(foto Raymond Clement)

Asociaal beleid: over Thatcher aan de Schelde

"Thatcher aan de Schelde", het boek van Jan Vranken, biedt een fundamentele kritiek op het type sociaal beleid waarvan Antwerpen een illustratie is, en van de kreupele theorie die eraan ten grondslag ligt. Het is verplichte lectuur voor iedereen die het met de samenleving goed voor heeft.

dinsdag 29 april 2014 15:50

In The
Roaring Nineties
beschrijft de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Economie
Joseph Stiglitz de ontwikkeling van een compleet losgeslagen financieel
kapitalisme in de VS onder Clinton. Het boek is grotendeels een zelfkritiek,
want Stiglitz was onder Clinton de man die het economische beleid van de VS mee
gestalte gaf. Dat beleid was ogenschijnlijk een succes: zoals we weten werd
niet enkel de huizenhoge openbare schuld afgebouwd, maar sloot Clinton zijn
ambtstermijn zelf af met een serieus financieel overschot – iets wat door G.W.
Bush bliksemsnel werd verkwanseld – en het land beleefde economisch gouden
jaren.

Die verbazende economische resultaten van
Clinton waren het gevolg van een zeer sterke begrotings- en fiscale discipline
en van wat later een economische bubble
bleek te zijn: fenomenale stijgingen van de aandelenkoersen dankzij een verregaande
deregulering van de geldmarkten, die het volume rijkdom in de VS althans op het
eerste zicht spectaculair deden toenemen.

Stiglitz kijkt met een uiterst kritische blik
terug op beide factoren. Vooral het stuk over de begrotingsdiscipline is interessant.
Om de economie van de VS na de kwade jaren onder vader Bush terug op de sporen
te krijgen, en om het stereotiepe beeld van de Democraten als tax and spend-politici tegen de gaan, koos Clinton
voor een drastische verlaging van de overheidsuitgaven. De theorie daarachter
was supply side-economie: het
verlagen van de publieke schuld zou belastingverlagingen mogelijk maken en zo
de private sector “zuurstof geven”, wat dan weer de tewerkstelling en de
algehele welvaart zou verhogen. Deze trickle
down-
theorie, hoewel enthousiast aangehangen door de Republikeinen en door
vele Democraten, was echter een mistgordijn, en Stiglitz maakt de volgende
opmerking (eigen vertaling):[1]

“Ze geloofden niet
echt in supply-side-economie, de
theorie dat belastingverlaging de economie zodanig zou aanwakkeren dat de
belastinginkomsten op termijn zelfs zouden stijgen. Integendeel: ze wisten dat
er tekorten zouden ontstaan, en ze hoopten dat deze tekorten verdere
besparingen in overheidsuitgaven zouden nodig maken. De echte agenda was dus om
de regering verregaand tot afslanking te dwingen – en aangezien Reagan enorme
militaire meeruitgaven had doorgedrukt en de subsidies aan ondernemingen
nauwelijks had verminderd, betekende dit dat er enorme bezuinigingen in andere
publieke voorzieningen zouden moeten doorgevoerd worden.”

Het argument dat besparingen de economie
zouden doen groeien was dus nonsens – Stiglitz toont overigens uitgebreid aan
dat dit effect er niet was – en dat het hoofddoel ideologisch was: het
reduceren van de laatste restjes van de New
Deal
in de VS – de enige periode van Big
Government
in de Amerikaanse geschiedenis van de twintigste eeuw – en
het scheppen van een overheid die uitsluitend moest zorgen
voor een ondernemings- en winstenvriendelijk economisch klimaat. Een grote
overheid die zich bekommert om het lot van werklozen en armen, een mate van
herverdeling van de welvaart nastreeft en in functie daarvan instellingen en
structuren opzet en financiert: dat alles staat in de neoconservatieve en
neoliberale logica immers gelijk aan een
speeltuin voor links
die welzijnswerk gebruikt als electorale basis. En
links kan men het best en meest duurzaam bestrijden door het zijn geld en
organisatie te ontnemen.

