Van Hotel Central tot Picnic the Streets: klein panorama van het stadsactivisme in Brussel

Teaser fallback community afbeelding
(Vraagt Unité, het tijdschrift van de architectuurstudenten in Leuven, mij om snel als invaller een column te schrijven over experimenten in restruimtes in Brussel. Kan ik natuurlijk geen nee op zeggen:)...

Brussel was in de jaren tachtig een stille, zachtjes aan vervallende stad, die maar met grote moeite de stadsvlucht van de jaren zestig en zeventig te boven kwam en geen idee scheen te hebben hoe de overgang te maken van het industriële naar het postindustriële tijdperk. Een Londense vriend van mij was erdoor gecharmeerd, door die indommelende wereldstad van tweede of derde garnituur. ‘Let it slowly crumble’, was zijn mantra. En hij had niet helemaal ongelijk: het was charmant.

Ik kwam er in 1986 als werkeloze filosoof wonen in het blok van Hotel Central (naar het vervallen hotel dat er in zat), in de Ortsstraat, pal tegenover de Beursschouwburg, een fantastische plek, met uitzicht op het beursgebouw van op mijn balkon. Een paar jaren later werd het gebouw ontruimd. De kakkerlakken uit de verlaten keuken van een snackbar zochten voedsel hogerop en de ratten kwamen op het eind gewoon de trappen op. Toen het gerucht bevestigd werd dat men het hele blok wilde afbreken voor (afzichtelijke) nieuwbouw, kwam om dat te verhinderen een coalitie tot stand van bewoners, mensen van Sint-Lucas Architectuur, van het RITS, buurtbewoners en vooral, het moet gezegd, de Beursschouwburg, dat het epicentrum vormde van het hele verzet.

De inzet was hoog: een heel bouwblok in het hart van de stad zou tegen de grond gaan, een zoveelste voorbeeld van ‘Verbrusseling’, verkwanseling van de stad. Een titanenstrijd was het. Want alles was al in kannen en kruiken: plannen, bouwaanvragen, alles. Alle betrokkenen waren zich bewust van het historische van deze bezetting: inzet was niet alleen architectuurpatrimonium, maar ook stedelijkheid, recht op wonen: naast hotel, winkelpanden en horeca, was de eis dat ook en vooral ook de woonfunctie werd behouden. Het was de sfeer van grote dagen. Straatfeesten, onderhandelingen, politierazzia’s, ... Wie erbij was, vergeet het nooit. De bioscoop recht tegenover de Beursschouwburg was een van de gekraakte plekken. “Urban Squad Dance”, weet ik nog, was een van de activiteiten in de bioscoop. Het plakkaat met dat opschrift heeft er lange tijd daarna nog gehangen. De strijd om Hotel Central was ook een kantelmoment. Het vormde volgens sommige ingewijden het begin van zoiets als  stadsactivisme in Brussel. Later zou daar de bezetting van het Luxemburgstation uit voortgekomen zijn en ook City Mine(d), een organisatie van stadsactivisten.  De bezetting van Hotel Central, als oergebeurtenis, moet ooit eens gedocumenteerd worden, nu zowat alle betrokkenen nog leven (bijvoorbeeld in een masterthesis of zelfs een doctoraat).

De activisten hebben de strijd gewonnen: het blok van Hotel Central staat er nog en dat is een triomf. Want het leek bij voorbaat een verloren zaak. Maar helaas, het Marriot Hotel dat nu een groot deel van het bouwblok inneemt (voormalig Hotel Central en de bioscoop) is niet echt waar wij van droomden: een ‘corporate hotel’. Het lijkt wel een ijzeren, duivelse wet: stadsactivisme leidt tot gentrificatie. Maar tegelijk: architectuur is geduldig, wie weet vindt dit bouwblok nog nieuwe bestemmingen in een verre toekomst. De latere bezetting van het Luxemburgstation[1], vertoont helaas een analoog patroon: het historische stationsgebouw aan het Luxenburgplein, dat, vlak voor de kolos van het Europarlement, het hele plein dat in één geut gebouwd is, afsluit en bekroont - werd gered (hoera!). Maar het is nu het ‘Belgian Press Center’, toch niet echt waar je van droomt als een verbindingsteken tussen Europa en de stad Brussel. Ook hier moeten we misschien geduld oefenen, en het redden van dit fraaie stukje architecturaal patrimonium beschouwen als doel op zich. 

