Interview -

“We moeten minder werken” – Rutger Bregman

Rutger Bregman. Het is een naam die u waarschijnlijk al hier en daar zag circuleren op sociale media. Nauwelijks zesentwintig jaar jong, werkend voor De Correspondent en met al twee boeken op z’n palmares, weet Bregman een unieke stempel te drukken op het publieke debat in Vlaanderen en Nederland. Naar aanleiding van 1 mei had DeWereldMorgen.be een gesprek met Bregman over de toekomst van arbeid, vrije tijd en de verzorgingsstaat.

donderdag 1 mei 2014 11:36

Het interview vindt op zijn 21ste eeuws plaats.
Via Skype dus. Van zodra Bregman op het scherm verschijnt steekt hij van
wal over de verhouding arbeid, vrije tijd en vooral het belang van arbeidsduurvermindering.
Bregman heeft niet alleen de gave van de pen, maar ook die van het woord. Zelfs
via een af en toe haperende Skype-verbinding weet hij de toehoorder meteen mee
te voeren met pertinente, no-nonsense-analyses: 

“Er is iets vreemds gebeurd. Gedurende het grootste deel van
de twintigste eeuw hebben we gestreden voor minder werken en meer vrije tijd. Keer
op keer slaagden we erin economische groei om te zetten in meer vrije
tijd.  Maar het lijkt erop dat we dit
idee, ergens in de jaren tachtig, vergeten zijn. Er heerst nu een grote
consensus over het primaat van betaald werk: je moet en zal werken voor je
geld.  Zelfs bewegingen zoals de
vakbonden, die vroeger het voortouw namen in de strijd voor meer vrije tijd,
focussen tegenwoordig vooral op de strijd voor betaald werk.” 

“Economen en politici beschouwen vrije tijd niet langer als
iets wat hen aangaat. Maar volgens mij is het dat wel. Vrije tijd moeten we
koesteren omdat het een essentieel onderdeel uitmaakt van wat ik ‘het goede
leven’ zou willen noemen. Het zorgt ervoor dat we onszelf kunnen ontplooien,
dat we ons kunnen inzetten voor medemensen of voor zaken van publiek belang.” 

“Uit peiling na peiling blijkt dat het overgrote deel van de
mensen in de westerse wereld graag minder willen werken. Veel mensen zouden
zelfs wat koopkracht inleveren als ze daar meer vrije tijd voor in ruil
krijgen. Dat wil toch wat zeggen.” 

DWM: Tegelijk hoor ik de critici al roepen: makkelijk
zat om te pleiten voor meer vrije tijd terwijl de werkloosheid piekt. Is het
niet vooral essentieel dat mensen werk hebben? Moeten we niet vooral daarvoor
strijd voeren?
 

“Natuurlijk, er zijn genoeg mensen die snakken naar méér
betaald werk. Ging de twintigste eeuw nog om de herverdeling van geld, in deze
eeuw gaat het volgens mij veel meer over de herverdeling van tijd. Van mannen
naar vrouwen, van rijk naar arm en van overwerkte dertigers en veertigers naar
jongeren en ouderen.”  

“Zeker in tijden van crisis blijkt het herverdelen van
arbeidstijd, volgens recent onderzoek van de International Labour Organisation,
een erg nuttige en succesvolle praktijk. Natuurlijk is het geen wondermiddel – je
kunt niet zomaar een baan in stukjes hakken. Maar het lijkt me alvast veel
nuttiger dan mensen voortdurend proberen te activeren en te dresseren voor
banen die er toch niet zijn. Dat is een weg die nergens toe leidt.” 

“De geschiedenis zit trouwens vol met voorbeelden van
succesvolle arbeidsduurvermindering in tijden van crisis. Will Keith Kellogg
bijvoorbeeld, de stichter van de Kellogg Company die wereldberoemd werd door met cornflakes, experimenteerde tijdens de Grote Depressie met
arbeidsduurvermindering binnen zijn bedrijf. In plaats van werknemers te
ontslaan spreidde hij de arbeidstijd over zijn personeel en verkortte hij de werkdag
naar zes uur. Wat bleek? De werknemers werden productiever, er waren minder arbeidsongevallen
en een paar jaar later kon Kellogg zijn werknemers evenveel betalen voor zes
uur als eerst voor acht uur. Ook het sociale leven rond de fabriek bloeide op.” 

“Zeker in onze hedendaagse kenniseconomie denk ik dat het
noodzakelijk wordt om na te denken over minder werk en meer vrije tijd. Hoeveel
mensen blijven er iedere dag niet hangen op kantoor, een beetje doelloos
surfend op Facebook, omdat ze niet als eerste weg willen gaan? Mensen die hun
hersens moeten gebruiken op hun werk kunnen onmogelijk acht uur achter elkaar
productief zijn.” 

DWM: Hoe verklaar je dat we tegenwoordig net de omgekeerde
weg opgaan? In plaats van minder te werken, worden we voortdurend aangemaand om
net meer te werken. 

