Gaza: het ‘normale’ leven onder permanente bezetting

Inge Neefs woonde in Gaza tijdens het vorige permanent door Israël geschonden bestand, afgesloten in november 2012. De inwoners van Gaza vertelden haar over het ‘normale’ leven onder de dreiging van een permanente bezetting. Dit is een uittreksel uit haar boek ‘Gaza op mijn hoofd’.

woensdag 23 juli 2014 11:21

‘Aadi’, helemaal normaal

 

Dus
zo ziet het helse gezoem (van de drones, nvdr) er uit. Dat geluid dat resoneert
zoals een zwerm van een triljoen bijen in de vlucht. Vandaar de Palestijnse
verwijzing naar ‘zanaana’, wat
letterlijk ‘gebrom’ betekent. Doorgaans zwelt het geluid eerst aan en neemt het
daarna weer af, maar zelfs als je het niet hoort of ziet, verstoort het toch de
satellietontvangst en worden mens en decor op tv met veel ruis uiteen getrokken
in kleurrijke strepen. 

Boven
ons hangt er nu zo’n gigantische stalen wesp: een drone, een onbemand vliegtuig
dat op afstand bestuurd wordt via een console, ergens in Tel Aviv
waarschijnlijk. Het is de eerste keer dat ik het zie, dat het zo onafwendbaar
werkelijk is. 

Tijdens
mijn eerste avonden in Gaza tuurde ik dikwijls urenlang vanop het balkon naar
de nachtelijke hemel om sterren van drones te onderscheiden, maar mijn
gebrekkige astronomische kennis bracht mijn telling steevast in de war. Soms is
het gezoem namelijk verlicht en goed zichtbaar, maar nog nooit was het groter
dan een lichtpuntje in een donker luchtruim. 

Hier
en nu, op dit kleurrijke zandwegeltje met muren vol graffiti in Arabische
kalligrafie, is het afgedaald uit het mysterie van het galactisch stelsel en is
het plots een indringende militaire bedreiging. Ik blijf met verstomming staren
naar dat grijze gevaarte: naar het smalle, korte lichaam met zijn lange, grijze
vleugels, dat spanning en onheil zaait en niet langer zoemt, maar luid gromt. 

‘Acht
meter lang en zestien meter breed’

Anaah,
de vertaalster, schuifelt in het zand en kauwt op haar nagels terwijl ze met
een kille blik naar boven staart. Ze is nerveus en hoest waarschijnlijk daarom
feitelijkheden op.  

Nu
geldt niet langer het akelige idee van een zanaana
die alles ziet en registreert. Drones observeren paramilitaire
trainingssites en overheidsgebouwen, maar ook moskeeën, scholen, auto’s, huizen
en iedere beweging, van iedereen, ook van jou. Het enige wat nu telt, is de
dodelijkheid, de onvoorspelbaarheid van dat massief tuig boven ons. Dat monster
wekt een oerangst op, een gevoel van absolute kwetsbaarheid.

Ik
weet dat ook Anaah tandenknarsend denkt: ‘De onbeschaamde arrogantie. Moet dat?
Kan dat? Nadat ze hier net vier mensen vermoord hebben?’

Merhaba, hallo.’ Een
frêle kinderstemmetje weerklinkt en ik kijk in de grote, uitnodigende bruine
ogen van een achtjarige jongen. ‘Ze hebben zanaana’s
die ons fotograferen, maar deze is zeker een bomvliegtuig. Zie je de munitie zitten?’ De
somberheid escaleert. De wetenschap dat deze kleine man, met zijn lief
stemmetje, opgroeit in een klimaat van bedreiging, bezorgt me kippenvel. Maar
het is normaal hier.  

‘Normaal’
is een woord dat alsmaar viezer smaakt sinds ik in Gaza ben. Hij wijst naar de
posters die overal op en rond het huis geplakt zijn: martelaarsprenten. Het is
Gaza’s behang: afbeeldingen van mannen die gestorven zijn voor Palestina, voor
de rechtvaardige strijd van het land. Palestijnen leerden het martelaarschap te
vieren. De dood voor vrijheid en vrijheid door dood: het martelaarschap als een
ultiem antwoord op de bezetting.  