De gevolgen van die strategie, zo vervolgt
Stiglitz, waren op langere termijn desastreus. Want van zodra de bubble barstte – en dat moment kwam via
een aantal eerdere krampen tijdens de crash van 2008 – bleek de diepere
economische structuur van de VS daartegen niet bestand. Er was gedesinvesteerd
in onderwijs, infrastructuur en armoedebestrijding, de werkloosheid was hoog,
de middenklasse was financieel kwetsbaar en de verarming van grote delen van de
bevolking nam onrustwekkende afmetingen aan. De ideologisch gemotiveerde
besparingswoede had ervoor gezorgd dat de VS structureel verzwakt was en geen wapens had die een relance snel en
effectief konden opstarten. Die structurele schade was niet enkel sociaal van
aard, ze was tevens economisch van aard. Kapitalisme had zichzelf in de voet
geschoten.

Het sociale is economisch

Ik ben met deze lange illustratie begonnen om een aantal
punten aan te geven. Ten eerste: er is geen onderscheid tussen ‘economische’ en
‘sociale’ maatregelen. Elke economische maatregel heeft sociale gevolgen en
omgekeerd. Het ene op het andere laten primeren is dan ook, ik wik mijn
woorden, dom – concreet: de belangen van ‘economische’ actoren, (ondernemingen
en aandeelhouders in mensentaal) boven die van de rest van de samenleving
stellen zal directe sociale gevolgen
hebben en indirecte economische
gevolgen. Een toename van de ongelijkheid in een samenleving heeft een
belangrijk effect op de binnenlandse vraag: grote aantallen mensen consumeren
niet meer of anders, ze sparen niet meer, ze stellen belangrijke aankopen uit.
Op termijn schept dit systeem dus geen rijkdom, het bouwt rijkdom af.[2]

Ten tweede: het zal niemand ontgaan zijn dat
precies dezelfde theorie als die Stiglitz bekritiseert, door de EU als
panacee wordt gebruikt voor haar economisch en sociaal beleid. De
Maastrichtnorm verplicht alle landen tot constante besparingen, en daardoor tot
een graduele afbouw van de publieke voorzieningen en herverdelingsmechanismen;
de Eurocrisis heeft deze begrotingsdiscipline nog versterkt, met kolossale en
ongetwijfeld zeer langdurige effecten in landen zoals Griekenland. De EU legt
eenzijdig de nadruk op de belangen van de eerder vermelde ‘economische’
actoren, en betaalt daar een zeer hoge sociale prijs voor, en op termijn ook
een economische en een politieke. De EU begaat precies dezelfde vergissingen
als de Clinton-regering twee decennia terug; de gevolgen ervan zijn
eveneens identiek: een fundamentele aanslag op de diepere sociaaleconomische
structuren binnen de EU.

En ten derde: deze theorie is eveneens de
waarheid voor de N-VA in Vlaanderen; ze is het fundament van haar economisch en
sociaal beleid en ze leidt tot precies dezelfde effecten van verarming
en marginalisering. Het is die benadering die Jan Vranken op de korrel neemt in
zijn boek Thatcher aan de Schelde.[3]
Vranken belicht in dit boek het sociale beleid dat de Antwerpse coalitie onder
leiding van Bart De Wever en Liesbeth Homans heeft opgezet. Hij komt tot de
bevinding dat dit beleid bijzonder grote zwakheden vertoont en op termijn enkel
averechts kan werken: onder het mom van armoedebestrijding wordt de armoede
verbreed en verdiept.

In wat volgt ga ik dieper in op enkele van de
kernpunten uit het werk van Vranken. Men zal spoedig merken dat het boek geen ad hominem is tegen Homans, en nog
minder een partijpolitiek pamflet voor extreemlinks. Het boek is een
fundamentele beleidsanalyse die van belang is voor iedereen die het goed meent
met de samenleving.

