Sektarisch geweld Syrië/Irak bedreigt ook Turkije

Recente brandstichtingen in sjiitische moskeeën worden door waarnemers als een signaal beschouwd dat sektarische tegenstellingen in de nabije toekomst tot meer geweld kunnen leiden in Turkije. Peter Edel bericht over de politieke evolutie in Turkije.

woensdag 23 juli 2014 14:32

In mijn vorige artikel besprak ik de progressieve alevitische
minderheid in Turkije en beschreef zijn oorsprong in de sjiïetische islam.
Turkije kent echter ook andere, ‘echte’ sjiieten. Zij noemen zich jaafari, wat
verwijst naar de naam van de voor hen belangrijke  ‘zesde imam’ Jafaar-i Sadek.  

In het artikel Huilen om Hoessein in Istanbul bracht ik deze jafaari al eens onder de aandacht. Daar
beschreef ik in het kort het verschil tussen het sjiisme en het soennisme,
alsmede de tot in het heden voortdurende controverse tussen beide islamitische
stromingen.  

Iran

De jaafari zijn een kleinere minderheid in Turkije dan de
alevieten. Omdat ze vaak met alevieten op een hoop worden gegooid is hun exacte
aantal onduidelijk. Er zijn 300 sjiitische moskeeën en mesjids (kleinere
gebedsruimten) in Turkije, waarvan 70 in Istanbul. Dat lijkt veel, maar wie
weet dat er 85.000 soennitische moskeeën zijn begrijpt de verhouding.  

In Turkije kunnen de jafaari zich evenmin als de alevieten op
een grote populariteit verheugen onder de soennitische meerderheid. Hun geloof wordt
daar vaak als een afwijking van de ‘pure islam’ beschouwd. De revolutie in het
sjiitische Iran/Perzië in 1979 maakte het er niet beter op. De jafaari werden sterk
met het land van de ayatollahs geassocieerd. Dat was een vervelende associatie, wegens de oorlogen tussen het Ottomaanse en het Perzische Rijk die deel uitmaken van het collectieve geheugen van de soennitische Turken.  

De jafaari worden onterecht met Iran in verband gebracht,
want hun etnische achtergrond ligt in Azerbeidzjan. Bovendien hebben ze in
religieuze zin eerder affiniteit met de stad Najaf in Irak in plaats van met de voor de Iraanse
sjiieten belangrijke stad Qom.  

Dit wil niet zeggen dat de revolutie in Iran onopgemerkt aan
de jafaari voorbijging. Aan de Turkse soennieten ging die echter evenmin voorbij. Die
gebeurtenis was voor de gehele islam een historsiche mijlpaal, niet in de
laatste plaats omdat de islam sindsdien een meer politiek profiel ontwikkelde.   

AKP

Toen de Partij voor gerechtigheid en ontwikkeling (AKP) van huidig eerste minister Erdogan in
2002 aan de macht kwam, hoopten de
jaafari op verbetering van hun reputatie in Turkije. Die hoop bleef onvervuld.
De AKP weigerde hen te erkennen als afzonderlijke islamitische stroming. Voor
Erdogan is er maar een islam en dat is de hanefi-traditie, een strekking binnen het soennisme.  

Zelfs soennieten die niet tot de hanefi-traditie behoren, worden door de AKP niet voor vol aanzien, sjiieten kunnen dat dus helemaal vergeten.
Zij krijgen enkel de keuze zich tot het hanefi-soennisme te bekeren of toe te geven dat zij tot
een religie behoren die niets met de islam te maken heeft. Daar komt het
voor de AKP op neer. 

Spionnen

Nadat de AKP een samenwerking aanging met de beweging van imam Fethullah Gülen, werd hun gezamenlijke afkeer van sjiisme en Iran een van de
raakvlakken binnen de nieuwe alliantie. Indrukken, dat de jaafari in feite een vijfde
colonne van Iran binnen Turkije waren, werden zo bevestigd. 

