DeWereldMorgen vertaaldesk

Ulrike Draesner: ‘Janka, myszka, muisje’

In haar roman "Sieben Sprünge vom Rand der Welt" wekt de Duitse schrijfster Ulrike Draesner onder meer een stuk traumatische geschiedenis uit Midden-Europa tot leven. Zeven mensen uit generaties van twee families buigen zich over vormen van ontheemding. Bijvoorbeeld dat Duitstalige Sileziërs begin 1945 voor het Rode Leger op de vlucht sloegen en bij terugkeer door de Poolse autoriteiten tot vreemdeling werden verklaard. Ze bleken statenloos.

vrijdag 22 augustus 2014 18:46

Ulrike Draesner laat
in Sieben Sprünge vom Rand der Welt de familie Grolmann de eigen
geschiedenis reconstrueren. De familie is afkomstig uit
het Silezische stadje Oels (nu: Ole?nica). Het ligt op dertig kilometer van
Wroclaw, toen Breslau geheten.

Doordat een Grolmann in het heden contact krijgt
met een zekere Boris Nienalt, raakt de geschiedenis van diens familie in het
verhaal vervlochten. Het gaat dan om mensen die ooit Nienaltowski heetten, uit Lemberg
in Oost-Polen (inmiddels: Lviv, in de Oekraïne), en die op hun beurt verdreven werden
naar Breslau.

In de vijf hier volgende vertaalde fragmenten
klinkt het relaas van telkens een verteller over het laatste oorlogsjaar en de
diffuse tijd daarna. Ieder doet dat uiteraard vanuit zijn of
haar punt in de geschiedenis
. De kennis kan dus uit de eerste hand zijn of
overgeleverd – bij ervaringsfeiten of gevolgen ervan. Bij elke verteller van
dienst staat tussen haakjes dan ook het geboortejaar.

Eustachius ‘Stach’ (*1930)

Mama sliep, toen ik voor de tweede keer
terugkeerde van Emil. Ik ging bij haar zitten en rekende kalm. Dag 79 van de
vlucht. Ik telde en beefde, duwde het pistool terug in de rugzak, beefde en
telde, een en twee, een en twee, twee zonen, en een.

Wachten, treinrijden, honger hebben, te voet
gaan, wachten, bevriezen. Al weken zaten we vast in Sondershausen, Thüringen.
Niemand kon ononderbroken aanvallen, zelfs geen systeem dat was opgetrokken uit
mensen, een enorm leger uit het Oosten. En niemand kon ononderbroken op de
vlucht zijn, men zat, bijna voelde het zoals zitten vroeger, toen het een
nieuwe kunst was, een nietzittend zitten, men zat en rustte uit, maar de vlucht
school eronder, lag overal, men hield eenmaal per vijf minuten zitten zijn mond
en verzamelde lucht.

Oels was gekrompen,
Lilly zei ‘binnen 14 dagen zijn we terug’, ‘binnen vier maanden’, ‘binnen een
jaar’. Oels was een naam op een landkaart, de punt van een passer prikte erin,
hij draaide en draaide. In een onophoudelijke cirkel die hij beschreef, zochten
we een doel, we redden Emil door hem, de warme steen, van station naar station met
ons mee te slepen. Oels gleed steeds verder weg naar de rand van de wereld, de passer
was geen passer, iedere keuze een illusie, de route een smalle spookweg die
belachelijk kromde van het toeval dat zich voor onze voeten uitgroef.

Het ging er niet om te griezelen om spoken.
Het ging om de vraag of men er zelf eentje werd of niet.

Voor mijn broer had ik uit stukken hout een
plank bijeen getimmerd, waarop hij kon staan. De wielen gejat. Hoeveel
kilometer trok ik hem wel niet. Hij hield de bagage vast en omhelsde zichzelf
elk uur werktuiglijk.

Vanuit het venster in de woonkamer bij de
Dombrovski’s had ik de Engelsen zien komen, ‘ze droppen’ gebruld. Er was geen
alarm meer. De eerste voltreffer raakte het kruispunt, de wereld sloeg,
rammelde, knalde, mevrouw Dombrovski zong in de kelder ‘Daarvan gaat de wereld
niet ten onder’.

