De verschuiving in de verhouding overheid – verenigingsleven

De verschuiving in de verhouding overheid – verenigingsleven

maandag 10 februari 2014 12:41

Wat ik hier schrijf haal ik gewoon uit 35 jaar persoonlijke ervaring in mijn contacten met de Vlaamse overheid als initiatiefnemer in/vanuit het middenveld.

Mijn eerste initiatief in het verenigingsleven was niet in Foyer, maar in een Italiaanse zelforganisatie die deel uitmaakte van een cluster rond de toenmalige Kurgemse CASI-UO (met mensen als Ducoli, Panciera en Marchi). We investeerden als vereniging in vormingswerk à la Paolo Freire. In 1979 startte ik toen met Loredana Marchi een soortgelijke werking op in Laken.

Toen ik merkte dat er zich een ernstig probleem stelde rond de medicalisering van veel eerste generatie migranten, contacteerde ik Vic Anciaux die toen gewestminister was met bevoegdheden in die materie en stelde hem voor om een Centrum voor Welzijnszorg op te starten in de extramurale geestelijke gezondheidszorg dat rekening zou houden met aspecten van interculturalisme. Na enkele gesprekken volgde de minister de redenering en zag het CW Laken het levenslicht (met mensen als A. Gailly, Christ’l Joris en Ph. Hermans), een dienst die vandaag opgenomen is in het gehele circuit van de Nederlandstalige extramurale geestelijke gezondheidszorg te Brussel. Jaren lang waren deze mensen belangrijke adviseurs voor veel Brusselse artsen.

In 1981 kwam ik dan bij Foyer terecht in Molenbeek. In die jaren 80 heb ik contact gehad met mensen als mevrouw Steyaert, de heer Hugo Weckx, later bij onderwijsprojecten met Daniel Coens. Vaak had ik onzachte en zelfs harde woordenwisselingen met die mensen – het kwam zowel van hun kant als van mijn kant – maar nooit bleef iets hangen in de vorm van rancune, of werd de Foyer erop afgerekend.

Je kreeg gewoon het etiket opgekleefd van een lastig mens te zijn, eigenzinnig ook, maar die ministers bleven altijd over de inhoud zelf verder praten en als die zinnig was, zocht men een compromis, met respect voor het geleverde werk. In die periode startten te Brussel toen, met weinig financiële middelen, de Coördinatie Nederlands voor migranten (met meer dan 1000 cursisten), de juridische dienst Foyer, het deeltijds leren dat nadien zeer succesvol is geweest bij jongeren uit Roma middens, een sterke vrouwenwerking (Dar al Amal), de interculturele bemiddeling… allemaal werkingen gegroeid uit een onmiddellijk contact met de basis. Ook Brusselse burgemeesters erkenden het grote nut van de Foyer werking voor hun gemeenten. Zo liet Philippe Moureaux elke nieuwkomer in zijn gemeente weten dat hij er goed zou aan doen om cursussen Nederlands te volgen bij Foyer, een traditie die Bon nadien kon verder zetten…

Zelf heb ik geprobeerd om diezelfde mentaliteit met me mee te dragen toen ik eerst kabinetschef bij de Koninklijk Commissaris werd, nadien directeur van het CGKR, zeg maar de jaren 90. Ongetwijfeld heb ik toen soms ook verkeerde beslissingen genomen, soms ook heb ik zware aanvaringen gehad met sommige mensen uit het middenveld – ik herinner me heroïsche discussies over het nut of niet van een spreidingsbeleid – , maar steeds heb ik een groot respect blijven houden, ook na botsingen, voor het werk dat een vereniging geleverd had én voor zijn mensen. En ik eiste dit ook van mijn team. Ik ging ook altijd op uitnodigingen in om een werk te bezoeken. Ik haatte constructies opgesteld in een of ander kantoor. Over die periode zal ik echter niets zeggen vanuit het oogpunt van het verenigingsleven. Ik stond toen structureel grotendeels aan de andere kant.

Mijn ervaringen vanuit het middenveld starten pas opnieuw rond 2003. En ik moet toegeven dat mijn verbazing heel groot is. Ik merk een verenigingsleven dat vaak schrik heeft om voor zijn mening uit te komen. Ik merk een overheid die de mond vol heeft over een “warm Vlaanderen”, maar o wee diegene die enig vraagteken durft te plaatsen bij de nogal lage warmtegraad.

Maar los van het subjectieve aanvoelen van een gewijzigd klimaat, lijkt me structureel dè grote verandering de volgende te zijn. Het verenigingsleven dat ik gekend heb ik de jaren 70-80-90 was een verenigingsleven dat zich op de eerste plaats wou positioneren als een dienst aan de samenleving, rechtstreeks gericht op de mensen en hun noden, zonder bemiddeling van het (partij)politieke. Een verenigingsleven dat zeer mondig was en daarbij gesteund werd door de media. Vandaag merk ik dat de politiek het precies met zulk een opstelling héél moeilijk heeft. De politiek wenst dat het verenigingsleven zich positioneert als een dienst aan de politiek (met haar partijpolitieke inkleuring) en zich slechts in tweede orde ziet als een dienst aan de mens. Ook de mondigheid werd teruggeschroefd. En het onmondig worden wordt zelfs een criterium om bij je voortbestaan op veilig te spelen.

Het drama vandaag van een vereniging als Foyer is dat Foyer zich is blijven zien als een vereniging die zich vooral (en bijna uitsluitend) tegenover de mensen zelf en hun noden te verantwoorden heeft en slechts in secundaire orde tegenover de politiek. Zulk een houding wordt door de partijpolitiek als eigenzinnigheid geduid en geweerd. Is het toeval dat de Foyer tijdens de regeerperiode van de huidige “warme” Vlaamse regering een derde van zijn team afgenomen ziet? In het ergste geval door zijn interculturele meertalige onderwijsprojecten zonder meer geschrapt te zien(door toedoen van de onderwijsminister); in de tweede, zachtere versie door een deel van zijn werking onder curatele van een Vlaams EVA met een partijpolitiek ingevuld bestuurskader ondergebracht te zien (door toedoen van de minister voor inburgering en integratie) …

Het toppunt bij zulke “warme” benadering is dat er inhoudelijk door de overheid eigenlijk geen kritiek geleverd wordt op de Foyer werking, maar dat het puur gaat over “eigenzinnigheid” die aangeklaagd wordt en over het “onderbrengen” en zogenaamd “redden” van een concreet werk door het in een “grotere, veiliger structuur” onder te brengen. Mij lijkt het voorspelbaar dat dit binnen enkele jaren als een minder efficiënte, maar duurdere keuze uit de verf zal komen.

Niets kan immers zo efficiënt, flexibel en vertrekkend van concrete noden werken dan een goed middenveld, waar op een tweede moment een administratie op inspeelt. En niet omgekeerd, een administratie die vooraf de concrete noden bepaalt om dan mensen vanuit die op kantoor gemaakte analyses naar het veld te sturen. Het probleem van zulke mensen is dan immers hoe ze ooit bij die concrete mensen moeten geraken…

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!