“Dat is een grote vraag. Het heeft te maken met een
ideologische verschuiving, die in de jaren tachtig is begonnen. Toen het beleid
van figuren als Thatcher en Reagan de nieuwe trend werd, kwam de nadruk te
liggen op het belang van economische groei. Zaken die niet op onmiddellijke
wijze bijdragen aan economische groei worden sindsdien als verspilling
beschouwd. Vrije tijd is daar natuurlijk het beste voorbeeld van. Vanuit het
perspectief van het bbp is al onze vrije tijd een grote verspilling.” 

“Maar het hangt ook samen met een ruimere, culturele
verschuiving. Tot diep in de negentiende eeuw werd hard werken geassocieerd met
armoede. Hoe harder je werkte, hoe armer je was. Arbeid stond op die manier ook
gelijk aan ellende en gewroet. Vrije tijd – of het tonen dat men over veel
vrije tijd beschikte – werd geassocieerd met rijkdom en was zodoende een
statussymbool.” 

“Nu is het eerder andersom natuurlijk. Hard werken is een
statussymbool geworden omdat het geassocieerd wordt met rijkdom en succes. Een
drukke agenda staat voor maatschappelijk aanzien. Te veel vrije tijd wordt dan
weer aangezien als een gebrek aan status. Het wordt op dezelfde lijn gezet als
luiheid.” 

DWM: Maar een deel van
de werknemers haalt toch voldoening uit arbeid? Betaalde arbeid is toch niet
per definitie iets dat we achter ons moeten laten?
 

“Dat is inderdaad een belangrijke nuance. Het is natuurlijk
zo dat de aard van de arbeid en onze arbeidscondities grondig gewijzigd zijn
sinds de negentiende eeuw. De arbeid die we verrichten is veel menselijker
geworden. Het is niet meer zo dat arbeid louter ellendig gewroet is. Onze jobs
zijn in veel gevallen een stuk leuker geworden: we kunnen er gedeeltelijk onze
creatieve energie in kwijt en ze zijn een groot deel van onze
identiteitsbeleving geworden. En juist daarom is werkloosheid ook zo’n ramp. Mensen hebben behoefte aan
werk. Niet alleen vanuit materiële noden, maar ook om zichzelf te ontwikkelen
en trots in het leven te staan.” 

“Maar, en dat is de cruciale kanttekening die ik maak, de
notie van werk moeten we veel ruimer invullen. Werk gaat in de eerste plaats
over nuttig bezig zijn, zinvolle activiteiten ontwikkelen waardoor een persoon
zichzelf en de gemeenschap rond zich verrijkt. Werk moet ten dienste staan van
het goede leven. Tussen werk dat ten dienste staat van het goede leven en
betaalde arbeid zoals wij die kennen, bestaat echter nog steeds een grote
spanning: veel nuttig of waardevol werk wordt tegenwoordig niet betaald.”

Oude reflexen

DWM: Je zou je ook kunnen afvragen in hoeverre het model
van loonarbeid nog houdbaar is voor de toekomst. We leven in een tijd
waarin het onderscheid tussen productie en consumptie steeds meer vervaagt en
er ontstaat inderdaad een discrepantie tussen betaalde en niet-betaalde arbeid.
Hoe zie je dat evolueren? 

“Ik vind het altijd gevaarlijk om uitspraken over de toekomst
te doen. Ik ben geen trendwatcher of zo, dat zijn sowieso oplichters. Ik kan
enkel zeggen waar ik hoop dat het naar toe gaat, en waar ik voor vrees. De twee belangrijkste manieren waarop rijkdom wordt verdeeld in onze samenleving
zijn de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Beide vormen van verdeling staan
onder druk. Wat de arbeidsmarkt betreft: het is duidelijk dat onze bepaling van
wat betaalde arbeid is te eng wordt en andere waardevolle, maar niet-betaalde vormen
van arbeid niet meerekent.”

“Daarnaast zien we ook dat de huidige arbeidsmarkt wordt
ondergraven door technologische evoluties. Een groot aantal jobs staan op de
helling omdat we erin slagen om steeds goedkoper en efficiënter te produceren.
Dat zal vooral een effect hebben op de middenklasse. Die zal verder uitgehold
worden.”

“We zitten dus gevangen in een paradox. Ons huidige
arbeidsmarktmodel zal volgens mij steeds meer onder druk komen te staan, maar
tegelijk zitten we met een cultuur die betaald werk voortdurend ophemelt.
Rijkdom wordt nog steeds gezien als het resultaat van hard werk, en armoede als
een resultaat van luiheid. Het bewijst hoe culturele denkbeelden volledig haaks
kunnen staan op structurele evoluties.” 

DWM: Maar ook de
sociale zekerheid faalt dus volgens jou als verdelingsprincipe?
 