Ik vond het niet grappig. Het was ook niet
grappig bedoeld.

Toen we het huis in wilden, hoorden we de tweede
knal, aards, dof.

Het huis boven ons smolt. Brandschichten bij
onze ventilatieramen, tegenover de hemel stond het huis.

Later was de bodem onder de hemel weggevallen.
Louter vlammen en stof dat daarin joeg.

Tegen de morgen werden we naar een school
gebracht, er was bouillon. Lilly ijlde en sliep. Ik zocht brood, vond in het
gemeentehuis het ene stuk kristal na het andere: schalen, vazen, glazen,
kerstboomversiering. Op de vijfde dag ontwaakte Lilly en zei: ‘Hij is aan een
longontsteking overleden.’ Zei: ‘Gisteren is hij ter aarde besteld.’

Op de zesde dag gingen we opnieuw op weg.

De Dombrovski’s namen afscheid. Ieder was op
een andere vlucht. Ik ging door dotten vol struikgewas dat mij in zich opnam.
Onze gastheren waren hun huis kwijtgeraakt, zoals Emil. Het huis, net de grond
onder de voeten, zoals Lilly. Mama sprak één zin per vijf minuten: ‘Het
nachtelijk bombardement heeft hem gedood.’ ‘De nazi’s hebben hem gedood.’ ‘De
SS heeft hem krankzinnig gemaakt.’ ‘De vlucht heeft hem gedood.’ ‘Zijn zwakke
gestel heeft hem gedood.’ Zei: ‘Ik heb hem onvoldoende beschermd.’

Ik ruilde het wagentje in voor levensmiddelen,
trots op mijn handeltje zat ik in de goot en zoog op een korst. In het begin
had de honger zich laten onderdrukken door het trucje om elke hap met speeksel
aan te lengen, ondertussen voelde ik geen honger meer, niet in de gedaante die
ik gekend had. Niets kwam en ging weer weg. De honger zat nu overal, in de
vingertoppen, in de spieren, in het hoofd, schilderde zowel in droom- als
waaktoestand worstenbroodjes, chocola, melk van binnen aan mijn voorhoofd. Als
ik wakker was, schilderde hij ze zelfs in de lucht. Naast mij smaakten de
krokussprietjes, waarover as was uitgestrooid, zonder as al walgelijk. Rook
trok door de straten, in de brede, vers uitgehouwen stenen gangen joegen de
wind en de verstoorde vogels. Ik hoorde katten janken, of waren het kinderen; stil
raasde een roedel honden langs.

Emils kleren ruilden we eveneens voor iets
eetbaars. Wanneer mama zou hebben gemeend dat Emil leefde, dan had ze zijn
broeken en hemden weggegeven, om de goden te sussen, waarin ze niet geloofde
maar die misschien wel bestonden. Ze geloofde in de longontsteking die ze zelf
had gehad, ze ruilde. Boter, ham, drie verschrompelde winterappels. Wat moest
ik doen?

Dat mama nog steeds louter de Emilzinnen zei,
boezemde me angst in. Ik verhield me tegenover haar als de roedel honden, stil
en ik maakte me smal. Mijn moeder was op deze plaats van haar leven gek. Als ik
haar liet doen, werd ze het misschien niet op andere plaatsen.

Ik sloeg mijn arm om de knie en legde er mijn
hoofd op te rusten. Oogjes dicht, straks niet naar de goot kijken. Zat daar.
Zoals de jonge Eustachius, die in de zomer een korte broek had gedragen, thuis,
in Oels. Dat was acht maanden geleden.

Ik voelde de eeuwigheid.

Hannes (*1892)

Ik herstelde traag.

De boswachter kwam bij ons op bezoek,
misschien voelde hij zich voor mij verantwoordelijk. Hoewel hij me al had
gered. Misschien had de pastoor iets tegen hem gezegd. We gaven hem twee
zilveren ringen; hij bood aan me in het bos te vergezellen.

Ik schudde het hoofd.

