Pensioendebat: de keuze tussen liberaal, ultraliberaal en sociaal beleid
Een sociale visie vertrekt van andere uitgangspunten.
Sinds duidelijk werd dat de Vlaming erg bezorgd is over zijn pensioen, wordt het pensioendebat volle hevigheid gevoerd. “2,5 miljard besparen op de pensioenen, zoals N-VA wil, is niet snijden in het vet, maar hakken tot op het bot”, zo schrijft Servais Verherstraeten (CD&V).
“Totaal ongegronde beschuldigingen”, zo antwoordt Siegfried Bracke (N-VA): “Wij pleiten voor een minimumpensioen tot op het niveau van de Europese armoedegrens”. “De N-VA kiest voor liefdadigheid, de sp.a gaat voor solidariteit”, zo repliceert Bieke Verlinden (sp.a), daarin bijgetreden door haar voorzitter Bruno Tobback. De houdbaarheidsdatum van verkiezingsbeloften is beperkt. Zeker in een materie als pensioenen, waar maatregelen kunnen worden genomen die pas tien of twintig jaar later effect hebben. Daarom is het nuttig om, naast de beloften, ook even stil te staan bij het effectief gevoerde beleid.
Loopbaanvoorwaarde
De ultraliberale pensioenvoorstellen van de N-VA bouwen verder op het liberale pensioenbeleid van de CD&V, sp.a en Open VLD in de federale regering. Dat beleid kan worden herleid tot drie krachtlijnen: a) langer werken, b) wettelijke pensioenen omvormen tot een minimale bescherming tegen armoede en c) private pensioenspaarregelingen verder ontwikkelen. In een volgende legislatuur wil de regering dat beleid verder zetten (zie beleidsnota pensioenen, punt 2).
De regering-Di Rupo verhoogde de brugpensioenleeftijd van 58 naar 60 jaar en de vervroegde pensioenleeftijd van 60 naar 62 jaar. Daardoor zal bijna iedereen minstens twee jaar langer moeten werken. Een grote groep van mensen zal tot vijf jaar langer moeten werken. De regering verhoogde immers ook de loopbaanvoorwaarde om met brugpensioen of vervroegd pensioen te kunnen gaan. Alle werknemers die minder dan veertig jaar gewerkt hebben – dat is het geval voor twee op drie vrouwen – zullen tot vijf jaar langer moeten werken.
De regering-Di Rupo bouwde ook een aantal wettelijke pensioenen af. Ze verlaagde het wettelijk pensioen van de ambtenaren, door het te berekenen op de gemiddelde wedde van de laatste tien in plaats van de laatste vijf jaar. Afhankelijk van de situatie van de ambtenaar tijdens zijn laatste loopbaanjaren, zal de maatregel oplopen tot een lager pensioen van 192 euro per maand. De regering schafte bepaalde gelijkgestelde periodes af (tijdskrediet na 1 jaar) en verminderde de pensioenopbouw tijdens andere periodes (lange werkloosheid en brugpensioen).
Afhankelijk van de situatie van de betrokkene zal dat oplopen tot een lager pensioen van 125 euro per maand. De regering beperkte ook de pensioenbonus voor wie actief blijft tot 65 jaar. Vroeger kreeg men 179 euro extra pensioen per maand. Nu nog 83 euro. Dat is bijna 100 euro per maand minder. Daarnaast voerde de regering een nieuwe berekeningswijze van het pensioen in, waardoor het pensioen kan toenemen met 22 euro per maand, afhankelijk van de dag waarop men verjaart en van het loon dat men verdient.
Tot slot zette de regering het beleid van de regeringen Leterme I en II verder: verhoging van minimumpensioenen, minimumrechten per loopbaanjaar, vakantiegeld en oudste pensioenen van werknemers en zelfstandigen. De verhogingen bedragen anderhalf, twee of drie procent op jaarbasis, waardoor een aantal pensioenen op termijn boven de armoedegrens zullen komen te liggen.
