Brusselse fietsguerilla (foto Daphne Van den Blink)
Analyse - Karel Arnaut

De heruitvinding van Brussel als nieuwsamengestelde gemeenschap… vanuit het middenveld

Professor Karel Arnaut (KUL) blikt terug op het recente debat naar aanleiding van het schietincident in Brussel. Wie Brussel succesvol wil heruitvinden, zal volgens Arnaut allienties moeten aangaan. En die kunnen niet slagen als de groeiende ongelijkheid, de segregatie en het racisme in de hoofdstad niet aangepakt worden.

maandag 14 april 2014 10:32

Intro – het voorval

Het stof is reeds
een tijdje gaan liggen in de discussie over Brussel naar aanleiding van een
schietincident in Molenbeek op oudejaarsavond. Het debat ving aan met een
opiniestukje van een huisgenoot van het slachtoffer, VRT-journaliste Frederika
Del Nero (DM 4/1/14), en kwam in een stroomversnelling met een getuigenis van
een andere VRT-journalist, Riadh Bahri, zowel op tv (Reyers Laat 6/1/14) als in
de krant (DM 7/1/14). Deze onstuimige media-interventie verlegde de discussie
van criminaliteit en onveiligheid naar ‘allochtonen’, hun vermeende
verkeersagressie en hun homobashing.

Daarop ontplofte
het debat. Eerst met een vlijmscherpe tegenstoot vanuit Antwerpen (Samira
Azabar DWM 7/1/14), gevolgd door oproepen allerhande: voor meer nuance en
koelbloedigheid (Ans Persoons in DS 8/1/14; Yamila Idrissi in DM 8/1/14), voor
meer stedelijke zelfredzaamheid (Joost Vandecasteele in DS 8/1/14), en voor het
verleggen van de focus van criminaliteit naar de socio-economische problematiek
die hier werkelijk speelt (Bleri Lleshi in DS 9/1/14 en Guido Fonteyn in DS
11/1/14). Als uitsmijter bezorgde Douglas De Coninck (11/1/14) een scherp en
schamper stuk over het wat lullige beeld van ‘Vlamingen’ bij heel wat Brusselse
jeugd en hoe hij daarmee omspringt.

Dat alles lijkt
genoeg gepalaver voor wat Fonteyn een zoveelste ‘strovuurdiscussie’ noemt. Toch
denk ik dat er meer uit te halen valt. Vanuit een terugblik op het januaridebat
kijkt dit essay vooruit naar de onvermijdelijke heruitvinding van Brussel
waarin de aanstaande mei-verkiezingen een rol kunnen spelen op voorwaarde dat
ze in de aanloop en het resultaat de polsslag van het middenveld voelen.

Expositie – de grote lijnen

Drie
eigenschappen van dit rijke debat zijn het vermelden waard. Ten eerste was het
intensief,  doorleefd, hoogoplopend, vaak
heel erg persoonlijk, met flink wat ervaringsdeskundigen – ‘Brusselaars’ – op
het appel, terwijl de wetenschappelijke expertise opvallend afwezig, zo niet
afzijdig bleef. Veel kwam terecht in de sociale media (ik volgde enkel vanuit
Facebook) in de vorm van citaten uit de opiniestukken, voorzien van bedenkingen
en fatische gestes.

Het was  een heel
persoonlijk debat, met eigen getuigenissen of opmerkelijke ervaringen van
familie en vrienden, met statements allerhande over de eigen straat en buurt – De
Morgen
markeerde zelfs op een kaart van Brussel waar de opiniemakers
precies vandaan kwamen. Al bij al was het een luidruchtig, soms wat rommelig
maar daarom niet minder instructief forum, van bedreigde belonging,
optimisme over de stedelijke toekomst, en flink wat streetwise
realiteitszin.

