Pleidooi voor nieuw realisme inzake diversiteit

Pleidooi voor nieuw realisme inzake diversiteit

De drie auteurs van het boek ‘Superdiversiteit en democratie’ komen niet onbeslagen op het supergladde ijs van wat tegenwoordig de superdiverse samenleving wordt genoemd.

dinsdag 22 april 2014 09:01

DeWereldMorgen.be

Vanuit hun achtergrond als
bewoner/gebruiker en als onderzoeker kunnen zij zowel uit het
wetenschappelijke vaatje tappen als uit de ervaringen van hun
dagelijkse leefwereld.

Dit boek is zoals
het andere boek “Superdiversiteit” van Dirk Geldof een zoektocht
naar bruikbare kaders, die mensen in de praktijk kunnen inspireren
bij het omgaan met de veranderingen die superdiversiteit met zich
meebrengt. Zij gaan een stapje verder en leggen de eigen sociale
habitat als case study op hun analysetafel.

In Brussel leven
174 nationaliteiten, in Antwerpen 168 en in Gent 160. Het is niet zo
dat slechts ‘enkele mensen’ per nationaliteit in ons land
verblijven. Zeker de grote steden veranderen in snel tempo tot
superdiverse steden. Lees er Hans Vandecandelaere ‘In Brussel’
maar eens op na.

In Brussel heeft
67,9 procent van de bevolking een buitenlandse stamboom, in Antwerpen
39,7 procent, in Mechelen 27,3 procent en in Gent 26,3 procent.

Empirisch gezien is de ‘Vlaamse samenleving’ in de zin van ‘één
volk, één natie, één taal en één cultuur’ een fictie, in
tegenstelling met het promotiefilmpje van het Antwerpse stadsbestuur
dat overwegend witte mensen in beeld brengt. Superdiversiteit is
vandaag de norm. Dat is het nieuwe maatschappelijke paradigma volgens
de drie auteurs.

Is dat nu ‘super’
in de zin van ‘supertof’? Neen, zeggen de auteurs, die pleiten voor
een nieuw realisme inzake diversiteit, maar het is wel een
voorsmaakje van de wereld van morgen. Vandaar ook het centraal thema
van dit boek: de complexiteit van diversiteit met de bedoeling een
kader aan te reiken om die nieuwe realiteit verstaanbaar te maken.
Dat is ook wat Dirk Geldof in “Superdiversiteit” onlangs
geprobeerd heeft. Hij wordt, enigszins tot mijn verbazing, niet
vermeld door de auteurs van dit boek.

Zij vertrekken –
waarschijnlijk geïnspireerd door mede-auteur Jan Blommaert – van
de methode van het taalkundig landschapsonderzoek waarin taal als een
inherent onderdeel van onze fysieke omgeving wordt bekeken. Ze doen
echter meer: ook etnografische methodes worden ingelast.

Daardoor wordt het
boek een ambitieuze oefening wordt waarin antropologische,
historische, sociologische, socio-linguïstische, filosofische en
politieke invalshoeken op elkaar betrokken worden. De drie auteurs
nemen elk een superdiverse straat voor hun rekening waarin ze zowel
gebruiker, bewoner, belanghebbende als onderzoeker zijn.

Joachim Ben
Yakoub, stafmedewerker beeldvorming en diversiteit bij de Pianofabiek
in Brussel stelt de Fortstraat in Sint-Gillis voor, Ico Maly, doctor
in de cultuurwetenschappen en coördinator van Kif Kif neemt de
Gentse Wondelgemstraat voor zijn rekening en Jan Blommaert,
hoogleraar taal, cultuur en globalisering, buigt zich over zijn
Berchemse Statiestraat.

Ze kregen ook ondersteuning van twee Kif
Kif-stagiairs, de Schotten Steven Clark en Missale Solomon, die per
straat met veertig bewoners gesprekken voerden aan de hand van een
vragenlijst over religie, taalgebruik en herkomst. Dat is het
onderzoek naar het urbane’ landschap’ dat tevens de wel zeer
concrete draagkracht geeft aan dit boek.

De Berchemse
Statiestraat

Ik focus even op
de Berchemse Statiestraat omdat ik die straat als Antwerpenaar het
best ken en omdat ik als auteur van het boek ‘Groeten uit
Borgerhout’ (en als Oud-Borgerhoutenaar) kan vergelijken met het
leven op de Turnhoutsebaan.

