China niet voor watjes (13 april)

China niet voor watjes (13 april)

Ons studiebezoek werd grondig voorbereid en wordt mee begeleid door VRT-journalist Tjhoi Ng Sauw. Tsjoi is van Indonesische afkomst, maar met Chinese roots. Die achtegrond dreef hem op een bepaald ogenblik terug naar China, waarna hij zich ontpopte als Chinakenner. Halfweg de reis maakte Tjshoi voor deze Chinablog een round up.

maandag 14 april 2014 07:46

Een mens ruimt al wel eens op. Het rommeltje
bestanden op z’n computer bijvoorbeeld. 
Al weken was ik het van plan. Cleanen kan healen, zuiveren van
zielen. En als bij wonder … de witte tornado actie op mijn computer –
bestanden bewaren of delete’n – hielp me op weg om de boeiende gesprekken met
reisgenoten wat van brandstof te voorzien.

Reizen met een gemotiveerde groep
leidinggevende vakbonders door m’n voorouderlijk land houdt ook mij scherp.
Hevige indrukken, straffe gedachten.

In zo’n hectische dagen kan het eenzaam turen
naar het oplichtend scherm van een computertje, helend werken. Even ik, mij en
mezelf. Flarden gesprekken met medereizig(st)ers laten doordringen. Even
stilstaan, met recul.

En zo zat ik aan het designmeubel in m’n
hotelkamer 1418 ( de honderd jaar herdenkingen blijven me achtervolgen, help !
) te turen in het licht van het computerscherm, met de aandrang op te rommelen.

Plots scrolde ik per abuis over
een pdf. China niet voor watjes. Een artikel in ‘De Gids op
Maatschappelijk Gebied’ uit 2009. Vijf jaar geleden potverdomme, al zolang !
Weg d’ermee. Maar als bij wonder klikt het open, alsof het artikel mij zocht. 

Eergisteren waren we aan de dag begonnen met
een tussentijdse evaluatie, ook inhoudelijk. Welke China-kwesties blijven
hangen ? Welke zaken roepen ( nog meer ) vragen op ? Na enkele
bedrijfsbezoeken, seminaries, … steden, dagen hadden Mathieu en ik eenzelfde
halfweg-behoefte aangevoeld. Effe recapituleren, even samen … leggen van de
puzzel.

En wat blijkt, in alle bescheidenheid, de
versheidsdatum van het artikel is nog niet verstreken. Op sommige cijfers na.
Ik lees m’n eigen vijf jaar oude inzichten.

“ In China zijn 764 miljoen mensen aan de slag: 325,5 miljoen in de
landbouw, 192 miljoen in de industrie en 246,5 miljoen in de dienstensector.
China moet elk jaar zorgen voor 20 miljoen nieuwe jobs. De werkloosheid
bedraagt officieel 3,5% maar er zijn aanwijzingen dat het eerder 8% zou zijn.[5] De stedelijke werkloosheid zou liggen rond 12%.  Er is ook een andere kant aan
de medaille, armoede.  De Wereldbank neemt de norm van 1 dollar per dag als graadmeter voor de
armoede. Wie minder dan één dollar per dag
heeft om van te leven, is ‘arm’. Volgens de Wereldbank
verminderde China het aantal armen sinds 1980 met 400 miljoen. Er blijven
volgens de Wereldbank nog 80 miljoen armen over. Jaar na jaar neemt het aantal
armen af.

Over ‘links en
rechts’, en averechts

Vroeger waren ‘rechts’ en ‘links’ duidelijke termen. Je wist
tenminste dat je in het geval van “rechts” te maken had
met een aanhanger van de vrije markt en als het over “links” ging had je wellicht een
supporter van de planeconomie voor je staan.  Sinds de ‘Val van de
Berlijnse Muur’ (1989)[6] en dus de definitieve afbrokkeling van het Sovjetcommunisme is spreken
en denken in links-rechts-termen uit de mode. Het postmodernisme werd de mantra
bij uitstek. Geen grote verhalen meer. Nieuwe denkkaders haalden de bovenhand.
Het collectieve is niet langer een hoofdobjectief, maar ‘struggle and be the fittest’. Liberalisme en
individualisme kregen de vrije baan. Rechts stond voor vrijheid en links voor
sociaal. Rechts voor individueel ondernemerschap, links voor overheidsplanning
en staatssteun.

