Opinie - Nick Mouton

N-VA: verandering dat wel, maar zeer zeker geen vooruitgang

Nick Mouton stapte uit de N-VA omdat hij de partij op sociaal-economisch vlak almaar hardvochtiger vond. Wat vindt hij van het Plan V dat vrijdag werd voorgesteld?

zaterdag 12 april 2014 14:07

De afgelopen jaren vaart de N-VA steeds meer een harde liberale
economische koers. Dit blijkt uit het beleid, uit het profiel van de
mannen en vrouwen die de voorbije jaren het gezicht werden van de
partij (Muyters, Jambon, …) of op sleutelposities werden gezet
(woordvoerders, hoofd studiedienst, …) en ook uit de witte konijnen
(Van Overtveldt, De Ridder, Parys). 

Die harde liberale koers is
een keuze en een recht. Maar kan de N-VA daarnaast nog
steeds beweren dat de partij ook de welvaartsstaat verdedigt en een
sociaal beleid wil voeren? Kan de N-VA zonder blozen die kiezers
blijven aanspreken? Staat hun verandering echt voor vooruitgang?

Sociaal voor diegenen die het moeilijker hebben?

“We zijn sociaal maar we moeten hard zijn omdat de huidige
situatie op termijn niet houdbaar is”, dat is zowat de boodschap
van de N-VA. Sociaal-economisch gezien vertaalt zich dat in de
stelling dat er offers gebracht moeten worden. Maar wat zijn de
offers en wie trekt aan het kortste eind? Dat leest u hier onder.

Wat zijn die offers? En wie moet offeren?

Uit de N-VA-congresteksten: “Om de nodige besparingen te
realiseren kunnen we (onder meer) inzetten op drie pijlers: een
slankere overheid, het afbouwen van het passief arbeidsmarktbeleid en
de garantie op een sociale zekerheid die sociaal én zeker is. De
uitgaven voor sociale zekerheid kunnen we bijvoorbeeld matigen door
onder meer efficiëntiewinsten in de gezondheidszorg, een beperking
van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en het uitdoven van de
wachtuitkeringen voor jonge schoolverlaters en van het brugpensioen.”

N-VA poneert dat de overheid eerst in eigen vel moet snijden,
maar alle besparingen (behalve bepaalde efficiëntiewinsten in de
gezondheidszorg) gaan ten koste van de burger: een verzwakte overheid
met minder jobs en minder slagkracht, afbouwen van het passief
arbeidsmarktbeleid (lees: minder uitkeringen) en de garantie op een
sociale zekerheid die sociaal én zeker is (lees: minder).

In het vizier: de dienstverlening van de overheid

Het is interessant om te bestuderen hoe de N-VA de financiële
stromen verlegt. Zij pleit voornamelijk voor een  daling van de
vennootschapsbelasting, een daling van de personenbelasting en het in
de tijd beperken van de werkloosheidsuitkering. Het verlagen
van de vennootschapsbelasting en de daling van de inkomsten uit de
personenbelasting betekent dat de algemene middelen van de overheid
om haar dienstverlening te organiseren sterk afnemen.

Daarnaast wil N-VA dat mensen die hun werk verliezen na maximum
(!) twee jaar geen werkloosheidsuitkering meer krijgen. Waarom? Er
zijn vandaag toch al verschillende activeringsmaatregelen waarbij
werklozen die ‘werkonwillig’ zijn geschorst kunnen worden?
Bovendien wordt de Vlaamse VDAB door de nieuwe staatshervorming vanaf
volgend jaar zelfs bevoegd om in plaats van de federale RVA de
bereidheid en de inspanningen van de werkzoekende te beoordelen en zo
nodig te sanctioneren.

Maar de bijstand als men geen
werkloosheidsuitkering meer krijgt wordt volledig anders
gefinancierd: de werkloosheidsuitkering wordt uit de sociale
zekerheid gefinancierd terwijl het leefloon uitgekeerd wordt door het
OCMW (de steden en gemeenten), daarin deels bijgestaan door de
federale overheid. Het leefloon wordt dus voornamelijk gefinancierd
via de algemene belastingen van de lokale overheden en de federale
overheid.

