Een bedelaar, twee Kosovaren en een pakje Memphis Blue Light: column Philippe Diepvents

Een bedelaar, twee Kosovaren en een pakje Memphis Blue Light: column Philippe Diepvents

Het is een zonnige lentedag, ergens in 2014, en ik loop door de Wetstraat in Brussel. Voor het gebouw, waar weer eens dringend vergaderd moet worden, houd ik halt en kijk op de klok. Weinig tijd, maar een sigaret kan nog net.

vrijdag 4 april 2014 13:45

DeWereldMorgen.be

Het is een zonnige lentedag, ergens in 2014, en ik
loop door de Wetstraat in Brussel. Voor het gebouw, waar weer eens
dringend vergaderd moet worden, houd ik halt en kijk op de klok.
Weinig tijd, maar een sigaret kan nog net.

Terwijl ik daar sta, stapt er een man op me af. Hij is achter aan de veertig, schat ik,
relatief klein van gestalte en sjofel gekleed: slobberbroek, fleece
die over zijn veertigersbuikje spant.

Hij ziet er een beetje uit als
een figurant in FC De Kampioenen. Zijn schouders hangen laag, zijn
hele lichaamshouding heeft iets van een geslagen hond. Mijn interne
radar slaat aan, de radar die elke pendelaar in Brussel na verloop
van tijd aankweekt.

Deze man komt me geld vragen. Diezelfde pendelaar
in mij, door de macht der gewoonte geconditioneerd, grijpt alvast
naar zijn portefeuille en zoekt daarin het compartiment waarin het
kleingeld zit. Ik denk dat ik een gemiddelde reflex heb wat bedelaars
betreft. De regel is dat je, als je in beweging bent en een bedelaar
voorbijloopt die ergens neerzit, soms wel en soms niet iets geeft.

Je
kiest dan in een opwelling of je de tijd neemt om in je zakken te
tasten, dan wel veinst dat je dringend ergens naartoe moet of dat je
het niet hebt gezien dat daar iemand zit. Dat klinkt wat cynisch maar
ik denk dat ik in die gedraging niet afwijk van de norm. Als je
ergens stilstaat, dan is het een heel ander verhaal. Als dan iemand
op je toe stapt en je aanspreekt, dan geef je bijna altijd iets.

Voor
hij me kan aanspreken heb ik dus mijn portefeuille al in de
hand. Dan zegt hij, in gebrekkig Frans: Nee, meneer, ik wil geen
geld.

Flashback,twaalf jaar geleden

Ik zit op het terras van Café Papillon in
Prishtina, Kosovo, en drink een macchiato. Het is schemeravond maar
de warmte van de zomerdag hangt nog om de schouders. Ik ben in het
gezelschap van twee jongemannen. Ze zitten tegenover me aan
tafel.

Links een blonde Kosovaar die naamloos wenst te blijven en
rechts een donkerharige Kosovaar voor wie hetzelfde geldt. Het is
een paar jaar na de NAVO-bombardementen op Servië en de situatie is
relatief stabiel in de regio.

Kosovo zelf is ondertussen een soort de
facto protectoraat van de VN geworden, maar heeft nog niet de
onafhankelijkheid verkregen. Het is het enige land buiten de EU waar
de euro toch de officiële munteenheid is.

Je ziet hier een
fenomenale diversiteit aan mensen rondlopen. Internationale
organisaties, ngo’s en militairen zijn massaal neergestreken om op
het puin een democratie naar Amerikaans model op te bouwen. Daardoor
hangt er hier een sfeer van een soort geïnverteerde Far West: een
overdaad aan Sheriffs struint door de straten. Ikzelf vertegenwoordig
een ngo, en draag dus op een bepaalde manier ook zo’n Sheriffster, maar ik
doe mijn best om dat niet te hard te laten merken.

Een kind
komt aangelopen en dient zich aan onze tafel aan. Het is een dreumes
van hooguit zeven jaar en hij zeult een tas namaaksigaretten met zich
mee, die hij tegen een zachte prijs verpatst. We kijken er niet van
op dat hij nog zo jong is.

We weten dat we hem en vele van zijn
lotgenootjes nog tot in de late uurtjes zullen tegenkomen in de bars
en restaurants van de stad. Hun aanwezigheid is even alledaags
geworden als de stroompannes die zich ongeveer elke twee uur voordoen
en waarbij het licht even uitvalt tot de generatoren aanspringen.

Soms worden ze weggejaagd, de kinderen, vooral op de plaatsen waar
veel internationals komen, maar elders meestal niet. Ik knik
vriendelijk naar het kind en koop een pakje Memphis Blue Light, omdat
mijn gebruikelijke merk niet in zijn assortiment zit. Het hummeltje
overhandigt me de sigaretten met een apathische blik in zijn
ogen en verdwijnt in de nacht, om elders zijn zegelloze waren te gaan
slijten.

Ik open het pakje en leg het op tafel – hier is
het de gewoonte dat je sigaretten deelt – en we
roken alle drie een tijdje zwijgend. Ik weet wat er in de lucht
hangt.

Mijn beide tafelgenoten, die tot de relatief gegoede klasse
behoren in hun land, schamen zich ietwat voor het kind. Het is een
discussie die we vaker hebben gehad en die ook nu de kop opsteekt.

