Boekrecensie -

Greenwald: privacy is essentie van democratie

Glenn Greenwald's boek 'No Place To Hide' ('De Afluisterstaat') geeft essentiële argumenten voor het belang van privacy voor de democratie. Greenwald wijst er ook op dat 'objectiviteit' een mythe is, bedoeld om echte journalistiek te neutraliseren.

vrijdag 30 mei 2014 16:14

De Engelse titel No
Place To Hide
komt uit een citaat van
senator Frank Church: “De Amerikaanse regering heeft een
technologische capaciteit geperfectioneerd om alle boodschappen die
door de ether gaan te monitoren … Die capaciteit kan eender
wanneer tegen het Amerikaanse volk gekeerd worden, geen enkele
Amerikaan zal dan nog een privéleven hebben, zo groot is die
capaciteit om alles te schaduwen – telefoongesprekken, telegrammen,
eender wat. Er zal geen plaats meer zijn om zich te verbergen.”

Deze uitspraak werd reeds gedaan in 1975. Senator Church
was voorzitter van een parlementaire onderzoekscommissie naar de
afluisterpraktijken en de geheime operaties van het Federal Bureau of
Investigation (FBI), de binnenlandse inlichtingendienst. Uit het onderzoek van deze commissie
bleek dat het FBI, de CIA en de NSA sinds 1945 massaal illegale
praktijken beoefenden in opdracht van de regering, om zowat elke vorm
van politieke dissidentie in de VS te muilkorven.

Snowden kende Greenwald al

Greenwald was niet de eerste de
beste toen Edward Snowden voor het eerst contact met hem zocht. In de
grote Amerikaanse media had Snowden geen vertrouwen en Greenwald was
al jaren een actief als onderzoeksjournalist over schendingen van de
privacy door de Amerikaanse regering.

Aanvankelijk vond Greenwald de voorstellen van Snowden – wiens
identiteit hij toen nog niet kende – nogal overroepen. Bovendien
hield hij rekening met de mogelijkheid dat dit een poging was om hem in diskrediet te brengen, door hem met het verspreiden van
foutieve informatie ongeloofwaardig te maken.

Hong Kong

No Place To Hide omvat vijf
hoofdstukken. In het eerste vertelt Greenwald in detail hoe hij
uiteindelijk in Hong Kong de man leerde kennen, die verantwoordelijk
is voor het grootste lek in de geschiedenis van het Amerikaanse
veiligheidsapparaat – zoals Greenwald recent nog stelde is het einde
van de openbaringen nog niet in zicht. Hij benadrukt dat niet
hijzelf maar zijn collega Laura Poitras de eer verdient om hem met Snowden samen te brengen.

Poitras is documentaire filmregisseur.
Zelf zoekt zij bewust
niet de aandacht van de media, net als Edward Snowden zelf. “Het
moet over de dossiers gaan, niet over mezelf”, zegt Snowden. Dat
heeft hij redelijk lang volgehouden. Pas deze week op 28 mei 2014 gaf hij
een interview aan de Amerikaanse zender MSNBC. Vervolgens licht Greenwald toe hoe hij
samen met Poitras en Snowden een werkmethode overeenkwam en de
eerste documenten publiceerde in de Britse krant The Guardian.

In
een derde hoofdstuk overloop hij de reeds vrijgekomen
informatie, waarvan de meeste details ondertussen ruim bekend zijn. Dat de
wereldwijde spionage van de NSA slechts in zeer beperkte mate te
maken heeft met de bestrijding van terrorisme en alles met economische spionage en het volgen van democratische politieke dissidentie, is eveneens voldoende bekend.

Een gevaar voor de democratie

De voornaamste relevantie van dit boek ligt
in hoofdstukken vier en vijf. In hoofdstuk vier ‘The Harm of
Surveillance’ weerlegt Greenwald alle argumenten van zijn
tegenstrevers en critici.
De dooddoener “wie niets
verkeerd gedaan heeft, hoeft geen schrik te hebben om bespioneerd te
worden” pareert hij met sluitende argumenten
en enkele sarcastische voorbeelden.

“Het belang van privacy blijkt uit
het feit dat zij die dit onbelangrijk vinden, die het doodverklaren
als iets wat niemand zal missen, zelf niet eens geloven wat ze preken …
(te beginnen bij de overheid zelf) … zowat alles wat de overheid vandaag
doet, gebeurt in het geheim … de mensen die dit zeggen hebben paswoorden op hun e-mailaccount, versturen brieven in gesloten omslagen, doen hun badkamerdeur op slot, zeggen dingen tegen
vrienden, tegen hun therapeuten, tegen hun advocaten waarvan ze niet
willen dat iedereen dat weet.”