Ik had geloofd goed door de oorlog te raken, wanneer
ik mijn plicht zou vervullen. Dat was me gelukt, naar de letter. Om me heen had
ik brutaliteiten ontwaard en ik had niets gedaan. Het eindscenario van de
nazi’s, hun onverschilligheid, de oneindigheid van hun mensenhaat had ik niet
begrepen of verdrongen, tot ik in januari in de vesting Breslau geraakte. Tot
dan had ik gefluister en vragen gehoord. Had het zwijgen eromheen begrepen en
overgenomen. Ik had daarmee niet slecht gereisd.

De boswachter zei dat er een mogelijkheid was
om een paard te huren.

Terwijl hij sprak schudde ik al het hoofd.
Nooit meer rijden, nooit meer zelfs maar een geweer in de hand nemen, nooit
meer jagen. Slecht eenmaal in het voorjaar en eenmaal in de herfst wilde ik in
het bos gaan om een wandelingetje te maken. De kwijtschelding zou een soort compensatie zijn. Het was weinig, maar, hoopte ik, beter dan niets.

Jennifer (*1990)

Fulda.
De kaartjesscanner piepte, de kinderen op de vierzits daartegenover bakkeleiden
over vier partjes fruit voor drie monden. Natascha zat op de tweede rij achter
de kinderen naast Noëmi, met haar wou ze de kamer delen. Toch zouden we samen
spelen voor ons, onze stad, ons land. Sinds 2006 was Schland erbij. Schland zag
ik graag. Getraind, aangemoedigd, ingezworen, gekleed, gecoacht, gesprongen,
toegejuicht – Schland. Zoals zure room, vet en tegelijk vloeibaar. Had iets
ongedwongens, zomers. Schland was Duitsland met een Pools laissez-faire.

Zelfs Halka had dit prettig gevonden. Vaak had
ze dan wel gezegd ‘De Duitsers zijn geen patatten’, wat betekende ‘Simpel zijn
ze niet’, ze bracht zoiets pijnlijk strikt met de liefde in verband. Zowel van
de liefde als van de Duitsers begreep mijn Babula iets, hoe had ze anders ook
bij Boris’ Duitse vader kunnen raken. Van mijn lengte (mijn hoofd stak 28
centimeter boven het hare uit) en mijn sport begreep ze niets, omdat het aan
haar was wie het frappeerde hoe perfect ik kon vallen: een bord glipte uit
haar hand en ik ving het in de vaart op. ‘Voorwaarts, ballenjagertje,
boemboem’, zei Halka. Boris zei: ‘Je Duits is boemboem.’ Zij zei: ‘Het is
verhuisd, zoals jij.’

Mijn mond stopte ik vol deeg, duur, gesuikerd,
kleverig. Alle keukenwoorden leerde ik bij haar, walke do ciasta, de
deegroller, lopatka, het aanrechtblad, tarka do jablek, de
opgewreven appel, obierak, de dunschiller. Babula Halka bakte de duurste
wortelcake van de wereld en wandelde als een Poolse schone, zelfs in haar
ouderdom nog kaarsrecht, door onze wijk.

Over haar zoontje Boris zei ze: hij droomt,
hij helpt, hij is geniaal. En dan weer: te slap, die vent! Toen ik vier werd,
kwam ze vanuit Wroclaw bij ons, verbleef op vijf huizen afstand in een
tweekamerwoning. In 1945 had men haar uit Oost-Polen naar West-Polen verdreven.
Haar Duits was vindingrijk. Wanneer ik het synoniem voor onderbroek verried,
slipje, lachte ze zich halfdood, ‘Slurpen, zoals uit een ei?’, dacht een poosje
na en zei: ‘Niemcy pozostana zawsze niemieccy’, de Duitsers blijven
Duitsers. Ze noemde hen de onzichtbaren in mijn huis.

De buren zeiden dat vader zich om zijn arme
Poolse moedertje bekommerde, hoe lief. Hij wist het nog beter: hij had oma in
bezit. Zij was onze kok, schamperde over Duitsland en sprak Pools met mij. Ik
voelde dat ze zich voor mij had omgekleed, en genoot daarvan; ze kon iets wat
gewichtige psychologen uit mijn land alleen vaagjes en in hun verbeelding
beheersten. Oma noemde het liefde. Bij haar was ik Dzenusia, ze omhelsde me van
boven tot onder en zei ‘ljubow nie kartoschka’, in het
Oostpools-Russisch, ‘de liefde is geen patat’. Dan omhelsde ze me nogmaals,
alsof ik een patat was, en zei in het Duits: ‘uit pure liefde’, dat heb ik haar
geleerd, we hielden van deze ‘pure liefde’, ‘zal ik je nog een keer tot muis
knijpen’, waarbij ze wist dat het ‘moes’ was en niet ‘muis’, en ze zei ‘Janka,
myszka
, muisje’ en alles was goed.