Ten tweede viel
op hoe uitspraken vaak op een nogal smalle feitelijke basis rustten. Qua
dungezaaide feiten en halsbrekende inferenties werd de toon gezet door Riadh
Bahri, toen hij moeiteloos de sprong waagde van een geweldpleging, waarover zo
goed als niets bekend was, naar Marokkaanse jongeren als impliciete
aanstichters. Maar hij was zeker niet de enige.

Bart Eeckhout (DM 8/1/14)
bijvoorbeeld voerde aan dat Brussel veeleer een “stadsplanner” nodig had dan
een omhooggevallen analist als Bahri. Ook dat is zowel institutioneel als
politiek-democratisch scherp door de bocht – Brussel (Stad noch Gewest) kan amper
de moed opbrengen om een stadsarchitect aan het werk te zetten en te houden,
laat staan een ware Hausmann carte blanche te geven.

Tot slot viel op
hoe persoonlijke intensiteit en empirische bevlogenheid vaak hand in hand de identitaire
toer opgingen. Posities in het debat werden niet enkel ingenomen op basis van
opinies, maar vaak door gebruik te maken van identitaire termen. Met name
speelde zich heel wat af rond de tegenstelling tussen ‘Brusselaars’  en ‘Vlamingen’ of een hybride, blijkbaar
verdachte categorie van ‘Dansaertvlamingen’ of ‘Brusselse Vlamingen’, één keer
ook als ‘inwijkelingen’ ontmaskerd (Anaïs Maes in Brusselblogt 16/01/14).

We
kunnen best het Vlaams-Brussels identiteitswerk dat hier geschiedt niet
onderschatten, denk ik, temeer omdat het wel vaker opduikt in verwante debatten
over bijvoorbeeld stedelijkheid, kosmopolitisme en diversiteit. Maar daarmee
zitten we al te wroeten achter de frontlinies van het debat, iets wat ik nu
meer systematisch wil gaan doen voor de verschillende eigenschappen van het
debat.

Reprise – in de schaduw van de grote lijnen

Het passionele
karakter van het afgelopen debat mag ons niet blindmaken voor wat er voor kwam
en er mogelijks na komt. De alertheid waarmee tientallen mensen reageerden, de
mate waarin ze zinnige bespiegelingen en voorstellen formuleerden, doet
vermoeden dat hier denkwerk aan vooraf is gegaan.

Sommige participanten, zoals
Joost Vandecasteele, herinnerden zich nog het vorige ‘Brusseldebat’, terwijl
anderen sindsdien niet hadden stilgezeten en stilzwijgend of luidop hun
inzichten hadden getoetst aan het chronisch grootstedendebat van de laatste
jaren – chronisch in de zin dat het bij momenten razendsnel van slaapmodus in
hyperactiviteit overschakelt. Tot zover de preconditie die eigenlijk al iets
aangeeft over de nawerkingen en effecten van vorige Brusseldebatten: meer dan
van echo’s of nasmaken is er meest waarschijnlijk sprake van sedimentering en
netwerkvorming.

Sinds het vorige
debat zowat twee jaar terug zijn er een aantal Brusselse Facebookgroepen en
blogs bijgekomen die vaak gerelateerd zijn aan real-life vluchtige initiatieven
of jonge organisaties. Een voorbeeld is de Facebookgroep Avenue Picknik Laan die fungeerde als locus van mobilisering voor
de succesvolle Picnic the streets-acties
van de afgelopen twee jaar.

Een ander voorbeeld is de blog Bruxselsfuture, ondergetiteld “Le blog d’Yvan Vandenbergh, citoyen
bruxellois engagé, passionné par l’avenir de notre Ville-Région” of de
Facebookgroep Le Club des Bruxellois
die zichzelf voorstelt als:

“un club pour tous ceux qui
affirment l’identité bruxelloise, die geloven in het Brusselgevoel and are
willing to build this city together.”

