Nieuws, Samenleving, België -

|Voorpublicatie| Waarom hervorming van het secundair onderwijs broodnodig is

Een voorpublicatie uit het boek “Het onderwijsdebat. Waarom de hervorming van het secundair broodnodig is”. De geplande hervorming van het secundair onderwijs was een zwaar agendapunt van de uittredende Vlaamse Regering, en zal dat ongetwijfeld na de verkiezingen blijven. Het debat over de hervorming is hevig – en soms te veel ‘vanuit de buik’ gevoerd geweest. Dit boek wil het meer diepgang geven.

dinsdag 29 april 2014 11:05

Een trein trekt zich op
gang in onderwijsland. Of hij goed zal rijden, valt af te wachten. Ook de
bestemming ligt nog niet helemaal vast. Zeker is wel dat de geplande hervorming
van het secundair onderwijs stof doet opwaaien. Opiniepagina’s worden volgeschreven, debatten laaien bij momenten hoog op. Onderwijs beroert. Daardoor haalt de
emotie het al eens van de rede, worden argumenten vervangen door slogans en
worden de grootste doembeelden van stal gehaald. Zo’n debat is zelden
productief.

Het Masterplan van de
Vlaamse Regering is het resultaat van lange en moeizame onderhandelingen,
waarbij heel wat weerstand geboden werd door behoudsgezinde groepen. We kunnen
dan ook moeilijk enthousiast zijn over de uitkomst van het compromis, maar we
beseffen tegelijk dat we deze historische kans niet mogen missen na de
mislukking van het Vernieuwd Secundair Onderwijs in de jaren 1970 en 1980. Het
is hoog tijd voor een hervorming, en zelfs voor een meer diepgaande hervorming
dan wat op de onderhandelingstafels is beslist.

Waarom hervormen?

Het onderwijs moet onze jongeren voorbereiden op de
gemondialiseerde, postmoderne, hoogtechnologische en superdiverse samenleving
van de 21e eeuw. Jawel, het Vlaams onderwijs behoort inzake kwaliteit tot de
wereldtop: de gemiddelde prestaties van onze leerlingen inzake wiskunde en
wetenschappen zijn uitstekend. Maar dat is niet genoeg. Het huidige secundair
onderwijs heeft vorm gekregen in de jaren 1950 en 1960, en is nog steeds op die
leest geschoeid. In die tijd studeerde een minderheid van de jongeren af met
een secundair diploma, en was het niet evident dat arbeiderskinderen
voortstudeerden. Vandaag beginnen twee op drie jongeren aan het hoger
onderwijs, maar vele jongeren sneuvelen omdat het secundair onderwijs hen daar
onvoldoende op heeft voorbereid. In de jaren 1950 steunde het gros van de Vlaamse
economie op een traditionele industriële productie, vandaag is die economie
gericht op kennisdiensten en spitstechnologie. Toch zijn technische en
wetenschappelijke richtingen op school nog steeds een ‘tweede keuze’.

In onze vergrijzende
samenleving wordt het demografisch evenwicht hersteld door migratie. Onze
steden worden superdivers, maar ons onderwijs heeft grote moeite met deze
heterogeniteit en multiculturaliteit onder de leerlingen. Ondanks enkele
verbeteringen is de prestatiekloof tussen de
autochtone en allochtone jongeren haast nergens zo groot als in Vlaanderen. Een
gigantische verspilling van talent en een sociale tijdbom.

DeWereldMorgen.be

Ook de afstand tussen de burger en het beleid wordt steeds
groter. Europa kampt niet alleen met de zwaarste economische crisis sinds de
Tweede Wereldoorlog, maar ook met een angstwekkende vertrouwenscrisis. Het
sociale leven wordt stilaan overwoekerd door marktwetten, en de zo geroemde
democratische Europese tradities worden ondermijnd door
ongelijkheid en machtspolitiek. In deze context studeert nog een groot deel van
onze jongeren af met onvoldoende burgerschapscompetenties, en zelfs met rancune
tegen de school en de samenleving. Dit werkt de crisis van de democratie in de
hand.

De ambitie van de
onderwijshervorming moet zijn om de goede kwaliteit van ons secundair onderwijs
te behouden, maar tegelijk een aantal kwalen weg te werken. 

Een langer
gemeenschappelijk curriculum

Andere westerse landen
opteerden al voor een langer gemeenschappelijk curriculum (het zogeheten
‘comprehensief onderwijs’). Zo’n onderwijs garandeert aan alle leerlingen de
nodige brede basisvorming vóór ze kiezen voor een bepaalde onderwijsvorm.