Lilly (*1896)

Een kleine GI, rood haar, droedelmannetje met
bril, had me opgehaald uit de toren van de kazerne. In een lange gang werd me
gemaand om op een bank plaats te nemen, waarop al twee vrouwen van mijn
leeftijd zaten te wachten. Voordat men mij binnenriep, verscheen er nog een
jongere.

Het was een sollicitatiegesprek, ik werd
ondervraagd. Majoor Finchley: personalia, levensloop. Toen ik nadrukkelijk zei Elisabeth
te heten, Engels, en die taal te begrijpen, verraste ik mezelf door mijn moed.
De tolk werd weggestuurd, de majoor praatte onophoudelijk door. Men was
verbaasd over de politiekisten die ik gepakt had. Uitgevouwen had ik de inhoud
drie keer zo groot gekregen als in containers. In het raam achter Finchley lag de
hemel. Alleen de hemel, geen enkel huis. De stad was doorzichtig geworden,
vlak, stoffig, verbrand.

In Breslau, hoorden we, zag het er nog erger
uit.

“Yes really”, zei ik, dat kan ik feilloos.

De Amerikanen wensten dat men lof van hen
sprak, als het ging om precisie en punctualiteit. Dan was men goed Duits. De
mensen uit het zuiden, daarentegen, bij wie wij woonden, waren zwijgzaam. Ze
kwamen bij elkaar op bezoek in de tuin, gingen zitten en spraken een katholiek
zinnetje uit als ‘je hebt iets van mij tegoed’. Aldus had ik de zaak met
Pankraz Moser geregeld. Zoals veel van zijn collega’s was hij gecontroleerd en
daarna in dienst gegaan; dan vormde het Amerikaanse leger een eigen
politiegroep, die opdrachten overnam. Mosers wachtbeurt werd afgelost, ik
beschuldigde hem van iets en bood aan te helpen met het inpakken. Een paar
documenten verbrandden we in de tuin, het officiële restant (postzakken,
enveloppen en handboeien met adelaars, telefoonboeken, verbandkisten met hakenkruizen,
puntenslijpers, vulpennen, stempels, zegels, inktvoorraden) stapelde ik in
Amerikaanse kisten.

Lieutenant Finchley keek me aan. Ik zei dat ik
aan het eind van de oorlog aan een verpleegstersopleiding begonnen was. In het
menselijk lichaam zit alles, in het bijzonder het leven, ruimtebesparend en
toch praktisch verpakt. De rechte en stijve botten, de slingerende darm, de
gevoelige zenuwen en het hart alleen.

Ik wandelde de vier kilometer terug naar het
station. Elke inwoner van de stad leek onderweg. Mijn maag knorde. De
schrielste lichamen stortten zich op sigarettenpeuken. Alleen de kinderen waren
eerder bij de grond. Een halve banaan had in Finchleys papiermand gelegen, ik
had me beheerst.

Het had me moeite gekost.

Het was vernederend het te willen pakken. En
even vernederend om het niet te kunnen pakken.

Gevoelens van onmacht dwarrelden als puinstof
om ons heen. “Larf en vluchteling zijn de ongediertebestrijding van Beieren.”
We waren kevers, parasieten. Mensen als onwaardig leven, dat kenden we voldoende.
Ons uit het Oosten had het eind van de oorlog bijzonder rauw getroffen, dus kon
het niet anders dan dat we hadden gezondigd. Ook de pastoors vonden het
rechtvaardig dat we boetten: de vernietiging van mensen, moord op joden,
allemaal door ons. Larf, larf, kruip daarheen. We begrepen, zwegen. Het was
voor de anderen gemakkelijk om ons als zondebokken te gebruiken, en het was
voor ons gemakkelijk gemakkelijk voor hen te zijn. Dit betaalde zich
onmiddellijk uit in voedsel. 