Is het toeval dat precies dezer dagen -pal in de kredietcrisis- deze
oudmodische termen weer opduiken  in de dagelijkse newsspeech. Regeringen en overheden die private
ondernemingen (overwegen te) ‘nationaliseren’.  Zoals (voormalig)
VS-president Bush op 14 oktober 2008 besliste dat de overheid zich in negen
private banken inkoopt. Of nog, de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker die
na het nationaliseren van een bank glimlachend uitriep tegen een collega: „We are all socialists now !”.[7] En wat te
denken van de uitspraak van Lorin Parys[8]: “… miljoenen mensen in China
zijn uit de armoede gehaald door het invoeren van de vrije markt …” In een communistisch land als
China voert men de vrijemarkteconomie in. En het kapitalistische westen
nationaliseert banken, bijna naar model van het Chinese bankwezen waar 94%  in handen van de Staat is.
Kan u nog volgen ?

Wat is er aan de hand in dat land ?

En als je de vraag wat scherper laat formuleren, wordt het: “Is dat daar nog socialisme of
is China helemaal kapitalistisch ?”  Een simplistisch antwoord is uit den boze.  Het verhaal van het
hedendaagse China is zo’n dertig jaar
geleden begonnen.  Het lijkt me verhelderend eerst het theoretisch kader te schetsen
waarbinnen de hervormingen van de laatste 30 jaar zijn ontwikkeld. Deng
Xiaoping, de architect van het hedendaagse Chinese systeem, zei op de vraag of
China kapitalistisch of socialistisch is: “Een planeconomie is niet hetzelfde als socialisme, omdat er in het
kapitalisme ook gepland wordt. Een markteconomie is geen kapitalisme, omdat er
in het socialisme ook markten zijn.” – “Stabiliteit is essentieel voor
de economische ontwikkeling, en enkel onder het leiderschap van de
communistische partij kan er een stabiel socialistisch China zijn.” – “De essentie van het socialisme
is de ontwikkeling van de productiekrachten, het afschaffen van uitbuiting en
polarisatie, en het bereiken van welvaart voor iedereen.” Op gevaar af een Rood
Dengboekje te creeëren en citaten
te reciteren, lijkt me desalniettemin dit drieluik van gedachtengangen, de kern
van het antwoord te zijn op de bovengestelde vragen. Tegen deze uitspraken
gelegd krijgen de volgende slogans van Deng Xiaoping een vollere betekenis: “Armoede is geen socialisme. Rijk worden is fatsoenlijk (“Poverty is not
socialism. To be rich is glorious.”).” en “Het maakt niet uit of een kat zwart of wit is, als hij
maar muizen vangt (“It doesn’t matter if a cat is black or white, so long as it
catches mice.”).”

De impliciete boodschap was duidelijk. Geen ideologisch-theoretisch
gezwam, vooruit met de geit in de praktijk en -nog een Deng-waarheid- “Vind de waarheid in de feiten” (“Seek truth from facts”). Een buitenstaander als ik,
denkt dan stilletjes “er zullen wel
nog andere doorslaggevende redenen zijn voor zo’n sprong in het ongewisse” …

Op de achtergrond spelen inderdaad enkele zware drama’s een grote rol. Daarvoor
moeten we even terug in de woelige geschiedenis van China, naar het desastreuze
jaar 1976. Een jaar van nogal wat rampen. De dood van Mao Zedong (9 september)
en Zhou Enlai (8 januari), de twee bezielers van de toen nog jonge
volksrepubliek. De wanhoopspoging van de Bende van Vier, het extremistisch
kwartet dat de macht greep tijdens de verwarring aan het einde van de Culturele
Revolutie. En vergeten we ook niet de aardbeving in Tangshan (waarbij minstens
240.000 mensen het leven lieten) die door de Bende van Vier quasi verzwegen
werd. Een Chinees gezegde wil dat ‘ongeluk altijd met vier’ komt[9]. 1976 is dus een jaar om gauw te vergeten. Om de schijnbare ommezwaai
te begrijpen is het meer dan nuttig om terug te kijken in de tijd.