De
Statiestraat-Driekoningenstraat is de centrale as van de buurt
Oud-Berchem, die doorgaans omschreven wordt als een arme en
onleefbare concentratiebuurt. Bewoner Jan Blommaert constateert
echter dat de buurt een opmerkelijk samenhangend karakter vertoont.
Hij gaat dan ook met de vraag op stap hoe het komt dat zo’n diverse
buurt die zo’n concentratie kent van reële en potentiële
problemen toch ‘leefbaar’ is. Blommaert onderscheidt
verschillende soorten van bewoners: in historische volgorde eerst de
oude ‘allochtone’ populatie die tot de arbeidersklasse behoort.

Vanaf de jaren 1970 kwam een forse migrantengroep van overwegend
Turkse ‘gastarbeiders’ zich daar ook vestigen en in de jaren
negentig trokken jonge, hoogopgeleide  tweeverdieners naar die
buurt waar toen nog betaalbare woningen konden worden verworven.
Daarbovenop kwam later een eerste golf van superdiverse migranten van
overwegend Oost-Europese, Afrikaanse en Poolse origine, die nog
versterkt werd door clandestiene transmigranten die de buurt
gebruiken als tussenstop naar elders. Naast de buurtbewoners zijn er
natuurlijk de buurtgebruikers, meestal allochtone bedienden op weg
naar het spoorwegstation.

Wat is het visuele
resultaat van dat alles? De superdiverse transitmigranten scheppen
een behoefte aan goedkope winkels, ook aan voorzieningen voor een
cliënteel zonder vaste verblijfplaats. De
Statiestraat-Driekoningenstraat telt daardoor een hoog aantal dag- en
nachtwinkeltjes, uitgebaat door leden van die migratielaag, die
goedkope producten per stuk verkopen.

Ook goedkopere ketens zoals
Wibra, Zeeman, Kruidvat en Blokker hebben er vestigingen. De buurt
kent ook een grote concentratie van restaurantjes en andere sociale
ruimten en vertoont volgens Blommaert een grote dynamiek in het
inspelen op nieuwe bevolkingsgroepen. Het is ook opvallend dat de
nieuwe evangelische kerken sterk inzetten op die nieuwe
bevolkingsgroepen. In Oud-Berchem, een stationsbuurt, is dat niet
anders.

De wekelijkse instroom van honderden Afrikaanse kerkgangers
leidde snel tot het opstarten van een tweetal Afrikaanse
kruidenierszaken en het zelfde gebeurde met de Braziliaanse
kerkgemeenschap: binnen de kortste keren kwam er een Braziliaanse
superette. Blommaert benadrukt dat wat hij het oecumenisch Nederlands
noemt (taal ‘met haar op’ maar begrijpelijk) de voertaal is in de
buurt, gebruikt door vrijwel alle taalgroepen.

Superdiversiteit heeft
volgens hem geleid tot het versterken van de rol van het Nederlands,
niet van het verzwakken ervan. Oud-Berchem is uitgegroeid tot een
heel ‘leefbare’ buurt. Blommaerts verklaring: ‘Dat is niet
dankzij de individuele attitude van de buurtbewoners. Dat is dankzij
een effect van structurele aard: convivialiteit in het algemeen
belang van de buurt. Als we deze buurt willen laten werken dan moeten
we ons conviviaal opstellen tegenover de anderen.’ (p. 144)

Borgerhoutse
Turnhoutsebaan

Volgens Blommaert
doet zowat iedereen er zaken met iedereen en zijn er meer
gemeenschappelijke dan gesegregeerde plaatsen. De inschatting van de
ontwikkelingen in ‘mijn’ Turnhoutsebaan is minder positief op het
vlak van convivialiteit. Deze as balanceert tussen openheid en
geslotenheid. Enerzijds is de Turnhoutsebaan bekend tot in het
buitenland.

Daarvoor zorgt natuurlijk De Roma voor die mensen van
overal aantrekt. Waarschijnlijk is de komst van Rataplan naar de
Turnhoutsebaan het beste wat Oud-Borgerhout de laatste jaren is
overkomen. Anderzijds is de Turnhoutsebaan voor een stuk een naar
binnen gekeerd dorp, waar in plaats van convivialiteit in  zijn
breedste betekenis eerder vormen van gesegregeerd leven blijven
voortbestaan en waar men vaak ‘meer van hetzelfde’ in de vorm van
pizzatenten, vis- en nachtwinkels, theehuisjes en bakkers aantreft.
De theehuisjes en de vzw’s met melancholische mediterrane namen –
en vaak ook klanten – staan open voor iedereen, maar worden in de
praktijk alleen bevolkt door mensen – mannen – van overwegend
Marokkaanse origine. Hetzelfde kan gezegd worden van goedbedoelde
initiatieven om ‘iedereen’ in Oud-Borgerhout op een gezellige
manier bij elkaar te brengen. In de jaren negentig hebben wij met een
enthousiast bewonerscollectief vanuit die optiek café Apropoo aan
het Krugerpark uit de grond gestampt, dat nu onder de naam Bar Leon,
samen met café Mombasa in Oud-Borgerhout, de place to be is geworden
van overwegend jonge tweeverdienende gentrifiers.