Deze groep wordt
geleid door Geert Cochez, VUB-urbanist en samen met emeritus Eric Corijn
aanvoerder van de Brussels Academy.
Dat laatste is een relatief jong initiatief dat met een beetje goede wil als
een sedimentatie kan gezien worden van eerdere, eenmalige of parallelle
initiatieven zoals de Staten-Generaal van
Brussel
(2008-2009) dat op zijn beurt voortborduurde op vroegere
initiatieven en organisaties zoals Aula
Magna
(waarvan Yvan Vanderberg, blogger 
van daarnet, bestuurder is), het verwante bruXsel forum (uit 2008) en het avant-garde Manifesto gangmaker van twee Brusselse
Manifesten
(2003 en 2007). Samen met Corijn komt ook de hele academische
dimensie van deze activiteiten- en organisatiecluster in beeld.

Ten slotte
tekenen Corijn en verwante zielen, zoals Philippe Van Parijs (tevens Picnic the
streets-inspirator) en het hele Cosmopolis-team van de VUB, voor een veelheid
aan publicaties over Brussel. Parallel daarmee hebben een aantal nieuwe
publicatiekanalen, zoals Brussels Studies, de hoofdstad tot relevant
onderzoeksobject  gepromoveerd – in de
persoon van Rudi Janssens beschikt de Brussel over een eigen stadslinguïst.

Recentelijk vertaalt deze hernieuwde interesse in Brussel zich in een snel
wassende hoeveelheid uitmuntende en populaire non-fictie zoals In Brussel van Hans Vandecandelaere of Een gehucht in een moeras van Marc
Didden .

Zo kan ik nog nog
wel een tijdje doorgaan, maar dit volstaat, denk ik, om aan te geven dat er de
afgelopen tien jaar een stapel initiatieven zijn genomen van politieke,
culturele en academische aard maar evengoed met artistieke en entertainende
inslag (denk aan de Nacht van Brussel in het Kaaitheater). Ze verknopen een
veelheid van problematieken zoals diversiteit, stedelijkheid, mobiliteit,
duurzaamheid, racisme, democratie en sociale rechtvaardigheid met een veelheid
aan debatten, publicaties, fora, educatieprogramma’s en activisme inzake
Brussel.

Deze initiatieven spreken uiteenlopende en overlappende publieken aan
en houden ze alert. In dat geval kun je van niets anders gewagen dan van een
(ontluikende) société civile, een wat
fluïde middenveld dat zich formeert buiten, maar zeker niet los van, het
traditionele middenveld van syndicaten, culturele en sociale organisaties, en
gemeenschapscentra. Samen bouwen ze aan wat we zo stilaan een Brusselse
publieke sfeer kunnen noemen – waarin een zekere openheid en transversaliteit
te bemerken valt.

Zo wijzen de gekunstelde orthografie en de flagrante twee- of
meertaligheid van de namen en titels van de hierboven opgelijste
initiatieven erop hoe fervent op zoek wordt
gegaan naar een hybride, meerstemmig en crossnationaal profiel, waarin grote
groepen Brusselaars zich potentieel kunnen herkennen.

Dit kluwen aan
media en activisme ‘rondom Brussel’ van de afgelopen tien jaar vertoont niet
enkel de morfologie van een middenveld maar voert ook een middenveldachtig
discours, door zich tegelijk te richten naar ‘onder’ (Brusselaars, ‘inclusief’)
als naar ‘boven’, naar het politieke en institutionele niveau.

De institutionele
kritiek is waarschijnlijk het best bekend en herkenbaar aan de hand van
zinsneden zoals ‘de 19 baronieën’, ‘de institutionele versnippering’ – die
Pascal Smet destijds mooi samenvatte als ‘iedereen is bevoegd maar niemand is
verantwoordelijk’. De politieke bezorgdheid van het nieuwe Brusselse
middenveld mikt vooral op de besluiteloosheid en het pijnlijk gebrek aan
grootstedelijke toekomstvisie, planning en sense
of urgency
, ter hoogte van de negentien gemeentehuizen van waaruit de
Europese metropool  wordt gestuurd.

