De Joodse westelijke klaagmuur in Jeruzalem (foto Wikimedia Commons)

Wat is zionisme?

Wat is het ideologisch project dat de opeenvolgende regeringen van Israël drijft tot apartheid in Israël zelf en tot de bezetting en kolonisatie van Palestina? Wat is het zionisme? In zijn boek ‘De Israël Lobby’ wijdde Lucas Catherine er een volledig hoofdstuk aan, dat hier integraal wordt overgenomen.

donderdag 24 juli 2014 10:27

De stichting van de
staat Israël is niet het gevolg van de Holocaust, wel van ouderwetse 19de-eeuwse
kolonisatie. De eerste Joodse kolonie werd gesticht in 1878, Hitler werd pas
geboren in 1889. Toen de eerste zionisten in 1896 de grondslag legden voor het
latere Israël, moest hij zijn plechtige communie nog doen.           

DeWereldMorgen.be

In het tsaristische Rusland braken op het einde van de 19de
eeuw moorddadige pogroms uit. De antisemitische hetze breidde zich uit naar
onder meer Duitsland en Frankrijk. Als reactie hierop ontstond onder de Oost-Europese Joden
het zionisme. Aan de basis van het zionisme als beweging lag de Oostenrijkse
journalist Theodor Herzl (foto).

In zijn geschriften zocht Herzl naar een antwoord op
en een oplossing voor het Europese antisemitisme. Waar progressieve Joden als
Moses Mendelsohn of Karl Marx ter plekke wilden strijden tegen al wat
reactionair was en dus ook tegen het antisemitisme, opteerde Herzl voor de
vlucht naar voren.

Antisemitisme zou volgens Herzl altijd blijven bestaan, en
de enige oplossing is een eigen, zuiver Joodse staat. In een staat waarin geen
niet-Joden leven kan ook geen antisemitisme heersen, redeneerde hij. Zijn
bekendste boek, Der Judenstaat uit
1896, is nog steeds het basisdocument van het zionisme. 

Zionisten willen een Joodse staat stichten in Palestina
door het land te koloniseren met Joodse boeren en arbeiders.[i] Ze zien die staat als een Europese staat. ‘We zullen er
voor Europa een bruggenhoofd naar Azië vormen, een bolwerk van de Beschaving
tegen de Barbarij’, schrijft Herzl.[ii]

Hij bepaalt ook de grenzen van de nieuwe staat: ‘Het
land zal zich uitstrekken van de rivier in Egypte (de Nijl) tot de Eufraat.[iii] En verder: ‘Men moet de plaatselijke bevolking geen werk
geven[iv] tenzij ‘het droogleggen van moerassen en het uitroeien
van slangen’.[v] Daarna moet men ze ‘ongemerkt over de grens zetten’.[vi] 

Bovenstaande uitingen van racisme en expansionisme, twee
kenmerken van het zionisme, zijn erg scherp verwoord. Herzl kon zich dat
permitteren, want begrippen als racisme, kolonialisme en expansionisme waren
toen nog niet politiek incorrect. De hele Europese burgerij dacht zo, en ze kon
de dingen rustig bij hun naam noemen.  

De zionistische plannen om van Palestina een zuiver
Joodse staat met een sterke band met het Westen te maken, kregen vaste vorm op
het zesde zionistencongres in 1903. Franz Oppenheimer verwoordde het als volgt:
‘We zullen een net van kolonies over het land spannen: eerst de haken en de
sterke draden aan de randen, dan er sterke nerven door weven en ten slotte het
geheel ragfijn opvullen.’  Deze
strategie van de spin zou woordelijk gevolgd worden (ook vandaag nog, in de
bezette gebieden).  

Hoe begon de zionistische kolonisatie? 

‘Wat doen onze Joodse broeders in Palestina? In de
diaspora waren zij zelf slaven, in Palestina voelen zij zich vrij. Dat nieuwe
gevoel roept een verlangen op naar despotisme.’ (de Joodse filosoof Ahad Ha’am in
1891)

De zionistische immigratie kwam op gang vanaf 1882.
Vooral in de vruchtbare kustvlakte kochten de kolonisten grond op, meestal van
grootgrondbezitters die buiten Palestina verbleven. De immigranten gedroegen
zich als volwaardige colons.

De Joodse filosoof Ahad Ha’am schreef al in 1891: ‘Wat
doen onze Joodse broeders in Palestina? In de diaspora waren zij zelf slaven,
in Palestina voelen zij zich vrij. Dat nieuwe gevoel roept een verlangen op
naar despotisme. Ze behandelen de Arabieren wreed en vijandig, ontnemen hun
alle rechten, kwetsen hen zonder reden en gaan bovendien nog prat op hun
handelwijze.’  

Toen de Sursuk-familie haar landerijen in Marj ibn Amr
aan zionisten verkocht, beslisten de nieuwe eigenaars om de 1.746 pachtgezinnen
die daar woonden slechts een half pond schadevergoeding uit te betalen. De
landarbeiders kregen niets. Voor de Palestijnen werd de aard van het zionisme
dus al snel erg duidelijk. Steeds meer kwam er dan ook verzet tegen deze
landaankopen.

