Marktkunst maakt onvrij: een Australisch voorbeeld

Marktkunst maakt onvrij: een Australisch voorbeeld

Met de tentoonstelling van Michaël Borremans in Tel Aviv staat de maatschappelijke rol van kunstenaars publiek ter discussie. Het recente kunstenaarsprotest bij aanvang van de 19e Biënnale van Sydney toont hoe succesvol een boycot kan zijn.

dinsdag 2 september 2014 09:33

Het is
logisch dat de reizende tentoonstelling van Michaël Borremans een publiek debat
op gang bracht. Je kan immers niet beweren dat kunst ver weg van politiek en
economie kan of moet blijven en tegelijk pretenderen dat ze in maatschappelijk
opzicht per definitie relevant is.

Als je als
kunstenaar tentoonstelt in oorlogsgebied achter een hoge muur die Palestijnse
bezoekers uitsluit en daarop aangesproken wordt, dan is dat een gezond
maatschappelijk signaal: het toont dat we niet door relativisme en cynisme
platgeslagen zijn. Maar los van het politieke stelt er zich met deze
tentoonstelling een andere vraag: in hoeverre zijn het de economische
factoren die hier beslissen?

Anders gezegd, bepaalt
de dominante kunstmarkt niet de wet als het op exposeren aankomt? Verzamelaars
en hun verzekeraars beslissen over de aangekochte eigendom, dat werd duidelijk.
Als ze ‘nee’ zeggen, gaat de tentoonstelling niet door. Als ze ‘ja’ zeggen,
willen ze hun werk in een toptentoonstelling omdat dit hun collectie zoveel
waardevoller maakt.

Ook Bozar, toch een publieke instelling betaald met
gemeenschapsgeld, rekent stellig op de overnamesom. Ze hadden evengoed kunnen
verklaren dat de beslissing bij de kunstenaar ligt en dat ze die keuze zouden
ondersteunen.

Kortom, mocht Borremans zich kort voor de opening teruggetrokken
hebben, dan was dat een kostelijke contractbreuk. Een blaam die toekomstige dure
expo’s in het gedrang brengt, zowel voor Bozar als galeriehouder Frank Demaegd
van Zeno X. Een annulering verwachten, is dus best veel gevraagd.

Toch toont
een recent voorbeeld, het groepsprotest bij aanvang van de 19e Biënnale van Sydney, hoe kunstenaars
heel wat in beweging kunnen brengen, louter door principieel te
kiezen met wie ze wel dan niet willen samenwerken. Uit verontwaardiging met de
onmenselijke antibootvluchtelingencampagne van de Australische regering was er
een boycotactie gericht tegen het bedrijf Transfield, tevens Biënnale-sponsor,
dat sinds 2012 voor de overheid detentiekampen uitbaat. Dat was voor de boycot amper
geweten.

De
weigering van de kunstenaars om geassocieerd te worden met deze sponsor en haar
artistieke attachés, doorprikte niet alleen een imago als
menslievende culturele weldoener, het bracht ook een belangrijk debat over
kunst, geld en maatschappelijke betrokkenheid op gang.

Sydney: Guantanamo down under

Via een open brief liet een groep van 37 kunstenaars, op initiatief van Ólafur Ólafsson, Charlie Sofo, Gabrielle
de Vietri en Ahmet Ö?üt, het
biënnalebestuur op 19 februari 2014 weten dat ze geen waarde willen toevoegen
aan een institutioneel netwerk dat het imago van Transfield ten goede komt. Het argument was dat dit
‘merk’ in opdracht van de overheid kampen uitbaat in Papoea Nieuw Guina,
Nauru en binnenkort mogelijks ook in Cambodja. Transitgevangenissen eigenlijk, waar
ouders voor onbepaalde duur met kinderen vastzitten, als afschrikmiddel. Een situatie die door de mensenrechtencommissie van de UN
als inhumaan en illegaal is verklaard en waar ook al eens doden vallen.

