'The Wolf of Wall Street' voer triomf en neergang van de moderne gangster
Nieuws, Economie, Cultuur, Recensie, Misdaad, Wall Street, Martin Scorsese, Jordan Belfort, Beurszwendelaars -

‘The Wolf of Wall Street’: failliet van hebzuchtige, narcistische beschaving

Nog nooit vertolkte Leonardo DiCaprio zo'n walgelijk figuur: een narcistische, hebzuchtige en decadente trader die in zijn extreem hedonisme de wereld ziet als een consumptiegoed. Martin Scorsese's 'gangster is een beurszwendelaar die de verdorvenheid van het kapitalisme en het failliet van een beschaving illustreert.

woensdag 15 januari 2014 12:00

In België haalde de nieuwe film van Martin Scorsese The Wolf of Wall Street de lijstjeszieke pers met 506 ‘fucks’ waarmee hij Summer of Sam van Spike Lee verdringt als film met de meeste ‘fucks’.  In de VS zelf was dat gevloek niet echt nieuws. Daar ging de controverse over van het ontbreken van ‘een conventionele morele houding’.

“No Moralizing, Great Filmmaking”; zo vatte filmcriticus David Thomson met een knipoog naar een bekende whisky-commercial de film samen in het tweewekelijks tijdschrift New Republic. Hij zag een verband met  Harmony Korine’s Spring Breakers, een andere verontrustende film uit 2013 die de kijker schijnbaar zonder kritische afstand confronteert met verdorvenheid en losbandigheid. Anderen hielden het bij misprijzen voor wat ze zagen als een verwerpelijke verheerlijking van beurszwendelaar Jordan Belfort, de man waar de film over gaat.

Een bordkartonnen, ‘echte’ handelaar in ‘fugazi’

De door Boardwalk Empire-scenarist Terence Winter geschreven zwarte komedie The Wolf of Wall Street is een adaptatie van Jordan Belforts in 2007 gepubliceerde ‘memoires’ (ja, deze larger than life-figuur bestaat echt). Het verhaal begint wanneer de 24-jarige Jordan (Leonardo DiCaprio) in 1987 zijn eerste stappen op Wall Street zet als effectenmakelaar bij de handels- en investeringsbank LF Rothschild.

Hij leert er van zijn mentor, de door de wol geverfde beurshandelaar Mark Hanna (Matthew McConaughey), dat seks en drugs helpen om te overleven in een omgeving waar niemand iets creëert dat echt is. Alles draait volgens Hanna om fugazi, het idee dat de aangeboden aandelen in werkelijkheid niet bestaan. Dat kan omdat ‘de klant’ niet echt van tel is. Het eigenbelang primeert.

De ‘Black Monday’ beurscrash van 19 oktober 1987 zorgt voor een tijdelijke ondergang maar de werkloze Belfort creëert zijn eigen bedrijf en succes door voor een hoge commissie onbeduidende aandelen te verkopen aan gewone mensen. Zonder scrupules heeft Belfort het over “selling garbage to garbagemen” en beveelt hij zijn medewerkers “Don’t hang up until the client either buys or dies!”

Samen met zijn partner Donnie Azoff (Jonah Hill) maakt hij van Stratton Oakmont een bloeiend bedrijf door tonnen geld opleverende bedrieglijke operaties. De zeepbel die hij creëert wordt gecamoufleerd door een exuberant, decadent privé- en beroepsleven in het teken van seks, drugs en consumptie.

Huwelijken en relaties lopen op de klippen, de FBI begint een onderzoek geleid door agent Patrick Denham (Kyle Chandler), Belfort zoekt zijn financiële toevlucht in Zwitserland en langzamerhand loopt alles uit de hand. Belfort wil echter van geen wijken weten. Hij weigert een deal die een gevangenisstraf zou uitwissen en maakt uiteindelijk na een korte verbanning zijn comeback als motivatiegoeroe voor mensen die dromen van geld, succes en the American way.

Scorsese geeft het priesterschap op

Filmregisseur Martin Scorsese (°1942) groeide op in de Newyorkse wijk Little Italy. Die invloed op zijn werk heeft hij steeds erkend. Hij beschrijft zijn jeugd steevast als eenzaam: door een zware astma die hem veel binnenkamers hield bleef Scorsese steeds een outsider.

De jonge Scorsese kon niet optrekken met andere kinderen en ging vaak met zijn vader naar de bioscoop. De ontwikkeling van zijn interesse voor film en de ontwikkeling van zijn observatietalent gingen daardoor hand in hand. Hij beleefde het gedrag en de waarden van zijn milieu vanop een afstand, alsof het leven een film is.