Ook in het
recente Brusseldebat valt er menige institutionele en politieke kritiek te
rapen, vaak met als slotzin ‘Doe (‘tenminste’) iets’. Ze is gericht aan het
adres van de verkozenen. Een graadmeter voor de omvang van die verzuchting was
de mate van opluchting bij het recente besluit van Brussel-Stad om de autovrije
zone in het centrum te verdubbelen, inclusief een publiek plan waarop de
realisatie werd weergegeven en de timing vastgelegd.

De Brusselse media gingen
meteen aan het rekenen hoeveel jaar het geleden was dat tot een urbanistische
ingreep van dit formaat nog was besloten. Typisch is wel dat geen van de
besluitnemers een verband wilde leggen met de Picnic the streets-acties. Typisch, omdat het toont hoe grote delen
van de Brusselse politieke klasse zich geen houding weten te geven tegenover
dit nieuwerwetse middenveld – we herinneren ons de VLD-oprispingen tegen de
Staten-Generaal van Brussel.

De reactie van
Thielemans destijds ten aanzien van Picnic
the streets
sprak boekdelen: een combinatie van loze dreigingen, onhandig
schouderophalen en de excuus dat er nog geen globaal mobiliteitsplan was – een
apologie waarmee iedere collega burgemeester van een Europese grootstad zich
een kogel in de voet zou schieten. Wat dit betreft is de stad Gent een
interessant tegenvoorbeeld.

Daar valt op hoe het nieuwe stadsbestuur – en dat
is geen trendbreuk met het paarse beleid van de afgelopen decennia – met
souplesse en overtuiging initiatieven uit het nieuwe stedelijke middenveld
omarmt en een officieel platform aanbiedt. Zonder te veralgemenen of Gent als
een toonbeeld te willen voorstellen, verdient bijvoorbeeld De Gentse Lente van vorig jaar en ‘de begrafenis’ van ‘de
allochtoon’ gepresideerd door schepen Resul Tapmaz, de aandacht van de
Brusselaars, hun politici en hun middenvelders.

Terug naar de
identitaire kant van het onzacht ontwakende Brusselse middenveld. In een land
met twee nogal onporeuze publieke sferen, mocht niemand zich tijdens het
afgelopen Brusseldebat in een of andere comfortzone wanen. De minst hartelijke
kant van het debat waren de occasionele scheldpartijen of tenminste het
toekennen van identiteiten aan degenen met wie men het niet eens was.

Grosso
modo tekende zich hierbij een tegenstelling af tussen hen die flirtten met een
soort Brusselse identiteit en hen die op een hoopje met ‘de (gemiddelde)
Vlaming’ werden gegooid. De problematiek is een ingewikkelde maar kan niet
losgezien worden van de onstabiele identitaire tektoniek van opeenvolgende
(Belgische) institutionele hervormingen, decennialange herprofileringen van
nationalismen in het Vlaamse en Vlaams-Brusselse politieke en electorale veld,
‘etnische’ en ‘linguïstische’ evenwichtsverschuivingen in en rondom het
Brussels Gewest. Deze identitaire turbulenties lieten zich  voelen. 

Het uitgangspunt
was dat ‘Vlaming’ in Brussel geen neutrale term is. Hoewel ‘Nederlands’ soms
ook ‘hip’, ‘cool’ of ‘progressief’ geconnoteerd is, torst ‘Vlaming’ een lading
negatieve bijbetekenissen waarmee Douglas De Coninck (11/01/14) zich in zijn
artikel kostelijk vermaakte  – een
discursieve strategie als een ander trouwens.

‘Racist’ is een van de minst
verkwikkelijke, zeker wanneer je als natuurlijke drager van het Brusselgevoel
van deze genetische afwijking wordt beticht, enkel omwille van je accent
waarvoor je zoveel moeite doet om het te verbergen. Dit alles wordt nog een graad
erger als je je ter bescherming niet wilt verschuilen achter voorouderlijke
grondrechten ter hoogte van Broeksele of institutionele evenwichten en
gedegradeerde privileges afgeroepen door een of ander staatshervormend
conclaaf.