    Uit deze en dergelijke acties ontstond dus City Mine(d)... een stadsactivistische groep die nu al jaren bezig is met acties en evenementen, experimenten in restruimtes. Naast Brussel zijn ze ook in Londen en Barcelona actief. Cinema Open Air, een openlucht filmfestival in de zomer, op verlaten plekken in Brussel was hun jarenlange publiekstrekker. Maar vele van hun projecten werken meer in de diepte, kleinschalig onder de radar van de media-aandacht: nu bijvoorbeeld zijn ze bezig met water in de Europawijk.

‘Brussel 2000’, Europese Culturele Hoofdstad, was een belangrijke mijlpaal in een bewuste, activistische omgang met de stad, hoewel het project in zijn geheel serieus verzandde in Brusselse en communautaire toestanden, blijft juist die activistische insteek overeind: de Zinnekeparade, een jaarlijkse optocht die vanuit de vele wijken en groepen van het superdiverse Brussel een jaar lang wordt voorbereid. Een moment van collectieve feestelijkheid, een feest waarin de vele gemeenschappen samenkomen[2]..  

Hoewel de krakersbeweging in Brussel nooit de ampleur kreeg van Amsterdam,  zijn er ook in Brussel een aantal experimenten in dit soort van “collectieve toe-eigeningen” die vermeldenswaard zijn. De trieste afloop van de Jesukerk met de recente ontruiming laat sporen na, maar er is nog het kraakpand ‘Koningstraat 123’ en ‘La Parfumerie’ (aan de Ninoofse Poort), heel verschillende bottom up ‘cultuurhuizen’ waar het werkwoord ‘commoning’(‘vergemeenschappelijken’, delen) centraal staan. Samen wonen, eten, samen musiceren, samen films kijken, samen debatteren, graffiti ateliers, enzovoort.

De rage van het stadstuinieren (urban gardening, guerrilla gardening, urban farming) is intussen ook in Brussel aangekomen, met als voorlopige parel aan de kroon een collectieve moestuin op het dak van de Koninklijke bibliotheek. Maar ook aan de Ninoofse Poort, Park Canal, en in La Parfumerie wordt geëxperimenteerd met stadstuinen. Hoewel vele van die pogingen kleinschalig, tijdelijk en enigszins aandoenlijk zijn, is de symbolische waarde groot: het is een activiteit van zelfvoorziening in voedsel die de ‘commoners’ door de ‘enclosures of the commons’ (van de 16de eeuw tot heden, van Morus tot Marx) ontnomen is. In deze tijden van ecologisch besef, voedselschaarste, economische crisis, urbanisering van de mensheid, de noodzaak tot ‘vegetarisering’ van ons dieet, zijn dit potentieel belangrijke initiatieven. En samen tuinieren en koken is natuurlijk op zich een basis activiteit van elke gemeenschapsvorming, van elke daad van ‘vergemeenschappelijking’.  

Zo is er Parkdesign, een initiatief van Architecture Workroom Brussels. Na vorig jaar te hebben geëxperimenteerd met landschappelijke interventies in restruimtes aan de kanaalzone, gaan ze dit jaar aan de slag in Tour en Taxi’s (tussen de twee bruggen aan het eind van dat oude douane-station). Ook hier zal urban farming centraal staan.

Een ander belangrijk experiment zijn de zogenaamde CLT ‘s, de Community Land Trusts, in Molenbeek, een vorm van collectief wonen, waarbij de grond, meestal oude fabriekspanden of stapelhuizen, eigendom blijven van de stad, maar de gebouwen in collectieve eigendom worden bewoond. Wat niet alleen een goedkoper wonen mogelijk maakt, maar ook een ander wonen, een meer collectief wonen, en daarenboven de gentrificatie en speculatie tegengaat (want de grond blijft stadseigendom). 