In de meeste
West-Europese landen (Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, het VK, Spanje) duurt
dat gemeenschappelijk curriculum tot op de leeftijd van zestien jaar. In
navolging van enkele succesvolle Noord-Europese landen (vooral Finland) opteren
wij voor een volledige comprehensieve eerste – en eventueel zelfs tweede graad.

Het Masterplan heeft gekozen
voor een minimale aanpassing, met een volledig comprehensief eerste jaar, en
een begin van oriëntering in het tweede jaar. De geleidelijke uitwaaiering van
een comprehensief naar meer gespecialiseerde curricula zou jongeren in staat
moeten stellen om later beter te functioneren op meerdere vlakken. Ze staat
jongeren toe om hun sterktes en interesses te ontdekken vooraleer definitief
een onderwijsvorm en studierichting te moeten kiezen. En om zich later
makkelijker te kunnen heroriënteren als ze dat wensen.

Waterval

Een tweede probleem is
het negatieve imago van het technisch en beroepssecundair onderwijs (TSO-BSO).
Werkgevers klagen steeds vaker over een tekort aan goed technisch geschoold
personeel. Dat is des te merkwaardiger omdat Vlaanderen één van de Europese
regio’s is met het hoogste aantal scholen voor technisch en beroepsonderwijs.

De huidige structuur van
ons secundair onderwijs is doelbewust opgevat als een ‘waterval’. Alle studierichtingen
bestaan in principe wel uit zes jaar, toch zijn de onderwijsvormen zowel qua
waardering als qua (gepercipieerd) niveau hiërarchisch gerangschikt, met ASO
als hoogste en BSO als laagste niveau. Het staat nergens op papier, maar
iedereen spreekt er zo over en handelt ernaar. De keuze voor technische of
praktische studierichtingen is in het oude systeem, jammer genoeg, meestal een
negatieve keuze.

De onderwijshervorming
wil de negatieve effecten van het watervalsysteem tegengaan, op twee manieren.
Vooreerst moet een ‘brede eerste graad’ ervoor zorgen dat alle leerlingen, ook
de minder sterken, dezelfde eindtermen halen aan het einde van het tweede jaar.
Dit maakt het mogelijk om in de tweede en de derde graad TSO en BSO aan te
bieden op een niveau dat meer gelijkwaardig is met het ASO. Dit sterkere TSO en
BSO zal ook sterkere leerlingen aantrekken, die op hun beurt het imago en de
competenties van de schoolverlaters uit deze onderwijsvormen zullen verhogen.
Bovendien krijgt technologische geletterdheid een meer volwaardige plaats in
het kerncurriculum van alle leerlingen, ten minste in de eerste graad. 

Traumatische studieoriëntering

Een derde probleem van
het oude secundair onderwijssysteem is dat de studieoriëntering voor vele
leerlingen traumatisch verloopt. Je kunt niet negeren dat het huidige BSO in
het algemeen ‘zwakker’ is dan het ASO. Na het ASO kun je vlot doorstromen naar
hoger onderwijs, terwijl dat na het BSO slechts moeizaam kan, en mits een jaar
extra scholing. B-attesten in het TSO, KSO of BSO leiden nooit tot een
heroriëntering naar het ASO, maar omgekeerd wel. De B-stroom (voor de zwaksten)
in de eerste graad leidt voor 90% naar het BSO, enzovoort.

Deze structuur is een
erfenis van de standenmaatschappij. Jongeren werden via een
systeem met objectieve niveauverschillen voorgeselecteerd in functie van hun
latere positie op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Bijgevolg kiezen ouders
natuurlijk eerst ‘zo hoog mogelijk’, en pas als dat misloopt voor het TSO of
BSO. Maar dat laatste betekent dan meteen voor hun kind een ervaring van
‘demotie’, een afdaling van de sociale ladder, een beperking van de toekomstmogelijkheden,
en dit op zeer jonge leeftijd (Pelleriaux, 2001).

Het stigma dat aan die
demotie kleeft, maakt dat jongeren zich zo lang mogelijk vastklampen aan het ASO, ook al zijn ze er
niet gelukkig. Een B-attest komt voor deze leerlingen over als een soort
veroordeling voor iets waar je (meestal) niet verantwoordelijk voor bent. Zo
ontwikkelen deze leerlingen gevoelens van futiliteit: ‘het doet er niet toe of
ik een inspanning lever, een betere bestemming is voor mij niet weggelegd’ (Van
Houtte en Stevens, 2010). In de puberteit kan revolte ontaarden in wrok tegenover
de school, en als een groot deel van de medeleerlingen die wrok koestert,
ontstaat een tegencultuur die in staat is om een onderwijsproces lam te leggen.
Daardoor wordt de waterval alleen maar dieper (Boone en Van Houtte, 2010). Het
wordt nog erger als die wrok zich keert tegen de samenleving en resulteert in
antipolitiek, xenofobie en ondemocratische attitudes (Kavadias en Derks, 2013).