Armoede is meer dan inkomen

Een eerste punt dat Vranken constant
beklemtoont in zijn boek is dat de bestrijding van armoede volstrekt
ontoereikend is wanneer ze zich louter toespitst op inkomen. Armoede is een
complex integratiefenomeen dat economisch-financiële aspecten inhoudt, ja, maar
evengoed psychologische – zelfbeeld en zelfvertrouwen, weerbaarheid – en
bredere sociale – de armoede van ouders zet een heel gezin gevangen in vaak
langdurende penibele situaties. Het bestrijden van armoede moet daarom – en
hier is de kern van Vrankens boodschap – een geïntegreerd beleid zijn dat ook
preventief werkt, curatief alle aspecten van armoede aanpakt, en bovenal
proactief de kansen op herstel uit
armoede
intact houdt.

Vanuit die brede visie op armoedebeleid
bekritiseert Vranken het beleid van het Antwerpse OCMW, dat eenzijdig rond
inkomen draait. Mensen die beroep doen op bijstand van het OCMW ondergaan een
diepgaand onderzoek naar hun bezittingen en inkomsten, en het bezit van een
woning of een wagen volstaat om steun van het OCMW geweigerd te zien. Alle
beschikbare middelen moeten eerst worden geliquideerd, en er mag geen
beschikbare steun van derden zijn om van bijstand te kunnen genieten.[4]
Dat klinkt evident, maar het houdt twee dingen in: (1) bijstand vanwege het
OCMW gaat in deze visie niet meer over een ruimer begrip van maatschappelijke
integratie, maar enkel nog over beschikbaar
geld
. (2) Het liquideren van alle mogelijke bezittingen in ruil voor een
zeer laag bijstandsbedrag verdiept de armoede en ontneemt mensen noodzakelijke
middelen voor een doorstart weg uit de armoede. Het verkoop van een woning is
een permanent verlies van
bezittingen, dat een tijdelijke staat van armoede eenvoudigweg verergert. Door
beroep te doen op het OCMW dreigt een tijdelijke toestand op die manier een
permanente toestand te worden, waaruit men nog moeilijk wegraakt: men moet
eerst nog wat armer worden vooraleer men in aanmerking komt voor steun. Een
beleid dat volkomen op beschikbaar inkomen – op geld – is gericht, is daardoor
kortzichtig en tegenstrijdig.

Hetzelfde motief domineert Vrankens kritiek op
de eenzijdige nadruk die het Antwerpse OCMW legt op tewerkstelling. Het gegeven is bekend – en ouder dan het N-VA-bestuur in Antwerpen: OCMW-steuntrekkers ondergaan een uiterst stringente
toeleiding naar werk. Men moet bewijzen aanreiken van een actieve zoektocht
naar werk om steun te behouden, en het weigeren van een werkaanbieding
volstaat om de uitkering verbeurd te zien. De arbeidsmarkt op – dat is het
enige beleidspunt in de armoedebestrijding. We zien dan ook een hele reeks
‘activeringsmaatregelen” in werking, gaande van stages en “artikel 60”-banen
tot en met – het nieuwe wapen – verplichte arbeid in ruil voor een uitkering.

Armen aan het werk?

Vrankens kritiek houdt verschillende aspecten
in. Er is ten eerste het probleem van beschikbare arbeidsplaatsen. Zowat
200.000 werkzoekenden moeten het stellen met zowat 20.000 beschikbare
vacatures; logischerwijze zal dan ook 90% van de werkzoekenden geen baan vinden, of men nu zeer actief
werk zoekt of niet.[5] De
economie produceert eenvoudigweg onvoldoende arbeidsplaatsen, en het is
opvallend hoe de economische relancemaatregelen die de N-VA voorstelt in alle
talen zwijgen over doelstellingen inzake tewerkstelling. Ondernemingen krijgen
fiscale geschenken, maar daar staat geen prestatie-overeenkomst tegenover
inzake het scheppen van nieuwe banen.

