Pensioenplan kan leiden tot onrechtvaardige uitkomst
Eén van de meest opvallende innovaties van het pensioenplan betreft de invoering van een puntensysteem. Pensioenrechten wordt voortaan niet langer uitgedrukt in euro's maar in punten. Het aantal punten dat doorheen de loopbaan wordt opgebouwd, is afhankelijk van het aantal gewerkte jaren en het verdiende loon. Eén punt staat gelijk aan het jaarlijkse gemiddelde loon van een zelfstandige, ambtenaar of werknemer in een bepaald jaar.
Het grootste risico verbonden met dit puntensysteem is natuurlijk dat de loonmassa kan stijgen of dalen naargelang de conjunctuur. In tijden van economische crisis bijvoorbeeld zal de waarde van een pensioenpunt dalen. Dit zal ervoor zorgen dat gepensioneerden rechtstreeks zullen opdraaien voor de kosten van een mogelijke crisis. Over eventuele beperkingen op het laten fluctueren van de waarde van pensioenpunten blijft het plan vaag. De hete aardappel in verband met minimum- en maximumpensioenen wordt doorgeschoven naar de politiek.
Langer werken
Het voorgestelde plan blijft vasthouden aan het idee dat langer werken absoluut noodzakelijk is. Bijgevolg zet het ook in op het verleggen van de pensioensleeftijd en verdere activering. De deur wordt opengezet om de pensioensleeftijd te verhogen tot 67 in 2030. Maar dit scenario wordt gekenmerkt door betwistbare vertrekpunten die mogelijks leiden tot onrechtvaardige uitkomsten. We zetten de voornaamste even op een rijtje:
1) Vooreerst maakt het plan abstractie van het gegeven dat de toename van het aantal gepensioneerden per definitie een tijdelijke toename zal zijn. Het klopt dat er op korte termijn een groot aantal gepensioneerden zal bijkomen, maar gepensioneerden blijven zichzelf niet eindeloos reproduceren. Na de toename volgt onvermijdelijk een afname. Daardoor zullen de hervormingen een veel langer effect hebben dan de duur van het probleem waarvoor ze worden voorgesteld.
2) Het voorstel om langer te werken wordt doorgaans gekoppeld aan het gegeven dat de gemiddelde levensduur gestegen is. Langer leven betekent langer werken, zo klinkt het dan. Maar gemiddelde levensduur is een verraderlijk gegeven.
Het klopt inderdaad dat de gemiddelde levensduurte steeg. In 1890 werd een man gemiddeld 43,88 jaar oud en een vrouw 47,01 jaar. In 1991 was de gemiddelde levensverwachting van een man opgelopen tot 73 jaar en die van een vrouw tot 80 jaar.
Het lijkt volstrekt logisch om op basis van deze gegevens te argumenteren dat mannen en vrouwen langer moeten werken. Maar wat deze gevolgtrekking niet in rekening neemt, is dat het niet de gemiddelde levensverwachting bij geboorte is die telt, maar wel de gemiddelde levensverwachting op vijfenzestig jaar. En wat blijkt? De toename is niet spectaculair. Een man die in 1841 de leeftijd van vijfenzestig bereikte, kon rekenen op nog gemiddeld elf jaar. Vandaag op ongeveer zestien jaar. Een man van vijfentachtig had gemiddeld nog vier jaar te gaan, terwijl een man van vijfentachtig in 2010 gemiddeld nog vijf jaar heeft te gaan.
Met andere woorden: er bestaat niet zo'n groot verschil tussen vroeger en nu als het gaat om de levensverwachting na vijfenzestig. Wat wel verandert onder het huidige plan, is de 'pensioensverwachting'. Mensen zullen langer moeten werken om minder van hun pensioen te kunnen genieten. Dat betekent een de facto achteruitgang op vlak van levenskwaliteit en welzijn.
3) Laaggeschoolden leven gemiddeld zeven jaar minder lang dan hooggeschoolden. Het rapport van Vandenbroucke & co houdt daar gelukkig rekening mee. Zwaar werk kan beloond worden met extra punten. Tegelijk wordt langer werken – tot zelfs na de pensioenleeftijd – ook gestimuleerd door extra punten. Volgens Vandenbroucke is het aan de politiek en de sociale partners om te bepalen om te bepalen, hoe zwaar werk wordt gecompenseerd en in welke mate.
Met een centrumrechtse regering in opbouw die zich de moeite niet troost om sociale partners te raadplegen tijdens de onderhandelingen, belooft dit niet veel goeds. Het gevaar bestaat dat het zwaartepunt verschuift naar langer werken in plaats van compensatie voor zwaarder werk. Bovendien blijft het erg moeilijk om de zwaarte van een loopbaan te gaan meten. Temeer omdat dit afhankelijk is van individuele en sociale omstandigheden.
4) Samenhangend met het derde punt: vervroegd pensioen opnemen kan pas na een loopbaan van tweeënveertig jaar. Maar wegens het geringe aantal punten in de rugzak, val je dan sowieso terug op een lager pensioen. Een dergelijke maatregel geeft te denken wanneer alle prognoses erop wijzen dat de werkloosheid eerder verder zal toenemen in plaats van afnemen.
Bovendien weten we dat het verhinderen van een vervroegd pensioen slechts leidt tot een kostenverschuiving in plaats van een kostenbesparing. Wanneer werknemers geen vervroegd pensioen kunnen opnemen, stijgen de kosten voor de gezondheidszorg. Ook het aantal oudere werkzoekenden neemt dan toe.
Volgens de socialistische vakbond ABVV doet de optrekking van de brugpensioenleeftijd het aantal bruggepensioneerden wel dalen (-20.000 tegen 2016) maar dat wordt gecompenseerd door meer zieken (+52.000) en oudere werklozen (+7.000).
5) Volgens de Oeso behoren de Belgische privé-pensioenen tot de laagste van Europa. Ambtenaren krijgen wel een degelijk pensioen. Het rapport stelt wel voor om het speciale stelsel voor de ambtenaren te behouden maar er zou wel gesleuteld worden aan de berekeningswijze. ACV-Openbare Diensten berekende dat dat kan leiden tot een vermindering met 10 tot 15 procent. Dat komt dus neer op een neerwaartse harmonisatie.
6) Gesteld dat iedereen langer werkt, dan zal dat resulteren in hogere pensioenkosten. Ook in die zin draagt het voorgestelde plan niet onmiddellijk bij tot een besparing. Veeleer strandt men in dit scenario op een nuloperatie.
Vandaar ook dat het rapport heel terecht aanhaalt dat op zoek moet gegaan worden naar bijkomende financieringsbronnen zoals een vermogensbelasting. Maar dat is wederom afhankelijk van een politieke wil. Binnen de huidige politieke setting is het twijfelachtig of die wil bestaat.
Wanneer we die politieke context en het voorgestelde plan bij elkaar legen, doemt een beeld op van een pensioenshervorming waarmee noch werknemers noch de overheid gebaat zijn. Blijft over: de werkgevers die door een overaanbod op de arbeidsmarkt lagere lonen kunnen uitbetalen aan een bevolking die langer zal moeten werken.
Of zoals het VBO het uitdrukt: "Eens we uit de crisis raken, zal de vraag naar arbeid toenemen. Als de beschikbaarheid van arbeidskrachten niet gestegen is, zullen – door de wet van vraag en aanbod – de lonen stijgen. We moeten daarom op tijd maatregelen nemen."