht

Er zijn meerdere contradicties die het kapitalistische systeem tegenwoordig tot de rand van de afgrond voeren, zowel intern als extern. Maar er is één contradictie die bijzonder urgent is, namelijk die tussen ecologie en kapitalistische economie. Recent nog lekte een deel van het klimaatrapport van de VN uit. Daarin werd een inktzwart  toekomstbeeld geschetst: het risico op onomkeerbare gevolgen door klimaatopwarming valt niet langer uit te sluiten.

In haar te verschijnen boek This Changes Everything getuigt Naomi Klein over de onhoudbaarheid van het kapitalistische model in relatie tot de ecologische draagkracht van onze planeet. Voor Klein is de ecologische crisis een reden om het kapitalisme als systeem opnieuw te gaan bevragen. Ook de Vlaamse auteurs Matthias Lievens en Anneleen Kenis trokken deze kaart in hun boek De mythe van de groene economie. Net als Klein concluderen ze dat een kapitalistisch model gebaseerd op groei niet langer houdbaar is. Dat betekent evenzeer dat een verzorgingsstaat die groei als motor heeft niet langer houdbaar is.

Wat daarom nodig is, is een verbeelding van hoe een postkapitalistische samenleving eruit kan zien. Dat zal niet gebeuren door opnieuw een groot verhaal te vertellen over een communistisch walhalla, wel door concrete praktijken naar voor te schuiven en daarrond een progressieve politieke strijd te ontwikkelen.

Dergelijke praktijken hoeft men niet zo ver te zoeken. Voor een deel zijn het oude strijdpunten die opnieuw moeten gepolitiseerd moeten worden, andere volgen logisch uit de actuele toestand waarin we ons bevinden. Zo is het duidelijk dat we moeten afstappen van een model dat gebaseerd is op economische groei. Op dit moment gebruiken, produceren en consumeren we meer dan de aarde aankan. De enige manier om dat te stoppen is van een dergelijk model af te stappen. Maar dat betekent een radicale breuk ten aanzien van het bestaande economische model.

Hoe een dergelijke overstap te concretiseren? In De mythe van de groene economie wordt een interessant voorstel gedaan. Er wordt onder meer gepleit voor arbeidsduurvermindering. Zowel vanuit ecologisch als sociaal standpunt is dit verdedigbaar. Arbeidsduurvermindering is een manier om overproductie tegen te gaan: er wordt geproduceerd tot er genoeg is. De extra ecologische kost wordt op die manier gereduceerd. Bovendien laat arbeidsduurvermindering toe om arbeid te gaan herverdelen. Geen slecht idee in tijden van werkloosheid.

Last but not least: arbeidsduurvermindering leidt tot een hogere levenskwaliteit, aangezien er meer tijd vrijkomt voor het autonoom plannen en organiseren van het eigen leven. Geen overbodige luxe in tijden van een groeiend aantal burn-outs en depressies.

Het zijn dergelijke eenvoudige strijdpunten die een kapitalistische logica gedeeltelijk kunnen breken. Bovendien is dit ook een offensieve eis. Er straalt een ander toekomstbeeld, een ander levensmodel van uit, dat haaks staat op de bestaande eisen van steeds meer en langer werken in naam van ons eigenste "sociaal model". Kortom, het symboliseert een zekere hoop. De crisis zal pas overwonnen worden wanneer deze hoop het onderwerp kan worden van een politieke strijd.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?