Culturele Revolutie: pijnlijk resultaat

Het land was tijdens de tien jaren van de Culturele Revolutie in een
(economische) gordiaanse knoop terechtgekomen. Voorzitter Mao Zedong wilde de
geesten zuiveren van pro-kapitalistische ideeën en houdingen, op de eerste plaats in de communistische partij zelf.
Vele partijkaders en intellectuelen werden verplicht op het land te werken. Het
leven van boeren en arbeiders werd verheerlijkt: de ‘nieuwe mens’ zou opnieuw worden geboren.
De geest zou de motor van de verandering zijn, niet de rommelende maag. In
theorie misschien wel logisch na alle collectivistische campagnes die in de
jonge volksrepubliek het licht hadden gezien (o.m. in 1958 De Grote Sprong
Voorwaarts, die eigenlijk niet echt een ‘grote’ sprong was).
Het politiek-economisch model van Mao Zedong moest China in korte tijd van een
arm landbouwland omvormen tot een moderne geïndustrialiseerde natie. Het was geïnspireerd op het model van de Sovjet-Unie, maar met eigen Chinese
accenten (landbouw en boeren als leidende groep van de veranderingen). Het moet
gezegd, de balans van de Mao-periode op economisch vlak is niet volledig
negatief. Verschillende bronnen zijn het eens over de vrij snelle groei van de
industriële productie
(tijdens 1952-1978 met 8% jaarlijks). Ook het bruto binnenlands product, de
totale (geld)waarde van alle in een land gedurende een jaar geproduceerde
goederen en diensten, kende tijdens bepaalde jaren een grote groei.[10] Maar uit de cijfers blijkt duidelijk dat de effecten van De Grote
Sprong Voorwaarts, waarmee Mao Zedong de landbouw een duw wilde geven door te
collectiviseren (cfr. de landbouwcommunes), ronduit negatief waren. Ook het
economische resultaat van de Culturele Revolutie is niet om over naar huis te
schrijven. De negatieve weerslag is vooral in 1976, ’77 en ’78 te merken. Dat waren
ronduit slechte economische jaren voor China.

Er was een grote mate van gelijkheid ontstaan, maar dan wel in de
armoede. Om evenwichtig kritisch te blijven: op het vlak van de gezondheidszorg
(‘blotevoetendokters’ waren geen medisch
alternatief maar wel een goede eerstelijnszorg), de bestrijding van het
analfabetisme, de gelijke sociale positie tussen mannen en vrouwen en de
levensverwachting (die was gestegen van 35 jaar in 1949 tot 65 jaar in 1976)
scoorde Mao Zedong’s beleid wel
goed.

Aan het einde van de jaren zeventig was China in vergelijking met zijn
buurlanden de rode lantaarn in plaats van het ‘lichtend voorbeeld’. Zuid-Korea en
Taiwan kenden een economische bloei. Japan boomde volop. De keuze was niet zo
eenvoudig voor de Chinese Communistische Partij en voor sterke man Deng
Xiaoping. Ze zaten tussen hamer (de armoede) en aambeeld (de kapitalistische
buurlanden). In geen geval wilden ze nog verder afglijden in de
gelijkverdelende armoede. Maar hoe moest die economie dan wel worden
aangezwengeld? Kon het politiek-ideologisch toegelaten zijn om een beperkte
vorm van kapitalisme in het Chinese model van socialisme in te brengen? Toen
Deng Xiaoping op 22 juli 1977 tijdens een partijconferentie in ere werd
hersteld, en wat later de toenmalige leider Hua Guofeng de Bende van Vier
oprolde, zou het geen jaar meer duren of de eerste experimenten met een
markteconomie binnen een socialistisch kader (‘De vogel mag vliegen maar in de kooi’) werden in de startblokken gezet. Het partijcongres van december 1978
keurde de hervormingsplannen van Deng Xiaoping goed. Marktmethodes in het
Chinese socialisme: sommigen werden wild van het idee alleen al, anderen werden
wild van woede.

