De coöperatie in beweging

De coöperatie in beweging

Publiek Geheim is een boekenserie waarin Frisse Wind, een club van Nederlandse profs in communicatie en design, ‘verborgen verhalen’ ontsluit voor een breed publiek. Daartoe wordt ook de merkwaardige ondernemingsvorm gerekend die coöperatie heet. Is dat een nieuw fenomeen? Zeker niet, beweren Menno Bosma en Else de Jonge, samenstellers van dit boek. Wel dat het om een revival gaat ‘van stoffig relikwie tot postmoderne netwerkorganisatie’.

dinsdag 12 augustus 2014 15:29

DeWereldMorgen.be

Het
idee om dat verhaal te vertellen ontstond in 2012, niet toevallig in
het internationale jaar van de coöperatie. Ook in België
verschijnen er met de regelmaat van een klok publicaties over deze
oude vorm van ondernemen. Daarvan hadden sommige op het einde van vorige eeuw
hun idealistische pluimen verloren door de aantrekkingskracht
van het casinokapitalisme. Nu zijn ze, onder invloed van de crisis,
aan een nieuw leven begonnen.

Wereldwijd
hebben de verschillende soorten coöperaties ruim één miljard leden
die goed zijn voor meer dan honderd miljoen banen. Nederland telt op
dit ogenblik 7500 coöperaties – België telt er ongeveer 26.000 – met
een groei van 430 procent de laatste jaren. Alleen al in 2012 kwamen
er een kleine duizend bij. In de Nederlandse land- en tuinbouw zijn
de veertig grootste coöperaties goed voor een omzet van 37 miljard
euro. Er werken 166.000 mensen bij coöperaties in Nederland.

Zakelijke
solidariteit

De
samenstellers van De coöperatie in beweging belichten het
coöperatieve verhaal in Nederland zowel vanuit de praktijk als
vanuit de theorie. Er werden veertien essayistische bijdragen
opgenomen waarin allerlei facetten van coöperatief werken belicht
worden. In een zeer heldere bijdrage schetst Gert van Dijk de
‘tussenpositie’ die coöperaties innemen. Hij noemt de coöperatie
een verbinder van markt en staat. Volgens deze hoogleraar wordt de
coöperatie gekenmerkt door een cultuur van zakelijke solidariteit.

Zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar de Engelse Rochdale-pioniers
merkt hij op dat in Noordwest Europa de coöperatieve beweging
ontstaan is vanuit een bijna liberale overtuiging: als niemand voor
je zorgt, dan moet je het zelf doen. Dat is de self help-idee. En als je dat alleen niet kunt, doe je het samen. Waar door het
socialisme geïnspireerde coöperanten graag kozen voor namen als
‘eendracht maakt macht’, kozen terughoudende boeren voor het
nuchterder ‘Samen sta je sterker’. De eerste agrarische
coöperatie heette heel symbolisch ‘Welbegrepen eigenbelang.’ (p.
94)

Dat
is ook de teneur van Self-help by the people. The history of the
Rochdale Pioneers
van de Engelse journalist Georg Jacob Holyoake
dat in de negentiende eeuw verscheen. De twee belangrijkste
principes waarop de statuten van de Rochdale-pioniers gebaseerd zijn,
zijn self help en het elkaar onderling helpen. ‘Welbegrepen
eigenbelang aan de ene kant en ‘Samen sta je sterker’ aan de andere
kant. Kunnen die twee benaderingen wel door één deur?

Zakelijke solidariteit

Het
fenomeen ‘coöperatie’ is wegens zijn hybride karakter
ideologisch altijd een glibberig terrein geweest: te
‘socialistisch’ voor de ene, te ‘liberaal’ voor de andere.
Breng die twee bij elkaar en je krijgt wat Van Dijk ‘zakelijke
solidariteit’ noemt. De kassa moet rinkelen, inderdaad, maar niet
alleen dat: er zijn andere waarden in het leven dan winst
maken. Dat lijkt mij enerzijds de grote kracht, maar anderzijds het struikelblok bij coöperatief ondernemen. Bij coöperatief
ondernemen gaat het voortdurend om het balanceren in het
spanningsveld tussen no-nonsense en bezieling.

Dat
blijkt ook uit een aantal van de 38 cases die in het boek worden
voorgesteld via interviewtjes met betrokkenen, aangevuld met een
veelheid aan sfeer scheppende foto’s. Zo komen de auteurs terecht
bij bloemenkwekers, prostituees, binnenschippers, ICT’ers,
technische groothandelaars, windmolenaars, supermarktketens,
erfgoedinstellingen, kaasmakers, dorpscafé-uitbaters, marktkramers,
bakkers, bankiers, huisartsen, koolzaadtelers, broodfondsgroepen
(ondersteuning van zelfstandige ondernemers) en ga zo maar door. Het
is opvallend dat er in de zorgsector vaak gebruikgemaakt wordt van
deze ondernemingsvorm. Zorg-zzp’ers (zelfstandigen zonder
personeel) zoals ‘Thuiszorg Dichtbij’ organiseren zich
coöperatief. Op die manier besparen ze vooral op overheadkosten.