Door de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd zorgt
de N-VA er dus voor dat de pot van de sociale zekerheid minder
gespijsd moet worden (door bijdragen op het loon). Daarmee haalt de
N-VA zo’n 150.000 uitkeringsgerechtigden die een job uitgeoefend
hebben uit de sociale zekerheid. Dat is nog een onderschatting want
die twee jaar is een absoluut maximum als men al vele jaren heeft
gewerkt, anderen zullen nog korter ‘genieten’ van een
werkloosheidsuitkering.

Een gedeelte van de 183.000
uitkeringsgerechtigden die nu minder dan twee jaar een uitkering krijgen
zal dus ook uit de sociale zekerheid verdwijnen. Eenzelfde mechanisme
zien we voor de wachtuitkeringen voor jonge schoolverlaters. De N-VA
wil deze wachtuitkering op termijn helemaal afschaffen.

Opnieuw
verdwijnen 106.000 uitkeringsgerechtigden uit de sociale zekerheid.
En ook het brugpensioen moet op termijn uit de sociale zekerheid,
opnieuw zo’n 114.000 uitkeringsgerechtigden. En wellicht hoeft een
laatste categorie, deze van de oudere vrijgestelde
uitkeringsgerechtigden ook niet op veel respijt te rekenen.

Daarvan
zijn er ook zo’n 70.000 langer dan twee jaar werkloos. De N-VA liet
weten dat de 50-plussers nog vijf jaar uitstel krijgen, maar daarna
gelden voor hen dezelfde regels en moeten ook zij aankloppen bij het
OCMW voor een leefloon. Van de 667.000 uitkeringsgerechtigde
werklozen onder de sociale zekerheid blijven er op termijn maximaal
nog een 200.000 over.

Dat betekent dat de sociale zekerheidskas
serieus minder gespijsd moet worden (dus de lasten op arbeid kunnen
dalen) maar tegelijkertijd komen de federale en lokale overheid nog
meer onder druk te staan want zij zullen de nodige middelen voor het
leefloon moeten ophoesten en dus serieus moeten snijden in de
dienstverlening.

We spreken dan nog niet over het ‘confederatiescenario’ van de
N-VA waarbij een deel van de BTW-inkomsten gebruikt worden om de
federale overheidsschuld op termijn volledig weg te werken. Zonder
die BTW-inkomsten krijgen de deelstaten hun begroting onmogelijk nog rond en moeten zij dus een eigen schuld opbouwen.

De
vraag is echter of de N-VA, gezien hun fixatie op een strak
begrotingsbeleid, die opbouw van een Vlaamse staatsschuld zal kunnen
aanzien. Ook tijdens de voorbije bestuursperiode was het
begrotingsfetisjisme voor de N-VA belangrijker dan hun eigen
programmapunten rond de Vlaamse sociale zekerheid (met daarin een
extra kindpremie en de Vlaamse hospitaliseringsverzekering).  

De N-VA wil om te besparen alleszins sterk snoeien in de
overheidstewerkstelling. Zelfs als dat niet gepaard gaat met naakte
ontslagen (doordat men wie met pensioen gaat niet vervangt), betekent
het in de toekomst veel minder jobmogelijkheden voor werkzoekenden en
pas afgestudeerden. Het zal er dus nog harder aan toegaan op de
arbeidsmarkt met veel gegadigden voor weinig plaatsjes.

Daarnaast
wordt door deze afkalving ook de slagkracht van de overheid
ondergraven. Het is de natte droom van veel liberalen. De overheid
moet zich vooral niet te veel inmengen in de vrije markt en zo weinig
mogelijk kosten, dan is een drastische afslanking van het
overheidsapparaat naar het voorbeeld van De Wever himself, een
deweveriaanse afslanking dus, mooi meegenomen. Maar wie is daarvan
het slachtoffer?

In het vizier: volwaardige jobs, uw loon en loonvorming

Voor de N-VA is het zogezegd een prioriteit dat iedereen aan de
slag gaat, maar anderzijds maakt zij de arbeidsplaatsen minder
aantrekkelijk. In de congresteksten luidt het als volgt (blz.24):
“Een grondige herdenking van het arbeidsrecht dringt zich op, zodat
ondernemingen flexibel kunnen inspelen op de snel wijzigende
economische omstandigheden. We denken onder meer aan flexibele
contracten voor beperkte prestaties (gekoppeld aan lage loonkosten),
verdere annualisering van de arbeidstijd en een soepele inzet van
uitzendkrachten.”