De studieoriëntering op
latere leeftijd moet ervoor zorgen dat jongeren op het keuzemoment rijper en
weerbaarder zijn. En dat ze een beter zicht hebben op hun eigen belangstelling
en talenten. Als ook de niveauverschillen tussen de onderwijsvormen
verminderen, vervallen objectieve demotiegevoelens en wrok, en zullen positieve
keuzemotieven veld winnen.  

Inschattingsfouten

Een vierde vorm van ongewenste effecten van de vroege studieoriëntering is dat er meer
inschattingsfouten worden gemaakt. Jongeren uit lagere sociale milieus worden
ten onrechte minder bekwaam geacht zodat talent verloren gaat. Te veel kinderen
van twaalf worden zo definitief op een spoor gezet waar ze later spijt van hebben,
maar niet meer uit kunnen. Op 12-jarige leeftijd heeft een kind nauwelijks enig
zicht op de diversiteit en de inhoud van studiedomeinen en beroepenvelden. De
jongere is nog niet in staat om zelfstandig levenskeuzes te maken. Ouders en
leerkrachten doen dit in hun plaats.

Resultaat: uiteindelijk
blijkt de studieoriëntering op die leeftijd sterk samen te hangen met de
sociale (en etnische) herkomst van kinderen, eerder dan met hun talenten en
belangstelling. Internationaal vergelijkend onderzoek wijst uit dat de
studiekeuze weliswaar altijd sociaal bepaald is, maar minder naarmate ze op
latere leeftijd (bijvoorbeeld op 15- of 16-jarige leeftijd) gebeurt.

Het hervormingsdebat

Onderwijs is een veld in
beweging en dan is er altijd wel iemand die roept om te hervormen. Bovendien
vernieuwt dat onderwijs zich natuurlijk op permanente basis van binnen uit. Maar het idee dat het
Vlaams secundair onderwijs een grondige hervorming nodig heeft kwam in een
echte stroomversnelling in 2008. Op initiatief van toenmalig minister Frank
Vandenbroucke boog een commissie geleid door de onderwijsspecialist, ex-kabinetschef
en topambtenaar Georges Monard zich in alle stilte over het Vlaams secundair
onderwijs.

Het rapport Monard
getuigt van moed en daadkracht en vormde een startpunt voor het verder concretiseren
van de hervormingsplannen. Helaas werd deze blauwdruk nadien sterk afgekalfd.

Op 4 juni 2013 konden de
Vlaamse toppolitici een crisis nipt vermijden door een masterplan voor het
secundair onderwijs voor te stellen. De tekst is een héél voorzichtig plan, dat
vooral heel veel intenties en voorwaarden omvat dat de meeste betrokken partijen
slechts gematigd tevreden stelt.

Vastgeroeste vooroordelen wegen nog steeds op het huidige debat. We hebben
vandaag echter één groot voordeel in vergelijking met de poging van destijds:
we beschikken nu over een veel grotere ‘kennisbasis’, zowel wat succesvolle
hervormingen in andere EU-landen betreft als op het vlak van binnenlands en
comparatief onderzoeksmateriaal. Laat ons die kennis vooral benutten.

BOEKVOORSTELLING EN DEBAT

woensdag 7 MEI 19u30, ANTWERPEN UA campus | aud. R 008 | Rodestraat MET : Marleen Vanderpoorten (Open VLD), Kris Van Dijck (N-VA), Elisabeth Meuleman (Groen), Caroline Gennez (sp.a), X (CD&V). ORG. : OVDS, PRISMA, EPO

donderdag 8 MEI 19u30, HASSELT PXL Congress | Z. Pacioli | Elfde Liniestraat 23a MET : Jan Peumans (N-VA), X (Open VLD), Johan Danen (Groen), Joke Quintens (sp.a), Wouter Beke ov (CD&V). ORG. : PXL Hogeschool, EPO

donderdag 15 MEI 19u30, GENT Faculteit PPW | Henri Dunantlaan 2 MET : Rudy Coddens (sp.a), Koen Daniëls (N-VA), Ann Brusseel (Open VLD), X (Groen), Sarah Claerbout (CD&V). ORG. : OVDS, ACOD-Gent, EPO

Ides Nicaise, Bram Spruyt, Mieke Van Houtte, Dimokritos Kavadias

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!