De ontwikkelingen
aan het Krugerpark die ik in mijn boek beschreef gaan in dezelfde
richting. Uit de getuigenissen van mijn gesprekspartners blijkt dat
het Krugerpark in de voorbije jaren onmiskenbaar een gepacificeerde
groene zone is geworden, maar dat de communicatie tussen de
verschillende gebruikers van die publieke ruimte vooralsnog zeer
beperkt blijft. De scheiding der geesten is nog lang niet overbrugd.
Dat is de mantra die ik enkele jaren geleden zowat overal gehoord
heb.

Zoals Jan
Blommaert en zijn co-auteurs aangeven gaan de ontwikkelingen naar
superdiversiteit supersnel en dat geldt natuurlijk ook voor
Oud-Borgerhout, dat ook meer en meer overstroomd wordt door
nieuwkomers van diverse origine. Toch blijft het, ook vijftig jaar na
de migratiebeweging overwegend vanuit het Rifgebergte de facto toch
ook een Marokkaanse enclave die haar numerieke stempel blijft drukken
op de omgeving waardoor het superdiverse karakter, zeker ook
aanwezig, minder zichtbaar wordt. Meer onderzoek naar het reilen en
zeilen op en rond de Turnhoutsebaan, in de lijn van ‘Superdiversiteit
en democratie’ lijkt mij zeker gewenst.

De wijk in de
wereld

De straten die de
drie auteurs beschrijven, en zeker ook de Turnhoutsebaan, geven de
snel veranderende hartslag aan van wat de Canadese journalist Doug
Saunders in zijn boek “De trek naar de stad” arrival cities of
‘steden van aankomst’ noemt.  Zoals de planoloog Jeb
Brugmann (“De stad 2.0, hoe steden de wereld veranderen”)
vertrekt Doug Saunders van het uitgangspunt dat de stad de plaats is
waar alles kan veranderen als het maar goed wordt aangepakt. ‘Steden
van aankomst’ zijn volgens Saunders ‘overgangsruimtes waar de
grote economische en culturele hausse zich zal voordoen, of waar de
volgende grote geweldsexplosie zal plaatsvinden’ Wat hij ‘steden
van aankomst’ noemt, komt op de wereld voor onder verschillende
benamingen: als de sloppen, favela’s, bustees, bidonvilles,
ashwaiyyat, shantytowns, kampongs, urban villages, gecekondular en
barrio’s van de ontwikkelingslanden, maar ook als de
immigrantenwijken, etnische buurten, banlieus difficiles,
Plattenbau-wijken, chinatowns, Litte India’s, Hispanic Quarters,
sloppenwijken,slums en migrant suburbs van de rijke landen, die zelf
jaarlijks twee miljoen mensen uit de ontwikkelingslanden opnemen –
hoofdzakelijk dorpbewoners.

Saunders
onderscheidt vier belangrijke functies van de stad van aankomst: de
eerste is de vorming en instandhouding van een netwerk dat het dorp,
de stad van aankomst en de gevestigde stad met elkaar verbindt. In de
tweede plaats fungeert de stad van aankomst als toegangsmechanisme.
In een proces dat bekend staat als ketenmigratie haalt de stad van
aankomst niet alleen mensen binnen, door te voorzien in goedkope
huisvesting en in hulp bij het vinden van banen aan de onderkant van
de arbeidsmarkt, maar maakt hij ook mogelijk dat er een volgende golf
nieuwkomers arriveert: de stad van aankomst stuurt geld naar het dorp
en voorziet dit van elementair krediet. In de derde plaats fungeert
de stad van aankomst als stedelijk vestigingsplatform: hij voorziet
in ‘zwarte’ middelen die de migrant uit het dorp in staat stellen
om, nadat hij geld heeft gespaard en onderdeel van het netwerk is
geworden, een huis te kopen. In de vierde plaats voorziet een naar
behoren functionerende stad van aankomst in een traject van sociale
mobiliteit naar de sociale middenklasse of de gelederen van de
gesettelde, bezittende klasse van geschoolde arbeiders met vast werk.