In 2012 werden in Turkije twaalf Iraanse spionnen gearresteerd. Voor Sinan Kilic van de jaafari-organisatie Caferi-Der volgden deze arrestaties na infiltratie van volgelingen van Gülen in de politie. De jafaari-gemeenschap reageerde geschokt en ontkende elke betrokkenheid, maar kwam eens te
meer in een kwaad daglicht te staan. Iedere jafaari kreeg vanaf dan het stigma van
spionage voor Iran. 

Toen de samenwerking tussen de AKP en de Gülenbeweging in 2013 op de klippen liep, liet premier Erdogan geen gelegenheid
voorbijgaan om Gülens volgelingen verbaal aan te vallen. De jafaari kregen en
passant een veeg uit de pan. Tijdens een toespraak zei Erdogan dat Gülens
volgelingen ‘nog erger’ zijn dan sjiieten. 
 

Caferi-Der en de sjiitische Unie van wijze mannen reageerden
verontwaardigd en herinnerden Erdogan eraan dat een Turkse premier onpartijdig
 dient te staan tegenover de religies in het land. Zij vonden het
crimineel dat een premier een specifieke religie beledigde. Ali Ozunduz,
parlementslid van de oppositievoerende Republikeinse volkspartij (CHP), die
de jafaari vertegenwoordigt, zei daarover: “Erdogans ongecontroleerde discriminerende,
racistische en sektarische benadering bedreigt onze sociale vrede.”  

De verdachtmaking van de jafaari ging echter door. Kort geleden nog
zond een mufti in de oostelijke provincie Igdir, waar veel jafaari wonen, een
advies over sjiitische imams aan de Turkse overheidsdienst voor religie Diyanet.
Volgens deze mufti dienen zij door de regering ‘onderwezen’ te worden, omdat
ze anders ‘een bedreiging van de nationale eenheid kunnen vormen.’ 

Brandstichting

Op 13 juni 2014 sloegen brandstichters toe in de sjiitische
moskee Allahu Akbar  in de wijk Esenyurt van Istanbul. In de nachtelijke uren drongen
onbekenden binnen en staken de bibliotheek van de moskee in brand. Drie weken
later was de in dezelfde wijk de eveneens sjiitische moskee Muhammediye doelwit
van brandstichting. Er vielen geen slachtoffers, maar de materiële schade
was aanzienlijk. Dat daarbij drie Korans werden vernietigd en een 300-delige
hadith-collectie, kwam hard aan. (Hadith zijn neergeschreven wijze uitspraken, daden en raadgevingen van de profeet, nvdr)

De imam van de moskee Muhammediye zei verdacht bezoek te
hebben ontvangen voor de brandstichting. Aanvankelijk stelden bezoekers vragen, maar geleidelijk werd het taalgebruik beledigend. “Je doet aan afgoderij. We zullen er voor zorgen dat je oproep tot het gebed niet meer te horen zal
zijn in dit land”, werd de imam te verstaan gegeven. “Jij bent een sjiiet, je
hebt geen recht op leven, we zullen je in brand steken”, kreeg hij verder te
horen. 

De brandstichtingen in deze sjiitische moskeeën werd door
waarnemers als een signaal beschouwd dat de jaafari bedreigd worden en dat sektarische tegenstellingen in de nabije toekomst tot meer geweld
kunnen leiden in Turkije. De imam van de moskee Muhammediye hield de moed erin
en sprak, wellicht tegen zijn eigen gevoelens in, tegen dat de incidenten het
gevolg waren van sektarische haat. Hij zei over de brand geïnformeerd te zijn
door een soennitische buurman, met wie hij een goede band heeft.  