Flexibel en soepel

Dit alles is alleszins niet in het belang van de werknemer die aan
zekerheid inboet en waarbij bedrijven steeds meer macht krijgen over
de werknemers en hen in een sterk afhankelijke en onderdanige positie
drukken. Natuurlijk is het belangrijk dat er meer jobs zijn zodat de
1/4e jongeren die vandaag werkloos zijn aan de slag kunnen, maar
onder welke voorwaarden? Wat moeten mensen met een pseudojob?

En
zullen sommige bedrijven er niet voor opteren om volwaardige jobs om
te zetten in dergelijke pseudojobs omdat het hen goed uitkomt? Zie
wat er gebeurd is met de dienstencheques. Niet alleen het zwartwerk
werd wit, maar ook heel wat reguliere jobs werden omgezet naar jobs
binnen de sector van de dienstencheques (met minder gunstige
arbeidsvoorwaarden).

Loonvorming

Naast een flexibelere arbeidsmarkt waarbij de werkgever meer
speelruimte krijgt moet ook de loonkost van arbeidskrachten naar
omlaag. Enerzijds pakt de N-VA er graag mee uit dat het nettoloon van
een bepaalde groep werknemers (waarover verder meer) zal stijgen
omdat zij minder belastingen zullen moeten betalen (afschaffen
45%-schijf en uitstellen 50%-schijf) maar anderzijds schuift N-VA vooral maatregelen naar voor om de lonen te drukken: de
automatische indexering van het loon wordt in vraag gesteld alsook de
huidige manier van onderhandelen over de loonstijging tussen de
sociale partners (omdat de lonen daardoor te veel stijgen).

Kortom, als het erop aankomt dan moeten de arbeidskrachten vooral
goedkoper zijn en zich flexibeler opstellen. Flexi-jobs, mini-jobs,
kortom pseudo-jobs zijn voor N-VA geen taboe maar integendeel een
noodzaak.

Willen we nog meer flexibele jobs en lagere lonen? Het betekent
minder jobzekerheid en meer macht voor de werkgever, het betekent dat
mensen het moeilijker krijgen om iets op te bouwen, te lenen, te
huren, te investeren, … Dergelijk (over)leven en dergelijke
afhankelijke positie kan alleen maar leiden tot veel frustratie. Is
dat de maatschappij die we willen?

Ten slotte, voor N-VA is het zogezegd een prioriteit dat
iedereen aan de slag gaat, maar anderzijds pakt zij de
werkloosheidsval niet aan (te laag verschil tussen wat men krijgt uit
een uitkering of leefloon en wat men verdient door te gaan werken).
Zij stelt dan wel: “werken levert vaak nauwelijks meer op dan
werkloosheid (de zogenaamde werkloosheidsval). Een werkloze die een
baan vindt, beschikt over een nettoloon dat amper hoger is dan toen
hij werkloos was en bijgevolg niet moest investeren in kinderopvang,
genoot van studiebeurzen, een goedkope lening voor een huis kreeg,…”.

Maar de vermindering van de personenbelasting is niet gefocust op de
starters en de laagste inkomens (waarover verder meer) en werkt dus
die werkloosheidsval niet weg … tenzij men de uitkeringen
natuurlijk nog gaat verlagen en men dat verstaat onder ‘het
afbouwen van het passief arbeidsmarktbeleid’.

In het vizier: het sociale vangnet

Structurele solidariteit lijkt vervangen te worden door
liefdadigheid. Daarmee gaan we honderd jaar terug in de tijd. Die
liefdadigheid focust zich enkel op diegenen die niet kunnen
participeren zoals mensen met een zware handicap, een chronische
ziekte, … of zoals de N-VA het omschrijft ‘de allerzwaksten’.

Al wie daar niet toe behoort lijkt nog op weinig solidariteit te
moeten rekenen. In de congresteksten klinkt het als volgt: “Ons
sociaal systeem kan enkel in stand worden gehouden als wij nu
ingrijpen. Wij hebben nood aan een sociaal beleid dat uitgaat van
rechten én plichten, met oog voor de allerzwaksten.” en “Vaak
houden de sociale uitkeringen weinig stimulans in om (weer)
zelfredzaam te worden en (opnieuw) aan het werk te gaan.”

Nu zegt
men dat het leefloon verhoogd zal worden tot boven de armoedegrens,
maar welk nummer is dat voor de N-VA op de prioriteitenlijst als je
bovenstaande leest. Het klinkt goed natuurlijk, maar papier is zeer
geduldig.