Tezamen zorgen bovenstaande maatregelen voor een verhoging van de laagste pensioenen en een verlaging van de hogere pensioenen. De wettelijke pensioenen zullen met andere woorden beter beschermen tegen armoede, maar minder goed tegen de inkomensval na pensionering. Voor het behoud van de levensstandaard na een leven van intense arbeid moet iedereen zichzelf behelpen via de private pensioenopbouw (het aanvullend en individueel pensioen of de zogenoemde tweede en derde pensioenpijler).
Pensioenmalus
De N-VA trekt die logica door. Het Plan V stelt een pensioenmalus voor die voor vele Vlamingen neerkomt op een onteigening van een kwart van de opgebouwde pensioenrechten (5 procent per jaar bij uittreding vóór de leeftijd van 65 jaar, zie Plan V, p. 17, kolom drie). Voor Michel, de bankbediende die een wettelijk pensioen heeft opgebouwd van 2.000 euro per maand en die om de één of andere reden niet meer actief kan zijn na de leeftijd van 60 jaar, komt de pensioenmalus neer op een onteigening van de opgebouwde pensioenrechten met 500 euro per maand of 6.000 euro per jaar.
Deze pensioenmalus moet 2,5 miljard euro opbrengen per jaar (zie Plan V). Om de zwarte armoede onder onze gepensioneerden te beperken, wil de N-VA 1,5 miljard euro herinvesteren in het verhogen van de laagste pensioenen.
Tegengestelde visies op pensioenen
De levensverwachting stijgt. En de babyboomgeneratie bereikt de pensioenleeftijd. De sociale zekerheid viseert groeiende kosten voor pensioen en gezondheid. De vraag is: hoe gaan we daarmee om? Er bestaan twee tegengestelde visies.
De liberale visie bekijkt alles door de bril van de kostprijs, de opbrengst, het concurrentievoordeel. In die visie zijn pensioenen pure ballast, geld dat besteed wordt aan mensen die niet productief zijn. Het is beter om dat geld op kapitaalmarkten te beleggen. De liberale visie pleit dan ook voor lage wettelijke pensioenen, net boven de armoedegrens. Voor het behoud van de levensstandaard moeten de inwoners zich verzekeren op de markt. Dat geld gaat via groepsverzekeringen en pensioenfondsen naar de beurs.
De sociale visie op de pensioenen vertrekt van het grondrecht op pensioen (zoals voorzien in artikel 23 van onze Grondwet, artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest). Mensen die hun leven lang aan de welvaart hebben bijgedragen, hebben recht om in goede gezondheid nog van een welverdiende rust te kunnen genieten.
De solidariteitsvisie op de pensioenen pleit voor een recht op rust met een degelijk pensioen, wanneer men nog niet helemaal is uitgeblust en opgebruikt. Met de welvaart die we jaarlijks produceren, kan onze samenleving dat recht perfect dragen. Een sociale zekerheid die enkel focust op armoede, wordt vroeg of laat een arme sociale zekerheid. Ook de bescherming tegen armoede komt onder druk te staan. Dat blijkt duidelijk uit de evolutie van de sociale bescherming in de VS en de UK.
De sociale visie onbetaalbaar?
De Studiecommissie voor de Vergrijzing berekent elk jaar de totale kost van de vergrijzing. Rekening houdend met het hele plaatje zou de vergrijzing een extra kost met zich meebrengen van 3,3 procent van het BBP tegen 2030 en 5,4 procent tegen 2060. Dat is een toename van 0,19 procent per jaar tegen 2030 – minder dan 700 miljoen euro per jaar – of 0,11 procent tegen 2060. Géén tsunami, maar wel een langzaam aanzwellende stroom. In het totaal zouden de pensioenen in 2060 14,7 procent van het BBP bedragen. 14,7 procent van het BBP voor het inkomen van 32,2 procent van de bevolking met pensioen.