Een restruimte kan men ‘Josaphat Commons’, tussen het station van Evere en de Lambermontlaan, ter hoogte van het Josaphatpark, niet noemen: het is een open vlakte (een oud rangeerstation) van 24 hectaren of 46 voetbalvelden groot. Hoewel de regio er plannen heeft, is ook een groep activisten bezig met een brainstorm om deze gigantische open ruimte (of althans een deel ervan) als een ‘commons’, als gemene grond, als stadsmoestuin, etc op te eisen voor de burgers en in te vullen. Er is binnenkort algemene vergadering!

Verder is er nog van alles: er is Cyclo Guerilla, een groep die fietspaden schildert waar er geen zijn, park ludic, park kanal, de facebookgroep I love Molenbeek, etc. Te veel om op te noemen (en ook veel dat ik niet ken wellicht). En Natuurlijk, Picnic the Streets! Een actie van burgerlijke ongehoorzaamheid, die, op een voorzet van filosoof Philippe van Parijs, een opiniestuk in kranten, via facebook viraal ging en een overweldigend succes werd: 2000 picknickers op het Beursplein in juni 2012 herinnerden het stadsbestuur aan zijn meer dan 10 jaar oude belofte om het Beursplein en omgeving autovrij te maken.... De Burgemeester kon niet anders dan snel de niet aangevraagde actie toestemming geven. Dat autovrij maken zou nu snel gebeuren (hoewel men na de verkiezingen in dit land wel eens de beloftes vergeet). Waakzaamheid blijft geboden, dus komt er, na de verkiezingen, weer een picknick aan...

En daarmee is de cirkel rond: Hotel Central en Picnic the Streets zijn letterlijk buren (het Hotel Central bouwblok ligt aan het Beursplein). Beide bewijzen dat stadsactivisme zich niet alleen afspeelt in de restruimtes, de terrain vagues, de braaklanden, de ‘interstitiële ruimtes’ (ofte tussenruimtes) van de stad, maar ook pal in het centrum. Het recht op de stad is (weten we sinds Henri Lefebvre) ook een recht op centraliteit.

Als uitsmijter, wil ik nog even vooruitkijken en inzoomen op de uiterste periferie, door de aandacht te vestigen op de bouw van de megagevangenis in Haren. Haren is een geteisterd dorp, gevangen in de industriële zone rond Vilvoorde lijkt het oude dorp (met fraaie kerk en gemeentehuis) in zijn geheel een restruimte geworden en nu wordt daar dus binnenkort die megagevangenis gebouwd. Wat is daar tegen? Het gaat om een privatisering van de opsluiting (want Haren zal semi-privaat uitgebaat worden). Er zijn ook gerechtszalen in de gevangenis voorzien, een precedent voor uitzonderingsrecht wat in een rechtstaat onaanvaardbaar is. En wie op bezoek wil in de gevangenis moet naar een slecht bereikbare uithoek. En ten slotte, een van de laatste grote open ruimtes wordt opgeslokt, een mooi braakland dat een park zou kunnen worden. De kans om van Haren een verblijfplaats te maken voor de vele jonge gezinnen die Brussel zullen vervoegen tegen 2020 wordt verkwanseld. Allemaal redenen om dwars te gaan liggen en te zeggen, net zoals bij Hotel Central: ‘Over our dead bodies’. Iets voor het A3LF, het Architectural Animal Allround Liberation Front[3]? Het bestaat nog niet misschien, maar wat niet is kan nog komen, en hoe het ook zal heten - protest tegen die gevangenis is een must. Stadsactivisten aller kanten, verenigt u!

Lieven De Cauter

[1]  De activistische professor Eric Corijn schreef er samen met Jacqueline Groth over in ons boek Art and Activism in the Age of Globalization - onder de veelzeggende titel: The need for freezones: informal actors setting the urban agenda.

[2] Ook daar had Eric Corijn met zijn busproject Crossing Brussels en zijn latere onderzoeksgroep Cosmopolis de hand in.

[3] Zie daarover mijn ‘Pleidooi voor een urbane architectuur’, oorspronkelijk gepubliceerd in Unité en later overgenomen door Rekto:Verso en De Wereld Morgen. Voorgedragen door een onbekende (waarvoor dank) voor de Geert Bekaertprijs voor architectuurkritiek 2014 (maar niet bekroond:).

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?