De donkerharige jongen is van mening dat je geen sigaretten
mag kopen van die kinderen. Hij zegt dat ze door bendes worden
uitgezet en uitgeperst, en dat je dat niet mag aanmoedigen door hun
smokkelwaar te kopen. Hij vindt dat de overheid moet optreden en deze
kinderen van straat moet halen.

De blonde jongen
koopt bijna altijd sigaretten van de kinderen en hij drukt hun dan
steevast een extraatje in de hand. Hij vindt dat de overheid niet
alles tegelijk kan aanpakken en dat wij – lees: wij die het beter
hebben – alle kleine dingen moeten doen die we kunnen om het leven
van die kinderen wat te verlichten. Als hij veel geld binnenbrengt,
zegt hij, dan krijgt ie alvast geen pak slaag straks.

Algauw
kronkelt het gesprek zich naar het metaniveau. De donkerharige
jongen gelooft heilig in de structuren van de internationale
gemeenschap die hier een zelfstandig bestuur proberen opzetten. Of
althans, hij ziet wel dingen die mislopen maar gelooft dat die
structuren toch de enige weg vooruit betekenen.

De blonde jongen is net terug van een VN-missie in Afghanistan waar hij
als lokale ngo-medewerker mee naartoe mocht, en is diep
teleurgesteld in wat hij daar gezien heeft. Hij zegt: “In mijn
eigen land heb ik altijd getwijfeld of de VN eigenlijk wel goed
werk doet. In Afghanistan ben ik er zeker van geworden dat dat niet
het geval is.” De discussie duurt nog tot laat in de nacht en zoals
gewoonlijk slaagt niemand erin om zijn grote gelijk te halen.
Daarvoor is de wereld te groot en zijn wij, met z’n drieën, te
klein.

Terug in Brussel, 2014 

Daar sta ik met
mijn portefeuille in de hand. “Nee, ik wil geen geld
meneer.” “Ah, euh, waar kan ik u dan mee helpen?”

Hij
vertelt me, voor zover ik het door de taalbarrière heen goed
begrijp, dat zijn dochtertje ziek is. Of althans, dat hij geen geld
genoeg heeft om eten voor haar te kopen. De afgestompte pendelaar in
mij denkt: “Dus toch geld nodig.” Hij vraagt me of ik kinderen
heb.

Achttien euro heeft hij nodig om in de apotheek babyvoeding te
gaan kopen. Dat hij geen geld in zijn handen wil, zegt hij ook, meen
ik te begrijpen. Of ik niet mee wil gaan naar de drogisterij om daar
de voeding voor hem te kopen, zodat ik zie dat hij niet liegt?

Ik
zit erg verveeld met zijn verhaal. Ik heb weinig tijd en sowieso heb
ik onvoldoende cash geld op zak. Als ik zou ingaan op zijn vraag, dan
zou ik in de apotheek met de kaart kunnen betalen. Ik zou dan wel te
laat komen voor mijn vergadering, want die is eigenlijk nu en is,
zoals dat meestal met vergaderingen het geval is, Erg Belangrijk. 

Op mijn linkerschouder zit een miniatuurversie van
de blonde Kosovaar, en die fluistert me in mijn oor dat ik het moet
doen. Dat deze man waarschijnlijk al de hele dag in de weer is en
alleen wat kleingeld bij mekaar heeft kunnen bedelen. Dat ik hier
en nu de kans heb om het verschil te maken.

De donkerharige
Kosovaar, nu op mijn rechterschouder gezeten, argumenteert dat ik niet naïef moet zijn. Dat er voorzieningen bestaan waar deze
man geholpen zou moeten worden en dat ik hem een grotere dienst
bewijs door hem daarnaar toe te verwijzen. En ook: dat de kans
bestaat dat er achter dit verhaal een lelijke en louche waarheid
schuilt waar ik beter niets mee te maken kan hebben. Dat je niet
iedereen kan helpen en dat de structuren gewoon beter moeten. Dat je
je daarvoor moet inzetten.

Ik twijfel. Dan gaat mijn telefoon. Ik zie aan het nummer dat men mij van
binnen in het gebouw belt om te kijken of ik in aantocht ben. De
vergadering moet dringend beginnen, we wachten op jou. Dat zullen ze
zeggen.

Ik beantwoord de oproep en met mijn telefoon nog in de
hand neem ik een briefje van tien euro uit mijn portefeuille – meer
zit er niet in – en druk die in de hand van de man. Hij is
teleurgesteld, ik zie het in zijn blik. Maar hij knikt beleefd en
druipt af, terwijl ik door de draaideur naar binnen loop.

In de lift denk ik nog even na over de bedelaar,
de twee Kosovaren en het pakje Memphis Blue Light. Over structurele
solidariteit versus liefdadigheid en hoe daartussenin ergens
persoonlijke verantwoordelijkheid geprangd zit.

Over hoe sommigen
mijn tien euro naïef zullen vinden en dom. Opgelicht. En hoe anderen
me zullen verwijten dat ik grote woorden over solidariteit niet in
daden omzet als het erop aankomt. Maar dat is weer het metaverhaal.
Ik denk vooral dat ik, net als de meeste mensen, maar wat aanmodder
en dat we soms niet alleen te klein zijn voor de grote problemen,
maar ook op microniveau tekortschieten.

Volgende keer ga ik mee
naar de apotheek, denk ik beslist. Volgende keer. Maar ik weet niet
of dat waar is.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!