In een protesttelegram van 24 juni 1891 vroeg een groep notabelen
uit Jeruzalem aan de regering in Istanbul dat ‘er een eind wordt gemaakt aan
het opkopen van grond door Russische Joden en dat men de immigratie van deze
groep verbiedt’.[vii] De kolonisten grepen op dit verzet in met geweld. Al in
1907 richtten zij hun eerste militie op, Bar Giora, die in 1909 haar naam veranderde
in Hashomer.

Dit antisemitisme was niets nieuws, het was een ‘traditie’ in het christelijke Europa. Zo werden bij het begin van de Kruistochten de Joden in het Rijnland uitgemoord, en ook daarna beleefde Europa nog geregeld gewelddadige Jodenvervolgingen.

De zionisten kochten niet alleen grond op, ze begonnen
ook aan de uitbouw van een eigen staatsstructuur. De Zionistische
Wereldorganisatie werd in 1897 door Herzl gesticht en collecteert overal ter wereld, ook nu nog, fondsen voor de staatsopbouw van Israël.  Deze organisatie richtte drie organen op
om de staatsopbouw ter harte te nemen: de Jüdische Colonial Bank, het Joods
Nationaal Fonds en het Opbouwfonds.[viii]De Jüdische
Colonial Bank werd in 1899 in Londen opgericht, haar naam veranderde later in
Jewish Colonial Trust.

De instelling fungeerde als ‘nationale bank’ voor de
zionistische beweging. (Na het ontstaan van de staat Israël zal ze trouwens effectief de nationale bank worden onder de nieuwe, Hebreeuwse naam Bank Leumi Le-Israël). Ze
verwierf de controle over de Palestine Potash Company, die de mineralen uit de
Dode Zee exploiteerde, en over de Palestine Electric Company. Daardoor kregen
de zionisten de grondstoffen en de energiebronnen van Palestina in handen.

Het
Joods Nationaal Fonds (Keren Keyameth Le-Israël in het Hebreeuws) werd in 1901
op het Vijfde Zionistencongres gesticht met als opdracht land in Palestina te
verwerven en het tot ‘voor eeuwig onvervreemdbaar eigendom van heel het Joodse
volk te maken’. De verwerving van ander onroerend goed dan landbouwgrond werd
de voornaamste taak van het in 1921 opgerichte Opbouwfonds (Keren Hayesod). 

Welke rol speelden de Britten? 

‘Lord Balfour is een openlijke antisemiet en een vijand
van heel het Joodse volk.’ ­ (uit het protokol van het Zevende Zionistencongres
(1905)

‘De regering van Hare Majesteit staat welwillend
tegenover de oprichting van een Joods nationaal tehuis in Palestina, en zal
haar uiterste best doen om dit doel te verwezenlijken…’ (Lord Balfour aan
Lord Rotschild op 2 november 1917 in de zogeheten Balfour Declaration) 

Om hun doelstellingen te bereiken zochten de zionisten
steun bij de grote mogendheden die het Midden-Oosten beheersten of die het wilden
koloniseren: eerst het Ottomaanse Rijk, later Duitsland, Frankrijk en
Groot-Brittannië. Van de Ottomanen kregen ze nooit veel hulp. In 1910 had de kaymakam
(gouverneur) van Nazareth al geschreven: ‘De Joden houden zich apart, ze hebben
hun eigen bank. In elk dorp hebben zij hun eigen bestuur en een eigen school.
Ze hebben een eigen vlag en bedotten het Turkse bestuur in verband met hun ware
bedoelingen.’

DeWereldMorgen.be

Van Groot-Brittannië konden de zionisten meer hulp verwachten.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wilden de Britten zelf maar al te
graag het strategisch belangrijke Palestina van de Turken overnemen. Het
Ottomaanse Rijk was in verval en de koloniale grootmachten stonden te popelen
om het onder elkaar te verdelen. Ook de meeste Arabieren wilden af van
Istanbul.

In 1915 beloofden de Britten aan de leiders van de Arabische
nationalistische beweging een grote onafhankelijke Arabische staat. Het zou
echter helemaal anders uitdraaien. In 1916 sloten Groot-Brittannië en Frankrijk
het Sykes-Picot-akkoord, dat het Midden-Oosten onder hen beide verdeelde. Frankrijk
kreeg Syrië en Libanon, Groot-Brittannië kreeg Egypte, Jordanië, Irak, het
Arabische schiereiland en Palestina. Het gebied rond Jeruzalem zou een internationale
zone worden. Nog een jaar later, in 1917, beloofde de Britse minister Lord
Balfour in een naar hem genoemde verklaring, de Balfour Declaration, dat
Groot-Brittannië de zionisten zou helpen bij de stichting van een ‘Joods
nationaal tehuis in Palestina’.  