Is dat nu zo overdreven? Natuurlijk niet. Landen als Frankrijk en Oostenrijk betaalden in 2010 al 14,6 procent en 14,1 procent van het BBP voor de pensioenen van hun inwoners. Maar waarom dan zoveel heisa over de vergrijzing? Welnu, dat heeft veel meer te maken met dalende inkomsten dan met stijgende uitgaven. De inkomsten om de wettelijke pensioenen te betalen zijn sterk gedaald. Dat is te wijten aan de daling van de sociale bijdragen (de “loonlast”), die momenteel oploopt tot 11 miljard euro per jaar. De daling van de sociale bijdragen wordt gecompenseerd door meer financiering van de overheid. Volgens de FOD Sociale Zekerheid is dat de belangrijkste evolutie in de financiering van de sociale zekerheid.
Maar de slechte toestand van de overheidsfinanciën – wegens het redden van de banken en een aantal keuzes in het fiscaal beleid, waaronder de notionele intrestaftrek – zet dat mechanisme onder druk. Besparen is al wat de klok slaat. Daarom is elke bijkomende kost voor de pensioenen, hoe beperkt ook, uit den boze.
Maatregelen voor een socialer pensioenbeleid
Het Belgische pensioenstelsel schiet tekort op de twee doelstellingen van een goed pensioen: bescherming tegen armoede en degelijke vervanging van vroegere inkomens uit arbeid. Deze twee doelstellingen staan niet los van elkaar. De beste bescherming tegen armoede is een goede vervanging van het vroegere inkomen uit arbeid. Een verhoging van de rustpensioenen voor werknemers kan gebeuren door iemand die 45 jaar gewerkt heeft 75 procent van zijn gemiddelde inkomen te geven (in plaats van de huidige 60 procent van het gemiddelde inkomen, wat in vergelijking met de andere landen in Europa een bijzonder slechte pensioenformule is). De optrekking naar 75 procent van het gemiddeld inkomen zou de totale uitgaven voor de wettelijke pensioenen in percentage van het BBP tegen 2030 brengen op 15,55 procent en tegen 2060 op 16,68 procent.
Dat zijn geen absurde cijfers. De besteding van één zesde van het nationaal inkomen (16,68 procent) aan een derde van de bevolking met pensioen (32,2 procent) in 2060 is niet overdreven. Het gaat hier bovendien over inkomen of koopkracht, waarvan het overgrote deel rechtstreeks terugvloeit naar de economie, via consumptie, uitgaven voor zorg, investeringen in woningen van kinderen, nalatenschappen, enz. De geleidelijke versterking van het wettelijk pensioen is niet onbetaalbaar wanneer we samen de keuze maken om de welvaart beter te verdelen. Het proces van de vergrijzing spreidt zich uit over twintig tot dertig jaar. Daar moet een langetermijnvisie aan gekoppeld worden, die de welvaart anders verdeelt. Een herverdeling die vertrekt van de solidariteit heeft vier hoekstenen.
Ten eerste zal men de sokkel van de sociale zekerheid moeten verbreden met méér stabiele en correct betaalde banen. Ten tweede zal men de sociale zekerheid structureel moeten herfinancieren. De Federale Adviesraad voor Ouderen stelde voor om een beperkte taks in te voeren op de allergrootste vermogens, teneinde de transfer tijdens de afgelopen decennia van inkomen uit arbeid naar inkomen uit kapitaal te heroriënteren naar een degelijk inkomen voor gepensioneerden. Ten derde zal een rechtvaardigere fiscaliteit vereist zijn, met opheffing van de fiscale achterpoorten zoals de notionele intrestaftrek. Ten vierde zal de houtworm in het systeem moeten worden aangepakt. Die houtworm, dat is de stelselmatige verlaging van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid. Hij vreet al jaren aan het hele stelsel en woekert verder in allerlei alternatieve loonvormen waarop weinig of geen bijdragen voor de sociale zekerheid betaald worden (aanvullende pensioenen, bedrijfswagens, laptops, gsm’s, niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, ….).
Het grondrecht op rust na een leven van intense arbeid is dus wel betaalbaar, indien men daarvoor kiest in het sociaal en fiscaal beleid.
Kim De Witte is docent leergangen pensioenrecht KU Leuven en lijsttrekker PVDA+ in Limburg.