“Volgens de manier waarop ze nu wordt vormgegeven wel ja. De moderne
verzorgingsstaat is betuttelend en vernederend en leidt bovendien tot een
armoedeval, het duwt mensen eerder dieper de armoede in dan dat het ze eruit haalt.
Het maakt te afhankelijk.”  

“Bovendien probeert de staat steeds meer voorwaarden te
koppelen aan die sociale zekerheid. Leefloners moeten bijvoorbeeld
vrijwilligerswerk gaan uitvoeren om aanspraak te kunnen maken op het leefloon.
Dat is al het geval in Nederland. Waar mensen op de arbeidsmarkt moeten laten
zien wat hun talenten zijn, zijn mensen in een uitkering voortdurend bezig om
te bewijzen dat ze wel ziek, depressief en ongeschikt genoeg zijn. Dat is
onhoudbaar en vernederend.” 

DWM: Wat is volgens
jou dan de oplossing?
 

“Ik pleit voor een basisinkomen. Een universeel basisinkomen,
wel te verstaan. Dat wil zeggen dat iedereen aanspraak maakt op een door de
staat gegarandeerd inkomen, onafhankelijk van het inkomen dat je daarnaast
hebt. Er mag dus geen middelentoets ingebouwd zijn. En het moet vrij zijn van
voorwaarden.” 

“Volgens mij sluit de universaliteit van het basisinkomen
beter aan bij het oorspronkelijke ideaal van de verzorgingsstaat. Het is
bijvoorbeeld veelzeggend dat iemand als Beveridge, de vader van de Britse verzorgingsstaat,
ook gekant was tegen een middelentoets. Dat ondermijnt namelijk de solidariteit.
Het is een oude linkse reflex om alles inkomensafhankelijk te willen maken. Dat
holt de verzorgingsstaat uiteindelijk uit. De middenklasse zal zeggen: wat heb
ik er dan nog aan?”

Links of rechts

DWM: Opvallend is dat
zowel ter linkerzijde als ter rechterzijde het basisinkomen verdedigd wordt.
Een neoliberale protagonist als Milton Friedman was bijvoorbeeld ook gewonnen
voor het idee.

“Klopt. Voor een belangrijk deel volg ik de libertarische
kritiek op de verzorgingsstaat ook. Het is een waarschuwing die je niet kan
naast je neerleggen. Volgens mij heeft de verzorgingsstaat inderdaad geleid tot
verregaande vormen van controle, staatsinterventie en een wildgroei aan
bureaucratie. Daarin schuilen zekere gevaren.”

“Kijk, tegenwoordig leven we in een erg betuttelend systeem
dat maar matig herverdeelt. Ik zou het omgekeerd willen zien. Een systeem dat
mensen niet permanent controleert en betuttelt maar wél stevig herverdeelt.
Volgens mij komt het basisinkomen aan die eis tegemoet. Op die manier
overstijgt het basisinkomen ook de traditionele dichotomie tussen links en
rechts. Vandaar dat er in beide kampen aanhangers te vinden zijn, maar vooral
veel tegenstanders in de huidige politiek.” 

DWM: Hoe positioneer
jij jezelf ten opzichte van de klassieke links-rechts opdeling?
 

“Ach, ik vind dat zowel links als rechts grotendeels blijven
steken zijn in de twintigste eeuw. Men komt al te vaak aandraven met recepten
die niet meer op de hedendaagse realiteit van toepassing zijn. Rechts pleit
bijvoorbeeld voor een bezuinigingspolitiek in Nederland, die ons een extra
recessie heeft opgeleverd, en de enige reactie van links hierop is om steeds
meer zaken inkomensafhankelijk te maken. Langs beide kanten wordt ook sterk
ingezet op een nodeloos streng activeringsbeleid, waarvan keer op keer is
aangetoond dat het niets oplevert of mensen soms zelfs nog langer werkloos
houdt.” 

“Een ander voorbeeld: links pleit doorgaans voor meer
belastingen, terwijl rechts net minder belastingen wil. Ik herken me in geen van
beide kampen. Waar ik voorstander van ben is een radicaal andere vorm van
fiscaliteit. We moeten de notie van belastingen zelf wegdrijven uit het
technocratisch discours. Het belastingstelsel, dat in feite een door en door
moreel stelsel is, zou opnieuw gepolitiseerd moeten worden. De leidraad daarbij
zou moeten zijn: belast waar je van af wil en stimuleer waar je meer van wil.
Vanuit die optiek houdt het bijvoorbeeld meer steek om te gaan naar een systeem
waarin kapitaal, grondstoffen en vervuiling veel zwaarder wordt belast en
arbeid veel minder. Maakt me dat dan links of rechts? Ik heb geen idee.” 

“Eén ding is wel zeker, als links zichzelf wil heruitvinden
dan zal het een nieuwe conceptie over het goede leven en de goede samenleving
moeten verkondigen. Een deel van het probleem is dat links verzeild is geraakt
in een heel technocratisch discours waarin idealen, een optimistisch mensbeeld en een utopische horizon ver te zoeken zijn.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!