Coöperaties
komen niet alleen ‘van onderuit’, maar kunnen ook tot stand komen
door samenwerkingsverbanden aan te gaan tussen gemeentelijke
overheden. Zo is Wigo4it een overheidscoöperatie waarbinnen de
ICT-afdelingen van de sociale diensten van Amsterdam, Rotterdam, Den
Haag en Utrecht samenwerken. Bij mijn weten bestaat deze formule in
België niet – Dirk Barrez pleit in zijn recent boek over coöperaties
wel voor ‘gemengde coöperaties’ waarin overheid (heden) en
burgers samen het bad in duiken. Oaar ook in Nederland zijn
overheidscoöperaties een uitzondering.

De
liberaal-democratische traditie

Coöperatieve
verhalen die bij de overheid beginnen, zijn intussen
voorbijgestreefd. De
Canadese auteur George Melnyk onderscheidt in zijn uitstekend boek
uit 1985 The
Search for Community. From Utopia to Co-operative Society
vier
grote tradities van coöperatief ondernemen: een
liberaal-democratische, een socialistische, een communistische en een
communalistische traditie. Wat hij het liberaal-democratische model
noemt, is gebaseerd op de erfenis van de Rochdale-pioniers en
situeert zich in de context van een gemengde markteconomie, waarbij
het private eigendomsrecht gerespecteerd wordt.

Het is dat model dat
vanaf de twintigste eeuw dominant is geworden en zich via de ICA
(International
Co-operative Alliance)

over
Europa, Noord-Amerika en de rest van de wereld is beginnen
verspreiden. In wat Melnyk de communistische traditie noemt, speelt
de vrije markt een ondergeschikte rol. Het is de staat die de
productiemiddelen en de distributie domineert.

Deze traditie omvat
coöperatieve en collectieve ondernemingsvormen die ontwikkeld werden
in marxistisch-leninistische regimes.
De
kolchozen in de voormalige Sovjet-Unie en de volkscommunes in China
zijn voorbeelden van dit type. De twee andere tradities zijn ook zeer
interessant, maar in de geschiedenis van het coöperatieve ondernemen
zijn ze zeker nooit dominant aanwezig geweest, eerder als contrapunt.

‘Welbegrepen
eigenbelang’

In
mijn eigen bijdrage ‘Van kasmoni tot NewB’ aan dit boek kijk ik vooral
naar kleine en grote bewegingen van onderuit, vaak coöperatief
georganiseerd, die uitmonden in een breder en sterker wordend
maatschappelijk middenveld. Het is die maatschappelijke dynamiek die
Menno Bosma en Else de Jonge aantreffen bij coöperatieve
burgerinitiatieven rond duurzame energie.

Die trend is ook goed
merkbaar in België. Op het vlak van hernieuwbare energievoorziening,
coöperatief georganiseerd, is Ecopower met ongeveer 45.000
aandeelhouders, een lichtend voorbeeld. Toch zijn in België
coöperaties van het type Ecopower eerder uitzondering dan regel. Van
de iets meer dan 26.000 coöperaties zijn er hooguit 500
erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC). Hoe
komt dat? België heeft een zeer liberale wetgeving op de coöperaties
die nog stamt uit het einde van de negentiende eeuw en velen vinden die ondernemingsvorm een interessant vehikel om
het ‘welbegrepen eigenbelang’ te versterken.

Tussen
de lijnen door kun je lezen dat dit fenomeen zich ook voordoet in
Nederland. Zo heeft het advocaten- en notariskantoor Van
Doorne uit Amsterdam zich omgevormd van een nv tot een coöperatie, primair omdat zoiets fiscale voordelen had. Samensteller Menno Bosma
vermeldt in zijn inleiding dat buitenlandse bedrijven van die
ondernemingsvorm gebruik maken om er financieel beter van te worden.
De Amerikaanse supermarktketen Wal-Mart en PepsiCo, een multinational
op het gebied van voedingsmiddelen en dranken, hebben om die reden
coöperaties opgericht in Nederland.

Meer
problematiseren

De
coöperatie in beweging
wil nadrukkelijk aandacht vragen voor het
coöperatieve verhaal en doet dat op een enthousiaste manier. Dat is
goed. In hun enthousiasme om de positieve kanten van dat verhaal te
brengen hebben de samenstellers naar mijn smaak echter te weinig
kritische geluiden laten doorklinken. Ook in de essayistische
bijdragen blijft het – met uitzondering van die van Louise
Fresco, maar ook die van Gunter Pauli en Murat Kotan die beiden op de
zwakkere kanten van de Baskische Mondragón-coöperaties wijzen – vooral een hoera-verhaal. De mislukking van Fagor, de groter wordende
loonspanning, het gevaar voor bureaucratisering, zeker in grote
coöperaties, zijn maar enkele van de pijnpunten waarover grondig
moet worden nagedacht.

Coöperaties oprichten en in de markt houden
is geen gemakkelijke onderneming. Daarvoor bestaan geen
tovermiddelen. Alleen met enthousiasme red je het niet. Dat is wel
duidelijk. De knel- en pijnpunten, de randvoorwaarden worden amper of
niet geduid in dit boek, waardoor de harde werkelijkheid niet in
beeld gebracht wordt. Ook iets moois mag en moet geproblematiseerd
worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel in Coopy
Paste
,
bouwstenen
voor coöperatief ondernemen in Vlaanderen

van Wim Van Opstal, Astrid Coates en Imran Uddin.

Ondanks
deze bezwaren blijf ik De coöperatie in beweging een goed boek
vinden. Misschien is er nu een vervolg nodig, waarin meer het
procesmatige verhaal van vallen en opstaan geschetst word. Anders gezegd: die
moeilijke zoektocht naar een balans tussen no-nonsense en bezieling.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!