Wat Douglas De
Coninck eveneens naar boven haalt is de mogelijkheid van een combattief
alternatief  – één waar menig andere
debattant zichtbaar ook over zat te piekeren. Laten we het als volgt proberen
te formuleren:

“’Vlaming’ in Brussel is een minderheid
zoals een andere. Met dit gegeven aan de slag gaan vergt vindingrijkheid,
zelfrelativering, identitaire wendbaarheid en onderhandelingsvernuft – een
bewijs trouwens van groeiende integratie in de superdiverse samenleving .
Vanuit die minderheidspositie willen wegen op het grote Brusselgebeuren is
voortaan geen kwestie meer van privileges bedongen onder een Belgicistisch
ancien régime maar onderhevig aan de wetten van de lokale meritocratie: je moet
je waarmaken als buurman en stemplichtige, als burger en als publieke actor.
Goede ingrediënten zijn alertheid en actiebereidheid, en een hoeveelheid
connecties en allianties in een middenveld dat je zelf probeert vorm en inhoud
te geven.”

En daarmee kunnen
we terug aanknopen bij het begin van onze observaties over de zichtbare eigenschappen
van het recente Brusseldebat: de alertheid en het voluntarisme. Beide blijken
nu niet enkel toevallige eigenschappen van een ondertussen grotendeels vergeten
debat maar vitale karaktertrekken van een veerkrachtige etnisch-culturele
minderheidsgroep. Zij vat haar integratie in de Brusselse metropolitaine
gemeenschap van de toekomst zó op dat ze niet enkel zichzelf maar meteen ook
Brussel heruitvindt – en dat niet vanuit haar economische hegemonie of haar
vergrendelde politieke zeggingskracht, maar vanuit het Brusselse middenveld.

De finale vraag
is welke dimensies deze heruitvinding zal aannemen – zowel politiek als
institutioneel.

Politiek is de
geleidelijke eenmaking van de Brusselse publieke sfeer een open uitnodiging aan
de politieke partijen om met  varianten
op de proppen te komen, hetzij in de vorm van onafhankelijke Brusselse
partijen, hetzij in de vorm van unitaire allianties op maat van het Brussels
Gewest. De Belgische politieke partijen waren er in de jaren 1970 als de kippen
bij om in de nasleep van de communautaire akkoorden België politiek te
tweedelen, maar daarmee is de kous niet af.

De ontluikende realiteit van een
nieuw krachtig Brussels middenveld doet geloven dat de Brusselse société civile haar tegenvoeter in de
vorm van een Brusselse société politique
oproept. De eerste tekenen zijn zichtbaar. Naast Pro Bruxsel (opgericht in
2008) zijn er unitaire allianties ter linkerzij: PTB-PVDA en Groen-Ecolo.
Andere partijen geven voorlopig niet thuis, hoewel ze bij momenten bezwijken
onder het gewicht van de oprukkende staatshervorming. Naarmate de belangen van
de gewesten uit elkaar drijven, zien we steeds opnieuw hoe Brusselse afdelingen
van Vlaamse of Waalse partijen andere standpunten innemen dan het
partijhoofdkwartier.

Institutioneel is
de inzet van de heruitvinding van Brussel niet minder omvangrijk. Los van het
feit of de negentien gemeenten worden afgeschaft, zal hun rol en belang worden
teruggeschroefd. Niet alleen steekt het electoraal deficit van de
gemeenteverkiezingen steeds meer de ogen uit – schepenen met een paar honderd
stemmen die op hun eentje een hele hoofdstad gijzelen – maar de roep naar meer
solidariteit tussen rijke en arme gemeenten zal de druk op de ‘baronnieën’ op
korte termijn aanzienlijk opvoeren.

Of het dan blijft bestaan of niet, het
gemeentelijk politiek niveau belooft hoe dan ook aan relevantie in te boeten.
Dat zou ruimte scheppen voor nieuwe democratische initiatieven uit een
transversaal middenveld dat niet alleen de negentien doorkruist maar tevens een
voldoende transnationaal (diasporisch of kosmopolitisch) draagvlak bezit om in
een global city als Brussel op een geloofwaardige manier enig
democratisch gewicht op haar schouders te laden – zoniet van het
representatieve dan toch van het deliberatieve soort.