De actie
was het resultaat van een complexe afweging. Uit protest tegen de Australische
migratiepolitiek zou iemand ook elke overheidssteun kunnen weigeren, wat in
ultimus impliceert dat we het ons bijvoorbeeld eveneens zouden kunnen ontzeggen
nog naar een bibliotheek te gaan. Er is natuurlijk een verschil tussen een vrijwel
onhoudbare ethische positie, waarmee iemand vooral zichzelf marginaliseert, en
een strategische actie met het oog op sensibilisering

Wat effect
betreft: in een eerste reactie op het protest erkende de verraste maar intussen fel besproken sponsor, dat vele Australiërs worstelen met het vluchtelingen-transit-probleem en dat daarom
de biënnale is opgevat als artistiek platform voor ‘dialoog’. De actievoerende
kunstenaars pasten echter voor een rondje ongeloofwaardige institutionele
kritiek, een witwascampagne voor het bedrijf zeg maar. Zo werd de huichelarij
van de sponsor nogmaals publiek doorprikt. Gevolg: de voorzitter van de
biënnale, tevens topman van Transfield, trad af en elke
samenwerking werd stopgezet.  

Dit
ontlokte aan George Brandis, federaal minister van Kunsten, uiteindelijk een waarschuwing over de rol van overheidsgeld en kunst in creatief
partnerschap. Furieus over het protest, beloofde hij ervoor te zorgen dat
kunstenaars en kunstorganisaties die om politieke redenen een sponsor weigeren,
en dus de begunstiger reputatieschade toebrengen, niet meer in aanmerking
kunnen komen voor publiek geld.

Privaatpublieke censuur

De waarschuwing illustreert hoe onvrij de kunstenaar
door privaatpublieke samenwerking kan worden. Neem daarbij in overweging dat
bijvoorbeeld in Groot-Brittannië een cultuurwetgeving van kracht is, waarbij je
maar publieke steun krijgt als je zelf een bepaald percentage sponsorschap
realiseert. De waarschuwing ontmaskert tevens de eigenlijke klassenmoraal
van zijn regering, ongetwijfeld met electorale weerslag. Acties kunnen dus wel
degelijk politieke consequenties hebben. Ze tonen ook dat kunstenaars
als publieke figuren een belangrijke maatschappelijke rol kunnen spelen, nog
los van de inhoud van hun werk.

Veel meer
dan wat een kunstevenement met bezoekersaantallen had kunnen verhopen, wist het
dankzij deze actie te communiceren met een breed internationaal publiek. Dat de
protesterende kunstenaars hiervoor hun eigenbelang op spel zetten, is moedig en
lovenswaardig, ook al gaat het slechts om de bijdrage van één werk, geen ganse
tentoonstelling.

Het krijgt ook een vervolg: een nieuwe
boycotoproep gaat nu rond sinds recent bekend werd dat een hoge militair en
een topman van Transfield in de bestuursraad zetelen van een zelfverklaarde
ethische denktank en een alternatief kunstenfestival. 

Specifiek
voor ons landje is de biënnaleboycot een belangrijke waarschuwing: met zijn voorliefde voor het Angelsakisch model, geeft Cultuurminister Gatz te kennen dat hij de geschiedenis wil ingaan
als de man van de culturele omslag: van een gemeenschappelijk naar een
markgericht cultuurbeleid. Als de kunst haar financiële steun echter bij
sponsors, zakenpartners en speculanten moet halen, groeit afhankelijkheid ten
aanzien van private macht, en dat dus niet alleen in financiële termen. 

Tot slot
een constructieve tip voor kunstenaars, alsook voor de Cultuurminister. Platform London stelde in 2013 een gids op met de toepasselijke naam ‘Take the money and run’, uitgaande van
de vraag hoe fondsenwerking op een ethische manier georganiseerd kan worden.

Los
van een dergelijke politisering van de samenwerking met private partners kan de
kunstwereld natuurlijk alternatieven creëren over een andere economische huishouding, omdat een andere wereld mogelijk
is. Als reactie op Thatchers TINA, onder de roepnaam TAMARA bijvoorbeeld, om het met een voorstel van kunstenaar Martin Schick te zeggen: There Are Many Awesome Realistic Alternatives. De kunstgeschiedenis
staat trouwens vol van zo’n experimenten, zoals het Bauhaus, om er meteen
eentje te noemen. 

Robrecht
Vanderbeeken is filosoof

(met dank aan Sven ‘t Jolle)

Sven ’t
Jolle is beeldend kunstenaar, residerend in Melbourne

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!