In zoverre er al banen worden geschapen. Dit
is Vrankens tweede punt, waarbij het om precaire banen gaat: kortlopende en weinig kwaliteitsvolle banen,
vaak in een interimstatuut, en zonder zekerheid op een vaste aanstelling, met
een laag tot matig loon, en zonder de rechten en voordelen die aan betere
contractuele overeenkomsten gehecht worden. Degene die keihard op jacht gaat
naar werk bevindt zich daardoor snel in een uiterst kwetsbaar gedeelte van de
arbeidsmarkt: de working poor die
geen beroep meer kunnen doen op bijstand maar tezelfdertijd niet rondkomen
met de geringe verloning op het einde van de maand.

Het derde punt waarop Vranken de nadruk legt
is het feit dat veel mensen in armoede gewoon geen kans maken op de reguliere
arbeidsmarkt. Hun kwalificaties en achtergrond zowel als de vaak complexe
sociale en psychologische problematiek waarmee ze te kampen hebben, maken hen
zeer zwakke kandidaten op een uiterst competitieve arbeidsmarkt – we kennen de
cijfers van de bottleneck inmiddels – die daarenboven steeds hogere eisen stelt
voor taken die tot voor kort door laaggeschoolde en laaggekwalificeerde mensen
werden uitgevoerd. Antwerpen heeft een zeer hoge concentratie van deze laatste.
Daarom is de kern van het arbeidsprobleem, volgens Vranken (p.116), als volgt
samen te vatten:

“De aangeboden jobs
zijn jobs voor hooggeschoolde werknemers. Naar ongeschoolde of lagergeschoolde
arbeid is er veel minder vraag, terwijl juist deze arbeidsbevolking in de stad
rijkelijk voorhanden is.”

Voor dergelijke probleemgevallen zijn enkel
publieke ingrepen afdoend: tewerkstellingsprojecten en sociale economie, die
dit segment van de arbeidsproblematiek zo veel mogelijk pogen te verzachten.
Nodeloos te zeggen dat dit geen optie is in het huidige beleid. Integendeel:
men kiest ervoor om net die kwetsbare populatie in een soort van strafsysteem
te duwen. De verplichte tewerkstelling – het “voor wat hoort wat”-verhaal dat
bijstand koppelt aan verplichte arbeid – is zowat de meest ontmenselijkende
ingreep in dit domein. De logica die hier domineert is dat zij die met
belastinggeld worden gefinancierd hun arbeid in ruil moeten beschikbaar
stellen.

Dit is dwangarbeid, puur en simpel, en in
zoverre het ervan uitgaat dat mensen door het simpele feit van dit soort arbeid
terug maatschappelijk geïntegreerd worden slaat nergens op. Bovendien blijkt de
ambitie om mensen toe te leiden naar de arbeidsmarkt hier plots niet meer te
gelden: er is een nieuwe niche op de
arbeidsmarkt ontstaan
, de verplichte arbeid-voor-steun. En cynisch genoeg,
zo merkt Vranken terecht op, worden deze dwangarbeiders ingezet voor taken die
zijn wegbezuinigd door de overheid: groenvoorziening, stadsreiniging,
onderhoud.[6]
Men schrapt banen om het ideaal van de slanke overheid te realiseren, en men
vult ze opnieuw met dwangarbeiders. Armoede wordt zo de opstap naar extreme
uitbuiting door de overheid, die
precies de plicht heeft dit te voorkomen.

De nadruk op tewerkstelling als enige weg uit
de armoede is dan ook volstrekt ontoereikend. Er is onvoldoende beschikbare arbeid; de beschikbare arbeid heeft
gegeven z’n precair karakter nauwelijks een emanciperend effect, en de ultieme
stok achter de deur maakt de overheid tot de Moeder Aller Uitbuiters. Wanneer
mensen werkloos zijn, dan lost deze eenzijdige aanpak dit probleem niet op.