Zij
die achterblijven, puren trots uit de status van de overledene als martelaar,
ook al rouwen hun harten. In de straten tonen de martelaarsposters eerder stoer
ogende mannen, gedrapeerd in hun partijkleur, soms met een wapen en liefst
gefotoshopt in een decor met de Gouden Rotskoepel van Jeruzalem. Binnenshuis
wordt het dan een opzichtig emotioneel tafereel waarbij duiven, bloemen,
olijfbomen en bloedende harten rond de martelaar en de Rotskoepel verschijnen. 

Ditmaal
is het een kind, een jonge kerel met een romige lach en een dromerige blik die
ons aanstaart vanop een sobere achtergrond. Zijn beeltenis probeert de vele
gaten te maskeren die de bombardementen van eergisteren sloegen. Hij heet
Mohammed Saber Harara, hij is achttien jaar en dit was zijn huis. 

Eergisteren
zag ik hem in het mortuarium, in een metalen koelbox, waarin nog twee andere
lijken gestapeld waren. De witte doek waarin hij gewikkeld was, droeg verse
bloedvlekken van zijn verwondingen. Boven hem lag een gemutileerd kind van tien
jaar, met wie Mohammed een paar uur eerder nog gevoetbald had. Een scherf van
de bom scalpeerde een driehoek uit zijn kinderkruin. Als een stuk taart, met
vaste hand gesneden.  

De
onsmakelijke vergelijking galoppeerde van mijn hoofd naar mijn maag, die een
maaltijd probeerde terug te katapulteren. Ernaast, van zijn rechteroor tot zijn
rechterwenkbrauw, zat een rauw rood-roze gapend gat onder de puntige franjes
van zijn geëxplodeerde schedel. Ik kon in zijn hoofdje kijken, dat slechts de
helft van zijn brein herbergde. 

Vreselijk
walgelijk hartverscheurend weerzinwekkend. En toch bleef ik een hele nacht
schreiend kijken, naar de martelende diashow van een gruwelijke dood. Ik zag
hen louter door het oog van een ander, verkleind via de display van een camera,
op de stoeprand van het mortuarium van het As-Shifa ziekenhuis.  

Vik,
een collega van International Solidarity Movement (ISM), zag namelijk mijn weifeling toen een groep journalisten en
fotografen vaalbleek uit het mortuarium kwam, gevolgd door een flauwgevallen
man die naar buiten gedragen werd door zijn familie. Vik stak zijn hand uit
naar mijn camera en gebaarde dat hij bereid was om naar binnen te gaan om de
slachtoffers te fotograferen. 

ISM
is een beweging die
zich verzet tegen de Israëlische bezetting van Palestina door geweldloze directe
actie en die de misdaden van het Israëlische leger documenteert
met persoonlijke verhalen. Maar het voelde plots zo zinloos
en misplaatst. Daar stond ik, tussen al die journalisten.  

Al
jaren, decennia zelfs, rapporteren verscheidene media over de gebeurtenissen in
Palestina, zonder gevolg. Daar stond ik, om zelf een foto te nemen van lichamen
die net een onterende dood gestorven zijn. Is dat dan het onteren van de
onteerden en hun nabestaanden? Wat zal die foto veranderen behalve mezelf,
behalve mijn geweten en dat van zij die al weten? Wat verandert er behalve een
grimmiger mensbeeld?  

Het
ethisch onweer knetterde in mijn hoofd en leidde tot kortsluiting in combinatie
met de vraag ‘Wat dan wel?’ Zo gaf ik woordeloos mijn camera aan Vik, die er
vandaag niet bij is. Hij voelt zich ziek. 

De
achtjarige jongen kucht om aandacht en wijst opnieuw naar de poster. ‘Es-shahied, de martelaar, is mijn neef
Mohammed, hij is achttien jaar en dit is zijn huis.’