Esther (*1996)

Ik deed onderzoek.

In de Bondsrepubliek
had een wet uit mei 1953 alle rechtstreekse nakomelingen van de oorspronkelijke
verdrevenen evengoed tot verdreven verklaard. Twaalf tot veertien miljoen
Duitsers waren verdreven, 2,1 miljoen ‘sneuvelden op de vlucht’, beide getallen
schattingen, 240.000 stierven als gevolg van verkrachting. De belangen van degenen
die het Westen wisten te bereiken, die bijna een vierde van de bevolking
uitmaakten, werden vanaf 1950 behartigd door de Bond van Verdrevenen. In de DDR
waren er slechts resettlers
en nieuwe burgers. Als Stachs dochter, was mijn moeder een verdrevene uit
Silezië die in Beieren geboren was. Of de wet nog van kracht was, wist ik niet
te achterhalen.

Pavani kreunde. Zulke
aangekoppelde treinstellen maakten ons project niet eenvoudiger. Toen we ermee
begonnen waren, leek het een eitje: ‘Reizen en Ontkennen’.

Of: ‘Reizen en
Vergeten’.

Reeds bij de vraag wat
movement mocht heten, moest je op je tellen passen. Daar dreef iemand
duizend kilometer van A naar B: een reis? Helemaal. Misschien totale onzin. De
nabootsing van een reis. Een weddenschap. Een ziekte. Nieuwsgierigheid. Verveling.

Helaas bleef mijn
familiegeschiedenis opvallend onspectaculair in vergelijking met Pawanis migration
record
. Al haar grootouders waren afkomstig uit Pakistan. Hun noodlot ontmoette
de hardste criteria voor verdrijving: gevaarlijke, onweegbare vlucht,
onteigening en de onmogelijkheid om ooit terug te keren. Pawanis ouders leerden
elkaar in Londen kennen, en hadden gewoond in Duitsland, Frankrijk, Nederland
en de Verenigde Staten. Ze spraken Engels met een Indisch accent, alleen Pawani
en haar broers beheersten het Duits.

Moeder kwam, dat was
duidelijk, voor onze blog nooit als ontkenner in zicht. Ze ontkende niet, ze
sprak de waarheid als ze beweerde geen verdrevene te zijn, ook als dat
officieel een leugen was.

“Wat vind je van brand in een
woning?”, vroeg mijn beste vriendin wier vinger- en teennagels paars gelakt
waren.

Was brand verdrijving? Of de
onteigening wegens de bouw van een snelweg: je moest gaan, kon niet terugkeren,
verloor wat je bezat.

Er ontbrak een theatraal vluchtmoment.

“Waarom?” wilde Pawani weten.
“Denk aan de mensen die weglopen voor een tsunami.”

Daarbij kon je meestal wel
terug. Op voorwaarden dat je had overleefd. Daar gingen we sowieso van uit.

“Klopt”, zei ze. “We
wensen de geschiedenissen van overlevenden. Gelukkige geschiedenissen!”

Haar ogen glansden. Ik
zweeg. Ik dacht aan opa en zijn unieke bekentenis. Pawani had ik daar niets van
verteld. Ze hielp me er niet aan te denken.

Opa had overleefd.

Bij gelukkige
geschiedenissen had ik toch een ander beeld.

Ulrike Draesner (1962) is van oorsprong
literatuurwetenschapster en woont in Berlijn. Ze schrijft romans, gedichten,
essays en hoorspelen. Ze maakte ook naam met eigenzinnige tekstbewerkingen in
het Duits van Shakespeare, Gertrude Stein, H.D. en Louise
Glück. Aan haar oeuvre
wijdde het tijdschrift
Text
+ Kritik
dit jaar een aflevering.

Draesners roman Sieben Sprünge vom Rand der Welt verscheen
in 2014 bij Luchterhand Literatuurverlag in München, en werd onlangs genomineerd voor de Deutscher
Buchpreis
.

Vertaling door Marc Kregting. Meer gegevens
over de roman, met optie tot interactiviteit,
vind je hier.

Copyright © 2014 Ulrike Draesner




dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!