De brochure ‘Vivre et travailler en Belgique' werd vanaf februari 1964 verdeeld in Marokko
Nieuws, Column -

50 jaar migratie- Een ode aan de pioniers

Het is vandaag exact vijftig jaar geleden dat België een akkoord tekende met Marokko om arbeidskrachten naar België te laten komen. Schrijver en columnist Fikry El Azzouzi schreef een ode aan deze pioniers.

maandag 17 februari 2014 09:02

O Pionier.

Jij oude man en rusteloze ziel die op zoek ging naar geluk. Uit onherbergzaam gebied vertrok je voor een spannend avontuur. Je benen, de ezel, de bus, de boot, de trein, niets hield je tegen, je had een doel. De onwetendheid over een onbekend land gaf je een vreemd gevoel. Met honger en een despoot die je liever kwijt dan rijk was, smaakte een vlucht naar het land van waterzooi o zo zoet. Je was een cowboy, een piraat, je ging op jihad om een land te veroveren.

Je hoefde niemand te betoveren. Fysieke kracht, daar draaide het om. Een machine met goede tanden en stevige werkhanden moest je zijn. Je avontuurlijke glimlach mocht vooral niet te assertief lijken. Je weet maar nooit of zo een menselijke machine een kortsluiting in het hoofd kon krijgen en daardoor een kettingreactie bij andere machines kon dreigen.

Na de mijnramp van Marcinelle had men nood aan nog robuuster en nog betrouwbaarder gereedschap.

Protest was uit den boze, stilzwijgende productie, dat was het algemeen besluit. Je romantische ziel, de piraat die diep in je binnenste schuilde, doofde langzaam uit. De taal, een nieuw verhaal en het isolement wogen op je moraal. Maar het was allemaal tijdelijk, een groot zak geld en je was met het land van waterzooi helemaal klaar.

O Pionier.

De hulp en gastvrijheid waren oprecht. Maar de dagen in het land van waterzooi bleken een gevecht dat je niet kon winnen. Je zelfvertrouwen daalde en het besef dat je een werktuig was spookte in je hoofd. Een werktuig dat geen weet had van zinnen, nog steeds niet, ook al is dat ongehoord.

Je wilde je bezinnen, want je leefde in een kooi van arbeid en innen. De koffer die steeds klaar stond om te vertrekken, pakte je eindelijk uit. Je wederhelft volgde en bracht een flikkering in dagen van arbeid en eenzaamheid.

Je kroost werd groter en groter, maar de bergen, de zee en de grillige poëzie in het landschap lieten je niet los. Je vroeg je af hoe het zou zijn als je was gebleven en waarom je naar het land van waterzooi werd gedreven. Een landbouwer, een herder, een visser, dat oogde zo mooi.

Je aanvaarde je lot, je was de prooi van het land van waterzooi.

O Pionier.

Na jarenlang op vakantie in een grote wagen met gordijnen, het handelsmerk van de Riffijnen. Met op de achterbank huilende kinderen wiens kelen je het liefst wilde dichtknijpen om ze te doen zwijgen.

Aan de grens met je vaderland zag je het gekrioel en je kreeg een vreemd gevoel. Het land waar je zoveel van hield begon op je zenuwen te werken. De corruptie, de chaos, je liet het niet merken, maar het maakte je helemaal gek.

Het land van waterzooi hield je jarenlang gegijzeld, want het Stockholm syndroom had je oude dromen verbrijzeld. De droom was dood, leve de droom van morgen.

O Pionier.

Je was niet vrij van zorgen. Het leven van machine bracht zware gezondheidsproblemen met zich mee. Je keek niet meer naar morgen, want je collega-werktuigen waren al snel defect. Ploeteren tot ze erbij neervielen en daarna werden ze afgedekt. Als geschenk kregen ze de eerste vlucht, hun namen werden niet meer dan een gerucht.

Uitsluiting en racisme kende je goed, maar van activisme was geen sprake, in je vaderland eindigde dit altijd in bloed.

Je begreep je kinderen niet. Zij spraken Nederlands, jij sprak cryptisch. Jij sprak Tmazigh, zij spraken cryptisch. En zo raakte je gezin in een Babylonische spraakverwarring.

Het land van waterzooi was niet de jouwe en in je vaderland hield je het maar enkele maanden vol. De verwarring deed soms pijn, je begreep het niet. Je dacht bij jezelf: ik aanvaard eindelijk mijn lot, het is niet ik die beslist, maar God.

O Pionier.

Oud en versleten ben je geworden. Vijf maal per dag vertrek je met je wandelstok naar de moskee. Vijf maal per dag voer je met bejaarde werktuigen nostalgische gesprekken over lang vervlogen tijden. Vijftig maal per dag staar je door het raam en drink je samen met je wederhelft koffie. Voor jou geen thee. Vijftig maal per dag wacht je op je kinderen en kleinkinderen. Het enige moment van de dag waar je naar uitkeek.

De dood kwam steeds dichterbij, dat vond je niet zo slecht. Net zoals je het leven niet zo slecht vond. Je laatste wens was om te sterven in het land van waterzooi en de eerste vlucht te nemen naar je geboortegrond om daar begraven te worden. De laatste adem bij je kroost, de laatste troost in het land van oorsprong. Dat vond je wel een goed akkoord.

Naast columns en romans schrijft Fikry El Azzouzi ook theaterstukken en maakt hij deel uit van theatercollectief SIN.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!