De vijf procent rijksten bezitten evenveel als de 75 procent armsten
De verdeling van vermogens in België was lange tijd een groot mysterie. De laatste studie – van de VUB-economen Koen Rademaekers en Jef Vuchelen – had betrekking op het jaar 1994, twintig jaar geleden dus.
Gemiddeld bezit elk Belgisch gezin 417.400 euro. Eén blik op de spaarrekening volstaat voor het gros van de Belgen om te beseffen dat dat gemiddelde niets zegt over de verdeling van de vermogens.
De Europese Centrale Bank brengt daar verandering in. Het Household Finance and Consumer Survey van de ECB verzamelde informatie over meer dan 62.000 in vijftien landen uit de Eurozone. In België werden 2300 gezinnen bevraagd in 2010. Onderzoekers Sarah Kuypers en Ive Marx van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen schreven een eerste wetenschappelijke studie op basis van die gegevens.
Enkele opmerkelijke vaststellingen
– De helft van de Belgische gezinnen bezit minder dan 10 procent van het totale netto vermogen. De top 10 procent bezit 44 procent. De top 5 procent bezit 32 procent van het totale vermogen. De top 1 procent bestaat uit iets minder dan 50.000 gezinnen en bezit 12,37 procent van het totale vermogen. Dat is dus meer dan de onderste 50 procent.
– De vijf procent rijksten bezitten evenveel als de 75 procent armsten.
– 2,5 procent van de gezinnen heeft geen vermogen en alleen maar schulden. Tien procent van de gezinnen heeft minder dan 2700 euro (alle spaargeld en voertuigen inbegrepen). Tien procent van de gezinnen heeft meer dan 687.000 euro. De rijkste tien procent bezit 254 keer meer dan de armste tien procent. De top 1 procent bezit meer (tot heel veel meer) dan 3 miljoen euro. Het armste gezin uit de top één bezit evenveel als duizend gezinnen uit de de laagste tien procent.
– Voor de 50 procent gezinnen die zich in het midden bevindt (met 25 procent van de gezinnen die armer is en 25 procent die rijker is) vormt het eigen huis 75 procent van het vermogen.
– De grote meerderheid van de huurders heeft geen vermogen. Zij compenseren de afwezigheid van een eigen huis dus niet met meer spaargeld.
– Eén procent van de eigen woningen is meer dan een miljoen euro waard. De gemiddelde waarde van een woning is 273.000 euro. Eén op de zes gezinnen heeft naast de eigen woning nog vastgoed in handen. Bijna 29 procent van de gezinnen betaalt een lening af op het eigen huis.
– Het liquide financiële vermogen (spaargeld, pensioensparen, obligaties en aandelen) is zeer ongelijk verdeeld. Een kwart van de gezinnen heeft minder dan 5000 euro. Wie bij de één procent wil horen moet meer dan 1,7 miljoen bezitten.
– Bijna 8 procent van de gezinnen heeft obligaties. Maar twee derde van de totale waarde van die obligaties zit bij 10 procent van de obligatiehouders.
– Diezelfde concentratie zien we bij aandeelhouders. 15 procent van de gezinnen bezit aandelen. Maar bijna 85 procent van de totale waarde is in handen van 10 procent van diezelfde aandeelhouders.
– Bijna tien procent van de koppels met kinderen heeft een rekening in het rood.
– De helft van de mensen geboren in het buitenland bezit niets.
– De helft van de inkomensarme gezinnen heeft nauwelijks genoeg spaargeld om het een paar maanden uit te zingen.
Besluit van de onderzoekers
Ive Marx en Sarah Kuypers:
“Met name de concentratie van financiële vermogenscomponenten zoals obligaties, aandelen, spaargelden (en dus de inkomsten daaruit) is bijzonder groot. Dit heeft implicaties voor de faire verdeling van de financiering van de overheid, met name gezien inkomsten uit vermogen lager belast zijn dan inkomsten uit arbeid.
Ten tweede, een laag inkomen, met inbegrip van een inkomen onder de armoedenorm, staat niet steeds gelijk met een laag netto vermogen, met name onder ouderen. Dit noopt tot een verruiming van de wijze waarop we armoede meten en financiële behoeftigheid vaststellen. Het noopt ook tot verdere reflectie inzake de prioritaire middeleninzet van de sociale zekerheid en de welvaartstaat in het algemeen.”