Twee dagen geleden werd hij hier vermoord, samen
met drie anderen. Hier, op deze weg in Shija’ija, een oostelijke buurt van
Gaza-Stad. Een macabere gedachte flitst door mijn hoofd en ondanks mijn weerzin
en kippenvel, blijft ze er rondspoken. Ik
loop op de hersenen van de kleine Mohammed.
 

Het
was rond 15 uur toen tanks van het Israëlische leger vier artilleriegranaten
afvuurden op de Al Nazzazstraat. In Shija’ija zag men het gevaar niet naderen,
want de tanks stonden twee kilometer verderop, verscholen langs de grens. De
eerste artilleriegranaat raakte een huis en vernielde de bovenste verdieping.
De tweede sloeg in op een braakliggend terrein. De derde was dodelijk voor de
tienjarige Mohammed en zijn achttienjarige naamgenoot. Samen met een groep
kinderen speelden ze voetbal in hun straat, zoals ze elke dag doen. Of juister:
deden. 

Nadat
het drama zijn climax bereikt dacht te hebben, trof de vierde artilleriegranaat
Yasser en zijn kleinzoon, die zich naar de auto haastten om de gewonden weg te
brengen. Acht andere kinderen werden verwond, een driejarig en een zesjarig
kind zijn nog altijd in kritieke toestand. Yasser wilde hen evacueren, samen
met Mohammed en Mohammed, die dood waren, maar dat kon hij nog niet weten. Die
reddingsreflex bekocht Yasser met de dood. En zijn vijftienjarige kleinzoon
mocht het evenmin overleven. 

Gisteren
las ik de berichtgeving van het Israëlische leger: een van de artilleriegranaten,
die bedoeld was voor militanten, verdwaalde en veroorzaakte burgerslachtoffers.
Opmerkelijk hoe die ene artilleriegranaat zich onderweg, op magische wijze,
verviervoudigde. Maar wees gerust: de Palestijnse burgerbevolking is geen
legitiem doelwit van het Israëlische leger. 

Sinds
vorige week weerklinken de oorlogsdrums weer, ze waren nog maar licht bestoft
sinds de laatste escalatie van december 2010. Toen werd er ook gedreigd met een
hernieuwde belegering. Vorige woensdag zat ik in de auto, toen de wereld weer even
vibreerde. 

Een
bom
 

‘Neen,
een sonische knal’, verbeterden mijn taxicompagnons me in koor, na een moment
van analyserende stilte. ‘Aadi,
helemaal normaal! Mafish ishi, het is
niets!’ De
chauffeur knikte bemoedigend in de achteruitkijkspiegel en drukte vervolgens
stevig door op zijn gaspedaal.  

Wanneer
F-16’s de geluidsbarrière doorbreken, weerklinkt een donder als van een
bombardement en heb je een gelijkaardige sensatie: enkele seconden lang rollen
duizelende trillingen luid door je lichaam en slaat je hart een slag over (of
klopt het dan net een slag meer?). Je lichaam voelt de dreiging nog vóór je
verstand iets kan waarnemen: een desoriënterende, ontredderende ervaring. 

Op
twee kilometer van ons, op de route waar we even voordien passeerden, steeg er
echter een dikke witgrijze rookpluim op. Vervolgens meldde de radio dat een
site van de Palestijnse Nationale Veiligheidsdienst werd gebombardeerd: twee
doden. Aadi. De
chauffeur had helaas nog altijd gelijk: ook dit is helemaal normaal in Gaza.

Het is
een verschrikkelijke normaliteit, die een eeltlaag kweekt op het gevoel. Het
beangstigt me al een tijdje, de gewenning en de graduele normalisering van het
waanzinnige dat emotioneel verdovend werkt. Het enige alternatief lijkt een
turbulente wervelstorm van emoties. Dus zwerf ik tussen beide: tussen te veel
en te weinig voelen.