Marktmethodes in Chinees socialisme

Vanaf 1978 kregen boeren opnieuw een eigen stuk grond om te bewerken
(decollectivisatie van de landbouw) en mochten de opbrengst (na aftrek van een
overeengekomen quotum dat aan de staat werd afgedragen) op welbepaalde markten
verkopen. De vier eerste speciale economische zones werden opengemaakt: Xiamen,
Shenzhen, Zhuhai en Shantou. Daar werden vanaf dat magische jaartal 1978
buitenlandse investeringen toegelaten. In 1984 gingen veertien (oost)kuststeden
open voor een beperkte investering van buitenlands kapitaal, in 1988 volgde het
zuidchinese eiland Hainan, in 1990 de stad Shanghai, en nog wat later kregen
223 middelgrote steden ook de toestemming om buitenlandse investeringen aan te
trekken. En tot slot waren de westelijke en centrale provincies aan de beurt.
Op dit ogenblik zijn meer dan vierhonderd van de Top-500 van de multinationale
ondernemingen actief in China. Het succes van de ‘vliegende vogel in de kooi’ lijkt constant.

Een andere niet te onderschatten stap in de periode van de hervorming
was de oprichting van de ‘township and
village enterprises’ (TVE). Dat is
de verzamelnaam voor allerhande bedrijven op het platteland die vaak een
mengvorm als eigendomsstructuur hebben: de lokale overheid oefent samen met
privéboeren en/of anderen een
industriële of artisanale
activiteit uit, in de productie of als dienst. Een steenbakkerij bijvoorbeeld,
een transportbedrijfje, een melkfabriek, enzovoort. De snelle groei van
dergelijke bedrijven op het platteland heeft halverwege de jaren tachtig een
flinke boost aan de economie gegeven. Er werken nu 147 miljoen mensen in de TVE’s.[11]

De Grote trek

China was en is nog steeds een groot landbouwland. Van de 764 miljoen
actieve Chinezen werken er 325,5 miljoen in de landbouw, dat is 42 procent. Er
zijn om en bij de 140 miljoen plattelanders naar de stad getrokken en zij werken
er als binnenlandse migrant. Want dat mogen we even niet vergeten: migranten in
China komen niet uit een ander land, maar uit een ander dorp, duizenden
kilometer verderop … De eerste
migratie kwam op gang nadat de collectivisering in de landbouw werd afgebouwd.
In het begin van de jaren tachtig kwam de verdoken werkloosheid in alle omvang
aan het licht. Honderdduizenden mensen die voorheen mee gevoed werden maar
weinig productief waren, vielen uit de boot van de rentabiliteit. Een tweede
opmerkelijke opstoot van werkloosheid kwam er toen in het begin van de jaren
negentig de staatsbedrijven onder handen werden genomen. Vele
staatsondernemingen moesten de deuren sluiten, andere ondergingen zware
rationaliseringen, met massale afdankingen als gevolg. Telkens werden die
werkloosheidsgolven gevolgd door een trek naar de steden.