Vanaf 1920 namen de Britten de facto het bestuur van
Palestina over van de Ottomanen. In 1922 kregen ze ook een officieel mandaat
van de Volkenbond ‘om de lokale bevolking langzaam voor te bereiden op de
onafhankelijkheid’. Daar zou niets van terechtkomen. De Britten steunden
massaal de zionistische immigratie. In de twintig jaar tussen 1920 en 1939 zouden
de zionisten meer land verwerven dan in de veertig jaar voor de Eerste
Wereldoorlog. 

Waarom was Palestina zo belangrijk voor de Britten? Het
land vormt een draaischijf tussen drie continenten (Europa, Azië en Afrika) en
het ligt dicht bij het Suez-kanaal (de kortste en meest strategische weg naar
Brits-Indië). Maar vooral: Palestina beheerste via de pijpleiding die in Haifa
uitmondde de olietoevoer vanuit Irak. De Iraakse oliereserves waren immers al in
1900 bekend.

In 1912 werd de Turkish Petroleum Company opgericht. Die naam is
misleidend: 25% van het kapitaal was van Deutsche Bank, 22,5% was van Royal
Shell en 47,5% van de National Bank of Turkey die eigenlijk een Britse bank
was. Eveneens vanwege de olie hadden de Britten in 1913 al Koeweit als
onafhankelijke entiteit gecreëerd. Voordien was dat een emiraat onder
Ottomaanse soevereiniteit geweest.  

De Palestijnen verzetten zich zowel tegen het Britse
Mandaat als tegen de zionistische kolonisatie. In 1918 richtten ze in Jeruzalem
de Unie van Islamitisch-Christelijke Verenigingen op. Aan de vredesconferentie
in Parijs (die de wereld herverdeelde na de Eerste Wereldoorlog) sturen ze de
volgende boodschap:

‘Alle inwoners van Palestina, te weten van de provincies
Jeruzalem, Nabloes en Akka, moslims en christenen, hebben zich gegroepeerd in
een vereniging en hebben ook hun vertegenwoordigers gekozen. Die zijn in
Jeruzalem bijeengekomen om te overleggen wat de beste bestuursvorm voor Palestina
is. Zij beslisten om aan U, Vredesconferentie, een dringend protest te richten
tegen het project om ons vaderland als een nationaal tehuis aan de zionisten te
schenken en het door hen te laten koloniseren. Wij verzetten ons krachtdadig
tegen deze beslissing, die zonder ons medeweten en zonder onze toestemming is
getroffen.’[ix] 

In 1925 werd in Nabloes de Palestijnse Volkspartij (Hizb
al Ahali) gesticht. De Palestijnen richtten ook een eigen nationale
vertegenwoordiging op, het Palestijnse Nationaal Congres (PNC), dat in radicale
bewoordingen het mandaat en de zionistische kolonisatie verwierp en de Arabische
natie opriep om Palestina Arabisch te houden. 

Het mocht niet baten. Al in 1920 erkenden de Britten de
facto een Joodse regering, het Joods Agentschap, en vaardigden ze wetten uit
die de verwerving van land door de zionisten moest vergemakkelijken. Zo
bepaalde de Mawat Land Ordinance (1920) bijvoorbeeld dat al wie zijn grond drie
jaar na elkaar niet bewerkt had, er elk eigendomsrecht op verloor.

Voor nogal
wat Palestijnen was dit het geval omdat zij door de oorlogsomstandigheden niet
ter plekke waren of niet in staat waren geweest al hun grond te bewerken. Het
Joods Nationaal Fonds profiteerde van de nieuwe wetten om systematisch gronden
op te kopen. Tegen 1929 was al 1000 vierkante kilometer in handen van de
zionisten, op een totaal van 27.000 vierkante kilometer. 

Lucas Catherine

© 2011 Lucas Catherine en uitgeverij EPO. Overname enkel met toestemming van de uitgever.

  • [i] Programma van het Eerste Zionistencongres in Bazel, 1897, in: I. Cohen, Le Mouvement Sioniste, Parijs, 1946, p.70-71.
  • [ii] T. Herzl, Complete Diaries (ed. R. Patai), New York, 1960, p.45
  • [iii] T. Herzl, Gesammelte Zionistische Werke, Tel Aviv, 1934.
  • [iv] T. Herzl, idem, T II, p.98.
  • [v] Idem, p.108-109.
  • [vi] Idem, p.98.
  • [vii] O. Carré, Le Mouvement National Palestinien, Parijs, 1977, p.18.
  • [viii] W. Lehn, Uri Davis, The Jewish National Fund, Londen, 1988, p.20. Dit boek is het standaardwerk over de geschiedenis van de Jüdische Colonial Bank, het Joods Nationaal Fonds en het Opbouwfonds.
  • [ix] Watha’iq al Muqawamah al Filistiniya al Arabiya, Beiroet, 1968, p.3.

take down
the paywall
steun ons nu!