Dat
bombardement lijkt het startschot van hernieuwd geweld in een eerder rustige
periode.
Raketten vliegen nu uit de Gazastrook, terwijl er
in Gaza op verscheidene plaatsen bombardementen weerklinken. Sinds vorige week
zijn er twaalf Palestijnen vermoord in Gaza en werden meer dan vijfentwintig
mensen verwond door het Israëlische leger.  

De
meerderheid van de doden zijn mensen die niet actief zijn in het verzet, en wat
nog erger is: vier van hen zijn kinderen. Intussen berichten Israëlische media
dat vier Israëli’s gewond werden door raketaanvallen uit Gaza. Twaalf versus nul. En vijfentwintig versus vier. ‘Israël’ scoort (opnieuw). 

Bidkou tigou
gowa?
Willen jullie binnenkomen?’ Het is de tweede dag van de rouwplechtigheid en de frêle jongensstem
vraagt of we misschien ons medeleven willen betuigen aan de familie. Onder het
blauwe tentzeil zitten mannen op plastic stoelen met kleine kopjes koffie in
hun handen op een dadel te kauwen. De jongen loodst me via een steegje verder
naar de ingang van een huis en knikt voor hij doorgaat. Hier rouwen de vrouwen. 

Het huis is ruimer en rijker dan ik verwacht had.
De vloeren en de muren zijn bezet met glanzende tegels en er is een salon met deftige
sofa’s. De vrouwen staan in kleine groepjes, verdeeld over de twee woonkamers.
Ze zitten niet samengepakt op de grond te treuren en te bidden zoals op andere
rouwplechtigheden. Ik schud de vrouwen een voor een de hand en fluister in
beschaamd Arabisch ‘Allah yerhamhoum,
God hebbe hun ziel.’ 

De stilte hangt zwaar in het huis en ik weet me
geen houding te geven. Ik word met verbaasde, verwarde en achterdochtige ogen
aangekeken. ‘Ta’aali, ya oukhti. Kom,
mijn zuster’, zegt een van hen. Een fors uitziende vrouw neemt me krachtig bij
de arm, zet me neer in een van de stijve, geel-gouden zetels en stopt me koffie
en de verplichte dadel toe. In een mengeling van Arabisch en Engels spreekt ze
me toe. Of er veel mensen mijn krant lezen?  

Ze heeft grote ogen, die er kwaad uitzien en me
dwingen haar aan te kijken. De bruine kringen onder haar ogen lijken op haar
grauwe huid geplamuurd. Ze heeft een sterke stem, die streng en vermanend
klinkt, maar waar tegelijkertijd liefde in parelt. ‘Wat ga je hun vertellen? Ga je hun vertellen wie
de terrorist is? Want wie vermoordt er kinderen? Wie?!’ 

Umm Tariq schreeuwt tegen me in een razernij van
rouwend verdriet, ongeloof, pijn, rauwe woede en machteloosheid. ‘Begrijp je mij?!’, roept ze.  Ze pauzeert een seconde om mijn gezichtsuitdrukking
op te nemen. Anaah vertaalt en tussendoor versta ik haar woede en begrijp ik
meer woorden dan me lief zijn. 

‘Wist je dat Mohammed zijn hoofd ontplofte? Een
kind van tien jaar! Mijn neefje…’ Haar warme adem mept haar zinnen tegen mijn slapen
en in een reflex wend ik mijn hoofd af. Enkele vrouwen willen tussenkomen om
haar te bedaren en zeggen dat dit toch geen zin heeft, dat ik haar niet versta.
Ik gebaar dat het in orde is, waarop ze haar hand stevig om mijn schouder klemt
en haar woorden in mijn oor spuwt. 

‘Ze
spelen daar elke dag voetbal! Van 15 tot 17 uur! Elke dag! Iedere dag na
school! Wat zijn zij die kinderen vermoorden?! Wat zijn zij?!’ Ze schreeuwt.
Haar kreten halen me uit mijn evenwicht en bij gebrek aan troostende woorden beantwoord
ik haar toorn met tranen, die ook over haar wangen rollen. 