De leugen van de vrije keuze

Impliciet in de argumentatie van Vranken over
het thema van armoede en arbeid is dat mensen
hun problemen niet zelf kunnen oplossen
. Ze hebben de steun van de
gemeenschap nodig, en niet omdat ze
foute keuzen hebben gemaakt in hun leven, de wil ontberen om hun eigen lot in
handen te nemen, of luie profiteurs zijn. Wel omdat de factoren die hen in de
marge duwen en houden volkomen buiten hun
eigen bereik liggen
. De wanverhouding tussen het aantal werkzoekenden en
het aantal beschikbare jobs zou moeten volstaan om dat duidelijk te maken:
zelfs indien men wil aan het werk gaan en daar alle mogelijke inspanningen toe
levert heeft men een kans van 10% op werk – ervan uitgaande, dan nog, dat men
over de vereiste kwalificaties en bekwaamheden beschikt voor die baan.

Het Antwerpse beleid inspireert zich graag op
het oeuvre van Theodore Dalrymple, en Vranken besluit zijn boek met een korte
bloemlezing van uitspraken van deze ‘deskundige’, wiens aanhang beperkt is tot
hen wier stereotypen over armoede hij in boekdelen heeft bijeengebracht.
Daartoe behoort, dat weten we, Bart De Wever, maar verder geen enkele ernstige
armoede-deskundige.[7] De
centrale these van Dalrymple is kinderlijk eenvoudig en volstrekt
tegengesproken door alle beschikbare empirische bevindingen; ze laat zich
samenvatten in drie proposities:

(1) armoede is in
wezen een zaak van karaktersterkte en morele kracht, met de juiste instelling
raakt elke arme weg uit de marge;

(2) een
welvaartsstaat verergert marginalisering omdat het “sentimenteel” is en de
armen verwent, zodat ze geen reden meer hebben om zelf hun leven recht te
trekken; (nodeloos te zeggen dat die “sentimentaliteit” hoofdzakelijk bij links
te situeren is);

(3) het beste
sociale beleid is een beleid dat de armen uit hun winterslaap schudt en
hen hun eigen verantwoordelijkheden doet opnemen.

Vranken, een man met uitzonderlijke
adelbrieven als deskundige van armoede en verarmingsprocessen in dit land,
wijst er net op dat armoede een zeer complex fenomeen is, niet te reduceren tot
een of een klein aantal factoren, en niet op te lossen met een enkel recept of
instrument. Nonsens zoals “er zijn kansen voor iedereen, je moet ze maar
grijpen” kan op bijzonder weinig geduld rekenen bij Vranken: er zijn geen kansen voor belangrijke
delen van de populatie die in armoede leeft, of als er kansen zijn is de toegang tot die kansen veel nauwer
voor mensen in armoede
dan voor anderen. Dat is nu net de reden waarom
armoede zich doorheen generaties kan voortzetten: de studietrajecten van
kinderen in een armoedsituatie zijn anders dan die van beter begoeden, hun
gezondheid is kwetsbaarder, de sociale netwerken die ze hebben zijn van een
andere aard, en zo meer. De wereld is
niet dezelfde voor arm en rijk
, en het volstaat niet te wijzen op
uitzonderlijke gevallen van rags to
riches
– iets wat Homans zelf graag uitspeelt – volstaan niet om dat te
weerleggen. Armoede is een structuur, een
eigenschap van het systeem
en niet van individuele mensen.