Diyanet

Na de brandstichting ontving de moskee Muhammediye bezoek
van Mehmet Görmez, het hoofd van de eerder Turkse overheidsdienst voor
religie Diyanet (wiens gezag de op onafhankelijkheid gestelde jafaari overigens niet erkennen). Görmez toonde enig begrip: “We zullen de moskee samen
herstellen. We zullen samen de verbrande boeken op de best mogelijke manier
vervangen en dan samen bidden.”   

Görmez erkent de dreiging. Een paar dagen na het bezoek deed hij een oproep tot de
AKP-regering om zich buiten sektarische conflicten te houden en onpartijdig te
zijn ten aanzien van sjiitisch-soennitische tegenstellingen. Gezien de
laatdunkende uitspraken van Erdogan over niet-soennitische islamitische
stromingen (hij noemde een alevitisch gebedshuis een ‘gedrocht’) is het de
vraag of Görmez’ oproep veel zal opleveren. De regering heeft tot nu toe niets
ondernomen om Turkse sjiieten te beschermen. Erdogan nam niet eens de moeite om de
brandstichting te veroordelen.   

Islamitische staat

Voor de brandstichtingen in Istanbul werden geen verdachten
aangehouden en de politie lijkt weinig vaart te maken met zijn onderzoek.
Volgens de linkse krant Yurt moeten de verdachten gezocht worden bij de organisatie Islamitische Staat (IS), de jihadisten die in Irak en Syrië eerder al bekend stonden als ISIS en momenteel het personeel van het Turkse consulaat in de Iraakse stad Mosul gijzelen.  

De Turkse mensenrechtenorganisatie IHD denkt in dezelfde richting
als Yurt. Daar presenteerde men onlangs een rapport, waarin de verklaring van
een politiechef werd tegengesproken, die stelde dat de brand toevallig was
ontstaan nadat een drugsgebruiker een klok uit de moskee had gestolen.

Op basis
van getuigenverklaring kwam IHD tot de conclusie dat er wel degelijk een
vooropgezet plan aan de brand ten grondslag lag.   Volgens IHD is IS wel degelijk verantwoordelijk voor de brandstichting.
Abulbaki Boga, hoofd van IHD in Istanbul, meende dat aan deze aanslag op de
jafaari een ‘politieke boodschap’ is verbonden. 

IS-logo

Voor dat laatste valt veel te zeggen, gezien de aanwezigheid van winkels en
liefdadigheidsinstellingen in Istanbul, die IS als dekmantel gebruikt voor
het rekruteren van jongeren voor de strijd tegen sjiieten in Syrië en Irak. Erg
geheimzinnig wordt daar niet over gedaan.

Organisaties, die met IS sympathiseren, maken openlijk gebruik van het logo van die organisatie. Ouders verklaarden dat
hun kinderen zo als jihadisten in Syrië of Irak terechtkwamen. Het nieuwskanaal
Habertürk berichtte over een vrouw die stenen naar een met IS in verband
gebrachte winkel wierp, waarbij ze ‘geef mijn kind terug’ riep.  

Vorige maand begon openbaar aanklager Sadik Bayindir een
onderzoek naar de ontvoering van Turks consulaatpersoneel in Mosul en 32
vrachtwagenchauffeurs (die ondertussen zijn vrijgelaten) door ISIS-IS. Daaruit
bleek dat twee leiders van IS, die dienden in een opleidingskamp van deze
schimmige organisatie, de Turkse nationaliteit hebben. Dit is nog een reden om aan
te nemen dat IS een vaste achterban heeft in Turkije. 

Of de IS werkelijk verantwoordelijk is voor de
brandstichting in de sjiitische moskeeën in Istanbul moet nog bewezen worden.
Dat die branden een sektarische achtergrond hebben staat echter zo goed als
vast. Dit is een zorgwekkende ontwikkeling, die niet minder beangstigend wordt in
combinatie met een regering die vaak de ogen sluit voor misdaden van
soennitische extremisten. 

Volg Peter Edel op
Twitter 

Peter Edel is
schrijver van De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije
(2012, uitgeverij EPO, Antwerpen)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!