Ze zegt dat ze de
eerste was om het gruwelijke slagveld te aanschouwen. Dat Tariq, haar
vijftienjarige zoon, daar ook aan het voetballen was. Dat hij nu in het
ziekenhuis ligt met een hand minder. Dat een andere jongen uit de straat,
vanwege de gebrekkige medische infrastructuur in Gaza en zijn complexe
verwondingen, werd doorverwezen naar een ziekenhuis in ‘Israël’. Off all places: ‘Israël’! Het is een
caritatieve pleister op koelbloedig, structureel onrecht, waar waarschijnlijk
dankbaarheid voor wordt verwacht. Dat de wereld pervers is.  

‘Al die gewonde kinderen! Vertel jij jouw mensen
wie de echte terrorist is? Vertel je het hun?!’ Snikkend spuwt Umm Tariq haar
zinnen uit. In haar blik ligt onvervalste woede. Ze beschouwt me als een
vertegenwoordiger van het Westen dat schijnheilig jongleert met woorden als
mensenrechten, maar dat pas ingrijpt als de economische belangen gediend kunnen
worden. Hoe hard zou ze de buitenwereld haten? Maar ze laat me haar hand
vasthouden.

‘Ik hoop dat je de wereld zegt dat we geen
terroristen zijn, dat we normale mensen zijn. We hebben alleen brute pech dat
we geen olie hebben, anders had de NAVO de Palestijnse zaak al lang gesteund.’  

Het vuur in haar stem is gedoofd en ze kijkt nu
ijzig voor zich uit. Naast haar kucht een vrouw en ik weet door haar brandende
blik dat zij de volgende is, dat een nieuwe scène als een mokerslag zal
plaatsvinden. De moed is uit mijn lichaam geslopen en ik wil hier weg. Maar is luisteren
niet het minste wat ik kan doen voor deze mensen? ‘Weet je dat mijn buurvrouw
het avondmaal aan het bereiden was tijdens het bombardement!?’, roept de
kleine, geblokte vrouw.  

Het duurt even voordat ik begrijp wat ze bedoelt.
Ze verwijst naar het eerste bombardement dat insloeg bij haar buren. Haar
buurvrouw was aan het koken op de bovenste verdieping en ontsnapte op een haar
na aan de bom. Net toen ze even naar beneden ging om iets te vragen aan haar
zoon, ontplofte haar keuken. 

De vrouw tegenover me jammert. Ze begint te wenen
en ze panikeert wanneer ze denkt aan wat er nog gebeuren kan. ‘Ik heb enkel
jonge meisjes thuis en ze zijn zo bang. Ze hebben al kinderen vermoord, op
klaarlichte dag! Gisteren waren de
zanaana’s
overal en ’s nachts kwamen er Apachehelikopters bij! En nu hangt
die gigantische zanaana boven onze
wijk! Zag je het ding? Hoe kan ik mijn dochters veiligheid bieden?’, snikt ze
furieus. 

De tijd lijkt bevroren in eindeloosheid. Mijn
verstand werd geïnjecteerd met stekelige kwesties en mijn ingewanden hebben de
ellende van iedere vrouw uit het huis geabsorbeerd. Alles voelt log, mijn
lichaam weegt zwaar. Ik denk: ik wil weg. Maar waarheen?

Drie dagen lang
probeer ik thuis te schrijven. De telefoon rinkelt meerdere keren en de deurbel
ook, maar ik kan de wereld even niet meer aan. Ik moet alleen zijn. Weg zijn.
De schok moet door me heen sijpelen, voor ik weer mens kan zijn onder de
mensen. Voor ik weer kan doen alsof alles normaal is, moet het kolkende
onbegrip in mij bekoelen.  

Hoe kan zo’n obscene surrealiteit normaal
worden? Kan zoveel waanzin levensecht zijn? 

© 2013 Inge Neefs en uitgeverij EPO. Overname enkel met toestemming van de uitgever.

take down
the paywall
steun ons nu!