Een ondeskundig beleid

Wat dat betreft ergert Vranken zich aan het
anekdotisme dat het Antwerpse armoedebeleid domineert. Men luistert niet naar
deskundigen, men wijst tonnen degelijk onderzoek zonder boe of bah van de hand,
en in plaats daarvan wijst men op statistisch insignificante gevallen die
hetzij succes, hetzij de redenen tot falen moeten illustreren (en bewijzen). Deskundigheid is daarom niet
nodig. Homans gooit in haar uitspraken dan ook geregeld allerhande elementaire
onderscheiden door mekaar – sociale zekerheid en bijstand, bijvoorbeeld (zie
p.94-95). Ze neemt maatregelen die in strijd zijn met de wet (waarvan ze
toegeeft ze niet te kennen, maar ook aangeeft dat ze die irrelevant vindt).
Haar partijgenoten blijken evenmin gebukt te gaan onder een gedegen kennis van
zaken – denk aan de debatten over Nederlands in het onderwijs, en aan de wijze
waarop sociale zekerheid de laatste tijd is geherformuleerd als een
“verzekering”, eerder dan als het op solidariteit gebaseerde
herverdelingssysteem dat het is.

Vranken heeft in die zin bijzonder weinig
begrip voor een beleid dat voortdurend de misbruiken van de bijstand inroept om
het gehele systeem uit te hollen. In lijn met Dalrymple worden alle steuntrekkers gedefinieerd als profiteurs
en mogelijke fraudeurs, terwijl studies aantonen dat sociale fraude slechts 5%
van de gevallen omslaat. Daar tegenover staat een verbluffend cijfer, van
mensen die recht hebben op steun maar het
niet aanvragen
; 65% van de rechthebbenden genieten niet van steun, en dit
om uiteenlopende redenen, gaande van schaamte over een gebrek aan kennis van de
aanvraagprocedure, of het fout inschatten van de eigen nood. “Met andere
woorden”, zo besluit Vranken, “de sociale fraude ligt merkbaar lager dan de
onderbescherming” (p.91). En eerder dan een bataljon sociale inspecteurs de baan
op te sturen zou het OCMW zich beter bezighouden met de detectie van mensen in
nood die geen beroep op steun doen.

Een gebrek aan kennis van de samenleving in
het algemeen, van de sociaaleconomische structuur van de eigen stad, van de
methodieken van armoedebestrijding, van de sociale en culturele kenmerken van
mensen in armoede: dat alles plaagt het Antwerpse beleid. Terwijl het OCMW de
plicht heeft tot solidariteit en tot het bewaken van het bekende artikel 23 uit
de Grondwet – “iedereen heeft het recht op een menswaardig bestaan” – wordt het
ingezet als een bestraffend en disciplinerend systeem, erop gericht zo weinig mogelijk steun te verlenen aan
zo weinig mogelijk mensen, of zij hulpbehoevend zijn of niet. Zeker in tijden
van economische achteruitgang, zo argumenteert Vranken, is het OCMW
(letterlijk) van levensbelang voor grote groepen mensen. Die mensen bevinden
zich niet in nood omwille van keuze maar omwille van externe factoren. Ze
hoeven dan ook niet levenslang in hun “sociale hangmat” te blijven: armoede is
soms een tijdelijke conjuncturele toestand die zichzelf bij een heropverende conjunctuur
oplost. Tenzij, uiteraard, men de tijdelijke toestand misbruikt en omtovert tot
een permanente situatie. Maar dan heeft men niets, werkelijk niets, opgelost.

Het ruimere plaatje

Ik besluit met een beknopte contextualisering
van Thatcher aan de Schelde. Het boek
handelt uiteraard over het concrete beleid in een concrete omgeving: Antwerpen.
Maar onderliggend aan dat beleid ziet men de ruimere ideologische kaders die ik
bij aanvang van dit stuk aanhaalde: een kreupele theorie die ‘economische’
actoren vooropstelt en uitsluitend hun belangen dient, met verwaarlozing van
de grote aantallen slachtoffers die net daardoor gemaakt worden. Het doel van
deze theorie is een zo mager mogelijke overheid, die enkel nog uitgaven maakt
voor publieke veiligheid en repressie, en voor het overige als een soort
publieke administratie van private ondernemingen fungeert. In functie daarvan
schept men absurde beelden van de werkelijkheid en moraliseert men erop los,
liegt men en begaat men blunder na blunder. De minachting voor deskundigheid
inzake armoede die Vranken aanklaagt is het gevolg van een blind geloof in deze
theorie – Margaret Thatcher was daarvan een voorbeeld.