Metadata, belangrijker dan meeluisteren

Democratisch senator Dianne Feinstein
riep meermaals
op om hem te laten vervolgen voor spionage en landverraad. Volgens haar is het massaal verzamelen van metadata door de NSA geen
‘surveillance’. Toen ze dat voor het eerst in het openbaar zei, kreeg ze van talloze burgers de vraag
of ze vanaf nu elke maand een volledige lijst zou publiceren van de
personen die met haar bellen of e-mailen, met inbegrip van de lengte
van elk gesprek en de fysieke plaats van waar de betrokken personen
met haar contact hadden. Zij heeft nog niet op die vraag geantwoord.

Greenwald haalt nog meer
argumenten en voorbeelden aan. Wat nu gebeurt, is volgens hem geen uit de hand gelopen antiterreuroperatie maar een aanval op elke vorm van politieke dissidentie. “Massale spionage van de eigen bevolking past in een strategie om passiviteit,
gehoorzaamheid en conformiteit te ‘stimuleren’. Dat is immers de
veiligste manier om met rust gelaten te worden.”

Vicepresident Joe Biden

Greenwald herinnert vice-president Joe Biden aan wat hij zei in 2006 – toen hij, met George W. Bush in het Witte Huis, nog Democratisch senator was  – over het
massaal verzamelen van metadata: “Gaan wij de
president en de vicepresident vertrouwen dat ze daarmee het juiste
doen? Daarvoor moet je niet op mij rekenen.”

Greenwald daarover: “Zij beschouwen deze spionage
alleen maar als zorgwekkend als ze denken dat ze daar zelf door
bedreigd worden.” Zijn besluit: “Transparantie is voor hen die
openbare ambten opnemen en openbare macht uitoefenen. Privacy is voor
al de anderen.”

De vijfde macht, objectief en neutraal

Het vijfde hoofdstuk wijdt Greenwald
aan de media. Is Greenwald eigenlijk wel een journalist? Het gaat allemaal blijkbaar alleen maar om hemzelf en zijn eigen glorie. Het dieptepunt wordt een interview
met journalist David Gregory, nieuwsanker van het NBC-programma Meet The
Press
, die hem live beschuldigt van het verlenen van steun
aan een misdaad. Meer details in het boek.

Greenwald geeft meerdere voorbeelden van ‘double framing‘. Schokkende revelaties worden gekoppeld
aan zogenaamde ‘portretten’ van de klokkenluider, die tot doel hebben
zijn geloofwaardigheid te ondermijnen. (Een goed voorbeeld van deze tactiek is te horen, te zien en te lezen in de commentaren op het recente interview van Snowden. Die worden steeds onmiddellijk gekoppeld aan minachtende reacties van minister van Buitenlandse Zaken John Kerry).

De critici die vinden dat hij zijn
informatie nooit had mogen publiceren, onthullen toch zelf voortdurend
andere geheimen? Logica? “Journalisten in Washington klagen alleen
die onthullingen aan die de regering ondermijnen … De lekken (die
zij zelf wel publiceren) werden door de regering in Washington
goedgekeurd.”

Over de Amerikaanse Grondwet maakt
Greenwald een pertinente observatie: “Niemand had de
Amerikaanse Grondwet nodig om de persvrijheid te garanderen om
journalisten toe te laten vriendjes te zijn met politieke leiders en
om hen te vereren en te loven; die garantie was nodig zodat
journalisten het omgekeerde zouden kunnen doen.”

Journalistieke objectiviteit?

“Voortdurend wordt ons gezegd dat
journalisten geen opinie horen te hebben, dat ze alleen de feiten
moeten weergeven. Dit is een overduidelijk voorwendsel, een bedrog
van het beroep (van journalist) … Elke journalistiek dient de
belangen van een of andere groep.”

“Het relevante onderscheid is niet
tussen journalisten met een opinie en zij die er geen zouden hebben,
een categorie die niet bestaat. Het is tussen journalisten die
openlijk uitkomen voor hun opinie en zij die hun opinie verbergen en
doen of ze er geen hebben. Het idee zelf dat journalisten vrij zouden
moeten zijn van opinies is helemaal geen historisch geëerde kwaliteit van het beroep. Het is in feite een zeer recente nieuwe uitvinding die
als effect heeft – als het al niet de intentie zelf is – de journalistiek te neutraliseren.”

Daarom hebben volgens Greenwald de meeste journalisten van massamedia hem niet hoog zitten. Er is echter een bijkomende reden: “Woede en
schaamte over de waarheid die door deze tegendraadse journalistiek
aan het licht is gekomen: schrijven over dingen die de overheid boos
maken legt de echte rol van mainstream journalisten bloot, namelijk de macht dienen.”
 

Greenwald eindigt met een goede raad aan alle gebruikers van
het internet, vooral aan journalisten, advocaten en
mensenrechtenactivisten. Wat die raad precies is vind je in dit
lezenswaardige boek, waar nog veel meer in staat dat No Place To
Hide
de moeite waard maakt.

Glenn Greenwald: De Afluisterstaat. Uitgeverij Lebowski. Amsterdam, ISBN 9789048819409 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!