Deze ‘binnenlandse
trek naar de Chinese steden’ wordt de
grootste migratie in de geschiedenis van de mensheid genoemd. Oorzaak van die
opmerkelijke migratie is de armoede op het platteland, ook al heeft de Chinese
regering al heel wat inspanningen geleverd (vorig jaar ondermeer werd de
10%-personenbelasting voor boeren afgeschaft). Een andere verklaring is de
aanwezigheid van tientallen buitenlandse bedrijven in de grote stad, die net op
zoek zijn naar ongeschoolde arbeidskrachten. De rem op de migratie die ten
tijde van de landbouwcommunes was ingesteld, het zogeheten
hukou-registratiesysteem, is vandaag nog niet opgeheven maar de lokale
autoriteiten hanteren het nog nauwelijks. Het systeem van de hukou moe(s)t de
boeren ervan weerhouden naar de stad te migreren. De hele sociale bescherming
hangt vast aan de hukou-registratie, ook de toegang tot medische zorgen,
onderwijs… Zelfs voeding
was in de jaren zestig en zeventig via bonnen (‘liangpiao’) gelinkt aan de
verblijfsvergunning of hukou. Het toenmalige systeem van ‘de ijzeren rijstkom’, dat sociale veiligheid
garandeerde van in de wieg tot in het graf, was voor eenieder vastgelegd langs
de hukou of de werkeenheid (‘danwei’), als je in een bedrijf of
administratie werkte. Na de opening van de markt kwam het hele ‘hukou & danwei’-systeem onder druk. De
economische noodzaak om werkkrachten van het platteland aan te trekken gooide
het hele registratiesysteem in de war. Gevolg was dat tot voor kort migranten
geen wettelijk statuut hadden in de stad en hun kinderen dus bijvoorbeeld geen
toegang hadden tot onderwijs en dat ze geen beroep konden doen op medische
zorg, enzovoort. Deze wantoestand is sinds het voorjaar 2008 officieel
veranderd, en de noodzaak aan bijvoorbeeld thuisonderwijs of eigen medische
posten zal wellicht snel verdwijnen.

Veranderingen op de werkvloer

In een groot deel van de staatsondernemingen – ongeveer een derde van de
Chinese economie – zijn de
arbeidsomstandigheden meer dan behoorlijk en is er weinig of geen
ontevredenheid. De vakbond is daar waakzaam en bepaalt er mee het beleid. In
het gemengde gedeelte van de economie, waarin privé en overheid samenwerken,
blijken de arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen ook meer dan
behoorlijk. Dat beweert de Chinese vakbond ACFTU, en wordt ook door
verschillende (Belgische) managers bevestigd[12]. De reden ligt
voor de hand: de arbeidswetgeving en de sociale inspectie van die wetten worden
vrij streng opgevolgd. In het derde segment van de economie, tot slot, zijn er
drie opmerkelijke fenomenen. In de westerse buitenlandse bedrijven – Amerikaanse, Finse, Europese,
Latijns-Amerikaanse – zijn de
arbeidsomstandigheden in orde, met uitzondering van enkele hardliners zoals
Wal-Mart. In de Aziatische buitenlandse ondernemingen – Taiwanese, Japanse,
Zuid-Koreaanse – verlopen de
arbeidsverhoudingen niet altijd even rimpelloos. En in de binnenlandse Chinese
privébedrijven durft het al wel
eens flink mis te lopen. In deze laatste bedrijven spelen een heleboel andere
factoren mee. Die mogen zeker niet begrepen worden als een rechtvaardiging of
goedkeuring, integendeel, maar ze kunnen wel veel verklaren. De concurrentie is
er bikkelhard, in en tussen bedrijven. Het gaat dikwijls om eenmans- of
familiebedrijfjes waar wel tientallen tot soms honderden arbeid(st)ers werken.
De productie dient er meestal om de just in time-strategie van de grotere
westerse multinationals mogelijk te maken. De grote multi’s creëren de zware
concurrentiestrijd en duwen veel van dergelijke ‘snelrijkbedrijfjes’ in de grijze
zone. Neem het lijmen van schoenen voor giganten als Nike. In de
toeleveringsbedrijven worden de veiligheidsvoorschriften, die er op verordening
van de overheid echt wel zijn, letterlijk aan de laars gelapt. Hier verwacht
elk weldenkend mens een krachtdadig optreden van de vakbond. En daar wringt het
‘schoentje’, want ‘krachtdadig’ heeft een verschillende
culturele inhoud. ‘Staken’, zegt men in het Westen. In
China staat staken gelijk met gezichtsverlies, want door te staken geef je toe
dat de tegenpartij te sterk is en jij dus te zwak. Het is maar hoe je de zaken
wil bekijken en in welke culturele context je bepaalde fenomenen plaatst. Staken
is bovendien duidelijk ‘nee’ zeggen en daar hebben nogal
wat Chinezen, zeker zij die van het platteland afkomstig zijn, het moeilijk
mee. Maar er is ook op dat vlak steeds meer in beweging. Neem nu Shenzhen, waar
honderden dergelijke kleine bedrijven actief zijn, daar worden tientallen
sociale acties gevoerd, van kleine acties tot wilde stakingen. Sommige bronnen
spreken over één groot sociaal
conflict per dag (in de Pearl River Delta), waar gemiddeld duizend mensen bij
betrokken zouden zijn, en daarnaast dagelijks een twaalftal kleinere stakingen
en/of werkonderbrekingen. Op 5 juni 2008
citeerde de Zuidchinese krant ‘The New Express – Xinkuaibao’ vakbondsman Chen Yu van de Shantou Federation of
Trade Unions over het nieuwe ontwerp van ‘Regulations on the Growth and Development of
Harmonious Labour Relations in the Shenzhen Special Economic Zone’. Meer bepaald over het wettelijk recht op staken zegt Chen Yu: ‘Dat is nog maar een kleine
stap’.

