The Roads Must Roll

The Roads Must Roll

dinsdag 1 juli 2014 21:15

Als u even
heeft, wil ik u graag een verhaal vertellen. Het is niet mijn verhaal, iemand
anders schreef het: Robert A. Heinlein, grootheid onder de sciencefictionschrijvers,
en hij schreef het al in 1940. Een oud verhaal dus, maar ik wil het toch graag
vertellen.

We bevinden ons -weinig verrassend-
in de toekomst. Koning Auto is niet meer, vervangen door een efficiënter
alternatief: the roads, enorme
transportbanden die de reiziger tegen hoge snelheid veilig op zijn of haar
bestemming afleveren. “The Roads
Must Roll
“, luidt de titel van ons verhaal en the roads do roll. Tot ieders tevredenheid. Althans tot de
tevredenheid van de reiziger, van de samenleving en ja, zelfs van de
meerderheid van de werknemers die the
roads
rollende houden. Maar het liedje klinkt mooi en we weten allemaal wat
dat zegt over de duur ervan. Voor we goed wel een paar pagina’s achter de
kiezen hebben, gaat het uiteraard mis en vallen de geautomatiseerde wegen stil.
Chaos.

Al snel blijkt dat de
verantwoordelijkheid ligt bij een kleine groep technici, die zichzelf hebben
overtuigd van het feit dat hun dienstverlening aan de samenleving eigenlijk evengoed
een machtig wapen kan zijn. Want, ziet u, deze technici zijn niet tevreden. Ze
weten donders goed hoe cruciaal ze zijn voor het dagelijkse leven van zovelen, wat
volgens hen betekent dat ze nuttiger zijn dan om het even wie en dat ze moeten
worden behandeld als koningen. Kortom, deze technici hebben aardig wat volstrekt
onredelijke eisen en iedereen moet en zal luisteren. Door hun toedoen vallen de
transportbanden stil en, samen met de banden, de hele samenleving. De kraan
dichtdraaien wanneer iedereen wil wat uit jouw kraan komt, slim bekeken. Het dwingt tot luisteren, tot onderhandelen, zelfs tot toegeven. Want tot de eisen zijn ingewilligd, blijft de kraan dicht. Hun doel is
onvervalst eigenbelang, het genadeloos saboteren van de maatschappij is het
middel. We hebben hier een woord voor: machtsmisbruik.

Tot zover ons verhaal. Deed het een
belletje rinkelen? Heeft u het gevoel dat u dit alles tussen zondag- en
maandagavond in hoogsteigen persoon heeft meegemaakt? Ziet u de analogie? De
kranten hebben ze alvast gezien. Ze zat impliciet vervat in zowat elk artikel
dat zich aan de stakingsactie van de ACOD wijdde. “Geen begrip voor
bedervers festivalpret”, kopte de één. “Stakers gijzelen niet alleen
reizigers, maar ook werkwillige collega’s”, blokletterde de ander. “ACOD
na ellende nog steeds achter staking”. “Vakbond dreigt al met nieuwe
spoorstaking in september”. Genadeloos. Machtsmisbruik. Jawel, de kranten
zien de analogie. En ik vind dat vreemd, want mij ontgaat ze.

Wat ik zie, is een legitiem bezwaar.
Wat ik zie, zijn werknemers die graag hun verlof zouden opnemen, maar dit niet
kunnen omdat er niet voldoende collega’s zijn om hun afwezigheid op te vangen.
Wat ik zie, is een werkgever die al duidelijk te kennen heeft gegeven dat er
niet meteen collega’s bijkomen. Een werkgever die zichzelf graag omschrijft als
maatschappelijk te duur en zijn werknemers als verwend.

Wat ik ook zie, is een
dienstverlening die nuttig is voor ons allemaal. Ze wordt meestal vakkundig vermomd
als falend product, als verliespost, maar toch zie ik ze. En ik zie, wanneer ik
zelf op de trein stap: ze ligt ons zo nauw aan het hart. Want ook al zijn we
met teveel op weg naar Brussel, ook al hebben we geen plaats en staan we recht
in het gangpad, de volgende dag zijn we er weer. Want het is zoveel beter dan de
file.

Onze trein ligt ons nauw aan het
hart. Ik zie het als we lamgelegd worden door vakbonden en handenwringend
getuigen voor het tv-journaal hoe onze hele dag nu om zeep is. Hoe de ene niet
op het werk raakt, de andere niet aan de kust, op Werchter of op Graspop. Onze
trein ligt ons zo nauw aan het hart, maar toch zijn we boos op de vakbonden. En
ja, ook dat vind ik vreemd. Want we zijn boos op de mensen die de eeuwige
besparingslogica, de eeuwige mantra over onze moddervette overheid niet
kritiekloos aanvaarden. Die dienstverlener willen zijn, eerder dan producent.
Die meer openbaar vervoer willen, niet minder. Die meer middelen willen, want
meer middelen betekent meer collega’s en dus meer dienstverlening; goed voor
ons. Meer middelen betekent een grotere wagon, een trein meer per uur of een
goedkoper treinticket; ook dat is goed voor ons.

En dat is waarom het tevergeefs
zoeken is naar een analogie met het (overigens schitterende) kortverhaal van
Robert Heinlein: de stakingsactie van de ACOD dient niet enkel het belang van
de eigen leden, ze dient het belang van elke reiziger. Wij willen wat de
vakbonden willen en wie naar de vakbonden luistert, luistert naar ons. En als
we massaal moeten worden gegijzeld vooraleer er geluisterd wordt, dan hebben we
het volste recht boos te zijn. Een mens zou voor minder. Maar laten we boos
zijn op zij die de staking veroorzaken. Zij die weigeren te luisteren zolang ze
weten dat het enkel de tegenpartij is die imagoschade lijdt. Zij die minder
openbaar vervoer willen, niet meer. Zij die ons een product willen verkopen,
geen dienst willen verlenen. Want die zaken zijn gewoonweg niet goed voor ons.

Stakingen in de openbare dienstensector zijn
onaangenaam en rotvervelend, maar wat ze vooral doen, is ons herinneren aan het
feit dat onze openbare diensten ons leven beter maken. Misschien is dat iets om
in het achterhoofd te houden wanneer we nog eens een politieke keuze moeten
maken, want de burgers van dit land -en dat zijn wij, ook al wil men ons al
eens doen geloven dat we eigenlijk klanten zijn- beslissen uiteindelijk zelf
hoe onze openbare diensten worden gefinancierd. En het is zeker iets om in het
achterhoofd te houden wanneer we nog eens moeten kiezen op wie we nu eigenlijk
boos zijn: degene die onze openbare diensten lamlegt voor 24 uur of degene die
ze permanent vleugellam dreigt te maken.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!