Dat laatste
kenmerk neemt een belangrijke plaats in in het denken van Saunders.
Volgens hem moeten niet alle steden van aankomst per definitie arm
zijn. Naarmate het leven in deze ‘enclaves’ beter wordt en er een
migrantenmiddenklasse tot ontwikkeling komt, krijgen ze een
magnetische aantrekkingskracht op mensen die uit de drukke binnenstad
wegtrekken en vormt zich er een eigen welgestelde middenklasse. Dat
laatste fenomeen vermeldt ook Jan Blommaert voor de Statiestraat
waarin hij voornamelijk de Turkse ondernemers vermeldt, die dankzij
een opwaartse spiraal uit de marginaliteit waarin ze decennia lang
vastzaten loskomen. Op de Turnhoutsebaan doet zich dat fenomeen ook
voor, maar in veel zwakkere mate.
 

Van Berchem naar
Bolivia

Vanuit hun breed
opgevat taalkundig landschapsonderzoek houden de auteurs ook sterk
rekening met de fysieke ruimte die voor hen ook een sociale,
culturele en politieke ruimte is: ‘een ruimte die zaken aanbiedt en
mogelijk maakt, die aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag,
daartoe uitnodigt en dat gedrag voorschrijft of net verbiedt’ (p.
9) En vooral: ‘Elke ruimte is een machtsruimte, die gecontroleerd
wordt door sommige mensen en dus ook  sommige mensen
controleert.’ (p. 10) Zij benadrukken ook dat steden meer en meer
polycentrisch worden, dat er niet één centrum is in een stad of in
een wijk. Dat kan op termijn zeer belangrijke
politieke repercussies hebben.

Dat
is onder meer gebleken in een land als Bolivia waar El Alto, de
bovenstad van La Paz, een belangrijke rol gespeeld heeft in het aan
de macht komen van Evo Morales.  El Alto ontstond en ontwikkelde
zich volgens de logica van de verwaarlozing, die eigen is aan de
bidonvilles van alle wereldsteden. El Alto is de smeltkroes waar een
nieuw Bolivia aan het ontstaan is. Er wordt vaak een apart taaltje
gesproken dat aymarallano wordt genoemd, een mengvorm tussen Aymara
en Castellano of het standaard Spaans. De inzet zijn de
‘nieuwkomers’  – zeg maar liever aangespoelden – die zich
via een moeizaam inburgeringsproces een nieuw bestaan proberen te
verwerven in hun ‘land van aankomst’, dat alles behalve een
Shangri-la blijkt te zijn.

El
Alto is zeer duidelijk polycentrisch gegroeid: de stad heeft geen
afgebakend centrum, ze is eerder een soort van netwerkstad met
verschillende kleinere centra. Die plaatselijke centra zijn op een
horizontale manier met elkaar verbonden en hebben het ontstaan van
nieuwe sociale bewegingen, die aan de invloed van de traditionele
partijen konden ontsnappen, mogelijk gemaakt.

Toekomstgericht
denken

Het
adagio “stadslucht maakt vrij” is van alle tijden en continenten.
Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in steden. Dat is voor
het eerst in de geschiedenis. Tegen 2040 zal ongeveer twee derde van
de mensheid in een verstedelijkte omgeving wonen. Op
wereldvlak ziet het er naar uit dat de sociale, culturele en
economische geografie van een land er binnenkort een zal zijn van met
elkaar verbonden stadgewesten. Steden beginnen stilaan de staat te
verdringen in de politieke ruimte.

Met
die superdiversiteit die overal doordringt kan het sociaal en
politiek echter alle richtingen uitgaan. Het is dan ook zeer
belangrijk, zo stellen de auteurs, dat de overheid leert omgaan met
veranderlijkheid, met superdiversiteit. Dat gebeurt niet in
Vlaanderen. ‘Het beleid vertrekt vanuit de premisse dat we allemaal
sedentaire burgers zijn met een leven dat zich uitsluitend in
Vlaanderen afspeelt. Een dergelijk beleid is compleet onaangepast aan
de realiteit van vandaag. Die realiteit vraagt een beleid en
structuren die elastisch zijn.’ (p. 166). Op het einde van zijn
verhaal over de Gentse Wondelgemstraat verwijst Ico Maly met
instemming naar de Gentse overheid die in de wijken een stimulerend
beleid voert, terwijl Blommaert daar voor Antwerpen geen melding kan
van maken. Hoe zou dat komen?

Ico
Maly eindigt zijn bijdrage over de Wondelgemstraat met de wijze
woorden: ‘Het is in zo’n wijken dat we moeten experimenteren om
met deze veranderende wereld om te gaan. Het is in deze wijken dat we
voor het eerst geconfronteerd worden met de toekomst. Hoe die
toekomst er zal uitzien, dat bepalen we voor een groot deel zelf.’
(p. 124)

Walter
Lotens

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!