Cruciaal in de veranderende Chinese arbeidsomstandigheden is het
uitvaardigen van de nieuwe Wet op de Arbeidsovereenkomst (in voege vanaf 1
januari 2008). Deze nieuwe wet moet werknemers -en in het bijzonder de
binnenlandse migranten, die overwegend in slechte arbeidsomstandigheden werken-
een lotsverbetering brengen: een geschreven arbeidscontract, vastgelegde
afspraken rond loon, overuren, vakantie, opzegtermijnen en -vergoedingen, …  Deze wet stuitte op hevig
protest vanwege werkgevers (aangevoerd door de Amerikaanse Kamer van Koophandel
in China) en kreeg grote bijval van de Chinese vakbond ACFTU, migranten-NGO’s, sommige academici en
sociale advocaten … Bovendien
kregen de bedrijven tot en met 30 september 2008 de tijd om de vakbond toe te
laten een werking op te starten. De regeringsmaatregel kwam er na de stormachtige
ontstaansgeschiedenis van de eerste vakbondsafdeling in het wereldwijd beruchte
(wegens zijn antisyndicale houding) Wal-Mart.  Bedrijven die na 30 september 2009 geen vakbondsafdeling hebben, komen
op een zwarte lijst.  Niet toevallig lopen berichten binnen van bedrijven die zich uit China
terugtrekken … Herbert Hainer
van Adidas[13]: “De lonen die vastgelegd worden
door de regering zijn geleidelijk aan te hoog geworden.” In de eerste helft van 2008
zijn de lonen gestegen met maar liefst 19% (bij een inflatie van 8%). Adidas kiest het hazenpad richting India, maar andere
multinationals hebben China ingeruild voor Vietnam of Thailand.

Overigens is ook stilaan duidelijk dat China een -weliswaar geen
klassieke- planeconomie heeft behouden doorheen de omvorming van zijn
socialistisch systeem naar een markteconomie. Alle economische sleutelsectoren
zitten gebeiteld in handen van de Staat, weliswaar een overheid die met het
grootste gemak en soepelheid aan marktdenken doet.  De sectoren van energie,
financiële instellingen, militaire
organisatie, onderwijs, … zijn allemaal
in handen van de centrale overheid. Recentelijk is een opmerkelijke analyse
over de staatsbedrijven gepubliceerd: de Chinese staatsbedrijven (d.i. 8% van
alle bedrijven) staan in voor 44% van alle gemaakte winst”.

Tsjhoi Ng Sauw

Deze mijmeringen werd vijf jaar geleden gepubliceerd
in De Gids op Maatschappelijk Gebied, in 2009. 
Tsjoi heeft ook de volgende bijzonder verhelderende boeken gepubliceerd:
‘Made
in China, meningen van daar’
en het recentere ‘China
Express’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!