Maar met welke
finaliteit? Het hoogste goed dat de Belgische institutionele hervorming Brussel
lijkt te beloven is het statuut van “volwaardig gewest” – iets wat ook Pro
Bruxsel nastreeft. Ik denk dat een geloofwaardige Brusselse société civile & politique verder
kan mikken door Brussel op het niveau van ‘gemeenschap’ te hijsen – noem het
een nieuw samengestelde gemeenschap.

Daarmee zou Brussel meteen de mythe
doorbreken dat gemeenschapsvorming op (vermeende) culturele en talige tradities
moet gestoeld zijn. De uitdaging voor om het even welke gemeenschap is zichzelf
te herdenken vanuit solidariteit en diversiteit. Meer dan een uithaal naar het
autochtone nationalisme van ‘Vlaanderen’ of het linguïstisch nationalisme van
de ‘Fédération Wallonie-Bruxelles’, kan de Brusselse Gemeenschap de
maakbaarheid en inderdaad het uitvinden van gemeenschappen aan de orde stellen,
met alle implicaties en engagementen 
voor de solidariteit en de herverdeling, en voor de socio-economische,
educatieve en religieuze inclusie.

Coda – het venijn

Ten slotte, is de
vraag: wie doet hier allemaal aan mee? Het is vooreerst te betwijfelen of een
groot deel van de Brusselaars met een Vlaamse achtergrond hier oren zullen naar
hebben. Misschien is het wel van moeten: bij gebrek aan directe electorale en
institutionele slagkracht zit er niet veel anders op dan de affirmatie aan te
gaan vanuit de tweede lijn, die van de société
civile.
Maar men mag dan nog zo’n grote bek opzetten, de getalsterkte
blijft een zwak punt. Allianties is de boodschap maar met wie? Deze vraag laat
ik hier onbeantwoord. Ik merk enkel op dat de Brusseldebatten van de afgelopen
tien jaar daar niet bijster veel over te zeggen hebben. Inclusiviteit wordt
eerder behandeld als verworven dan als uitdaging.

Het is één zaak
om inclusiviteit te propageren of relatief brede publieken aan te spreken, maar
om het met een scheve boutade te zeggen ‘the proof of civil society is in the
meeting’ . Wie is er op het appel? Uit welke geografische, etnische en
socio-economische geledingen van Brussel zijn de participanten afkomstig bij de
veelheid aan initiatieven, fora, debatten, publieke interventies of
publicaties? Om één  tegenvoorbeeld te
geven, het recente Waarheen met Brussel (onder redactie van de
omnipresente Eric Corijn) werd bijeengeschreven door vijf oudere blanke mannen.

Het lijkt een
beetje unfair om die ontegensprekelijke openheid en inclusiviteit van het
nieuwe Brusselse middenveld af te rekenen op representativiteit ten aanzien van
de voltallige Brusselse bevolking – zeker in tijden van superdiversiteit. Maar
het helpt wel om te peilen naar haar sociaal spectrum en haar maatschappelijke
penetratie, haar verknoping en netwerking. Men mag terecht trots zijn op de
hoeveelheid ‘volk’ dat de verzamelde Zinnekeparades, Nachten van Brussel,
Picnic the streets, Brusselse blogs en Facebookgroepen op de been brengen. Maar
ik mag vermoeden dat we het daarmee
niet gaan rooien. Alliantie is het ordewoord. De relatieve segregatie, het
racisme en de groeiende ongelijkheid in Brussel zullen dit in de weg staan.
Elke heruitvinding van Brussel zal deze obstakels uit de weg moeten ruimen of
anders mislukt ze schandelijk.

Dit stuk verscheen eerder in Aktief, het ledenblad van het Masereelfonds.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!