Vrankens boek levert een ruime reeks
waarschuwingen en argumenten die allemaal dezelfde richting uitgaan: het opzijschuiven van een degelijk en effectief sociaal en armoedebeleid is een
bijzonder zware prijs voor neoliberale en neoconservatieve theoretische
vergissingen, en het schept een probleem dat steeds minder makkelijk op te
lossen valt. Dit probleem gaat dus niet
weg
– Antwerpen zal met zijn armen blijven zitten. Dwangarbeid,
schrappingen van lijsten en schorsingen van steun zullen daaraan niets
verhelpen. Ze maken een bestaand probleem simpelweg erger en duurzamer.

Vranken spreekt in zijn boek als
wetenschapper, vanzelfsprekend, maar meer nog als betrokken burger. Op basis
van wat hij schrijft kan men moeilijk beweren dat hij niet het algemeen belang
voor ogen heeft – en als beleidsmens is zijn boek vlotter te lezen als een
aanmoediging en aansporing dan als een destructieve kritiek. Wie er dat laatste
in wil lezen geeft blijk van precies de problemen die Vranken omschrijft: een
minachting voor de realiteit en voor kennis daarvan, en een blind en onnozel
vertrouwen in het eigen gelijk, ook (of vooral) in het licht van een
overweldigende bewijslast van ongelijk. Het feit dat ook de federale regering dezelfde
theorie aanhangt – denk aan Maggie De Block – en ook de EU uit hetzelfde vaatje
tapt, biedt geen soelaas.

Het zal wachten zijn tot wanneer het armoedeprobleem
in Antwerpen ontploft in het gezicht van de beleidsmensen, en de machtsmiddelen
om het onder controle te houden uitgeput zijn. Hoe de stad uit een dergelijke
crisis weer tevoorschijn zal komen is niet te voorspellen. Maar redenen tot
optimisme zijn zeer zeldzaam.


[1] Joseph
Stiglitz, The Roaring Nineties: Why we’re
paying the price for the greediest decade in history,
p.47. London: Penguin
Books 2003.

[2] Het werk van
Thomas Piketty heeft in dit opzicht de bakens fundamenteel verlegd: Le Capital au XXIe siècle (Paris: Seuil,
2013). Ook het IMF is al geruime tijd zeer bezorgd over de toenemende
ongelijkheid, en dit om economische zowel als politieke redenen. Zie http://www.imf.org/external/np/fad/inequality/

[3] Jan Vranken, Thatcher aan de Schelde. Berchem: EPO
2014.

[4] Zie Vranken p.94-98. Homans ontkende dat steunaanvragers hun wagen
moeten verkopen om bijstand te ontvangen. Voor een feitelijke weerlegging daarvan
zie http://community.dewereldmorgen.be/blog/dirkvanduppen/2014/04/27/homans-tatcher-aan-de-schelde-en-de-auto-van-een-leefloontrekker

[5] In Antwerpen
zelf zijn de cijfers nog problematischer: “Tegenover minder dan 4000 vacatures
staan bijna 50.000 mensen die werk zouden moeten vinden” (Vranken p.111).

[6] Vranken (p.111)
maakt melding van 550 geschrapte banen onder het bestuur van Patrick Janssens
in Antwerpen.

[7] Een goed boek
over deze stereotypen en hun beleidsimpact is Owen Jones, Chavs: De demonisering van de Britse arbeidersklase. Berchem: EPO,
2011.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!