Wat verder in de congresteksten staan nog bepalingen die vooral
focussen op het verlagen van uitkeringen: “Voor sociale uitkeringen
(zoals pensioenen) voorzien we in een aangepast automatisch
indexeringsmechanisme.” De uitkeringen zullen dus de stijging van
de levensduurte niet meer geheel volgen en dus nog minder duurzaam
beschermen tegen armoede.

De werkloosheidsuitkeringen beperken in de tijd en allerlei
uitkeringsgerechtigden uit de sociale zekerheid halen (zie supra)
betekent trouwens ook dat mensen die het wel nodig hebben terugvallen
op een nog lager leefloon … of buiten het sociaal vangnet vallen.
Want het is zeker dat aantal onder hen in het administratieve web de
weg zal verliezen en dus hun recht op leefloon niet zullen valideren.
Is dat wat wij willen?

In het vizier: uw pensioen

In de congresteksten van de N-VA luidt het als volgt (blz. 26):
“Bij de pensioenberekening kunnen we wel meer rekening houden met
de betaalde bijdragen, met de evolutie van de draagkracht van de
actieve bevolking en met de evolutie van de levensverwachting.” Het
pensioen wordt dus onzeker. Toen ik dat opmerkte bij de bespreking
van de teksten werd enkel gezegd “dat de pensioenen nu zeker
onzeker zijn want te hoog”. Dat geeft het voordeel van de
duidelijkheid. De pensioenen moeten dus omlaag.

Dat het pensioen vooral lager moet blijkt ook verder uit de
congresteksten “We maken werk van een grotere band tussen bijdragen
en uitkeringen, zonder het herverdelingsprincipe overboord te gooien.
In de pensioenen is dat mogelijk door de invoering van een
‘bonus-malus’ volgens het aantal effectief gewerkte jaren.” en
“De pensioenleeftijd blijft op 65 jaar, een volledige loopbaan op
45 jaar. We beperken de mogelijkheid om vervroegd met rustpensioen te
gaan tot maximaal vijf jaar (dus vanaf 60 jaar), gekoppeld aan een
vermindering (malus) van het pensioenbedrag volgens het aantal jaren
vervroegde uittrede en gespreid over het aantal verwachte levensjaren
dat men een pensioen geniet.”

Hieruit, alsook uit de antwoorden op
mijn vragen tijdens de bespreking, blijkt dus vooral dat om een
volwaardig pensioen te genieten er ook langer gewerkt zal moeten
worden en er geen mededogen is voor de vele oudere werknemers die hun
job verloren hebben en wel nog willen werken, maar geen kans meer
krijgen op de arbeidsmarkt.

Dat het pensioen vooral lager moet blijkt ten slotte ook uit
volgende passage (blz. 27): “Een derde van de wettelijke
pensioenrechten is vandaag gebaseerd op ‘gelijkgestelde periodes’
waarvoor geen arbeidsprestaties noch sociale bijdragen geleverd
werden. Het lijdt geen twijfel dat een wereldreis maken of een
sabbatical nemen een bijzonder leerrijke en vruchtbare ervaring kan
zijn, maar wie intussen wél bijdragen blijft betalen moet hier niet
voor opdraaien. We stellen voor om grondig te wieden in de wildgroei
van gelijkgestelde periodes.”

Natuurlijk neemt men er twee extreme
voorbeelden uit, maar gelijkgestelde periodes houden ook in: ziekte,
onvrijwillige werkloosheid, conventioneel burgpensioen, deeltijds
werknemer met behoud van rechten, tijdskrediet en
loopbaanonderbreking of arbeidsongeval. Bovendien, wat het
tijdskrediet betreft, enerzijds wordt gesteld dat langer werken
gepromoot moet worden maar met rustpauzes, anderzijds wordt hier
sterk de indruk gecreëerd dat zo’n rustpauze vooral ongewenst is.

Conclusie: voor de N-VA is een sterke overheid ongewenst en liggen
loon, loonvorming, volwaardige jobs, het sociaal vangnet en het
pensioen in het vizier. Het beetje netto dat zij de ‘hardwerkende
Vlaming uit de middenklasse’ met de ene hand geven, wordt hen via
allerlei maatregelen met de andere hand weer ontfutseld. De N-VA
noemt zich “sociaal maar niet socialistisch”, maar strooit in
feite gewoon zand in de ogen. De partij verhindert geen sociale
afbraak maar organiseert sociale afbraak. Niet meer, niet minder.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!