Ook religie speelde een belangrijke rol in Scorsese’s leven en hoewel hij zich nu als agnost beschouwt geeft hij toe “het ritueel van het katholicisme nooit verwerkt te hebben”. Bijna was hij zelfs priester geworden: “In Little Italy werd je priester of gangster en aangezien ik geen gangster kon worden…”. Maar hij werd afgewezen. Afwijzing zou net als zonde, schuld en boete blijven opduiken als een thema in zijn werk.

Volgens criticus Pascal Bonitzer zitten er in Scorsese drie personages: een priester, een zelfdestructieve bandiet en een estheet. De priester staat achter de camera, de bandiet ervoor en de estheet ertussen. Individuele (creatieve) en culturele (morele, religieuze) factoren spelen daarbij een rol.

Het verklaart waarom de regisseur van Taxi Driver, Raging Bull, Good Fellas, Casino, Gangs of New York, The Aviator, The Departed, Shutter Island en Hugo – ondanks de afstand – zo nauw betrokken is bij zijn personages en hun gedrag. Terwijl er een onderscheid is dat verbonden is met het verschil tussen realiteit en fictie, tussen directe dierlijkheid en gerationaliseerde emoties, tussen frustraties en loutering.

“Mijn enige verschil met Travis Bickle (de taxcichauffeur in Taxi Driver),” aldus Scorsese, “is dat mijn neuroses via film tot ontlading kunnen komen, ik kan ze uitspuwen, in beelden omzetten, zodat ze nooit tot echte wraakgevoelens gisten”, terwijl geweld voor het hoofdpersonage van Taxi Driver de enige uitlaatklep is.

Wanneer hij na echtscheidingsperikelen in 1978 fysiek in elkaar klapt en gehospitaliseerd wordt wil hij absoluut Raging Bull maken. Waarom? Omdat het boksdrama een uitdrukking is van wat hij zelf heeft doorgemaakt: “De katholieke erfenis, het schuldgevoel, de hoop op verlossing. Misschien is het te pretentieus om over verlossing te praten. Het is vooral een kwestie van zichzelf aanvaarden”.

Na zijn herstel ontfermt Scorsese zich samen met vriend Robert De Niro over het script van Mardik Martin en Paul Schrader. De verstokte New Yorker trekt zich terug op een Caraïbisch eiland en tovert Raging Bull om in het verhaal van als machismo vermomd masochisme, van intense woede- en schuldgevoelens.

Om zo dicht mogelijk bij de innerlijke queeste van zijn hoofdfiguur te blijven opteert hij voor een ascetische aanpak (gestileerde zwart-wit fotografie en gechoreografeerde bokskampen) terwijl De Niro met een medisch gevaarlijke onderneming (een gewichtstoename van 30 kilo op korte tijd) het geheel geloofwaardig houdt.

Jake La Motta is één van die typische Scorsese-personages wier zelfvernietiging een straf voor de Zonde is. Schulgevoel en loutering maken deel uit van hun persoonlijkheid en worden niet verbonden met een specifieke daad. “Zo worden Italo-Amerikanen geboren,” stelt Scorsese, “overtuigd van het feit dat ze wat hen toebedeeld wordt niet verdienen”.

Het inwendige leven van zijn personages was er dan ook een van intens lijden, van hevige, intense emoties. Dat hebben ze gemeen met een regisseur die bekent “Ik had geen doel in mijn leven, alleen een passie voor film”.

Met zijn 23ste fictielangspeelfilm gooit Scorsese figuurlijk zijn kap over de haag. “At last Scorsese has abandoned the priesthood” stelt Thomson. The Wolf of Wall Street is geen katholiek drama over zondige mensen maar een nihilistische donkere komedie over een corrupte samenleving gebouwd op opportunisme, hebzucht en narcisme.

De blik van een alien

In Scorsese’s legendarische gangsterfilms Goodfellas en Casino zat steeds een dosis empathie. De personages mochten dan klootzakken zijn, ze waren ook altijd een beetje zijn alter ego. Dat zijn de figuren die The Wolf of Wall Street bevolken helemaal niet. Scorsese kijkt als een alien naar deze vreemde wezens, deze groteske karikaturen, zonder enig zondebesef of trauma.

De white collar gangsters van de beurs missen de band met de realiteit en ‘het volk’ die Scorsese’s andere gangsters wel hadden. Ze vertegenwoordigen ook een even kunstmatig als corrupt wereldje. Bovendien zijn ze dolgedraaide consumptiemachines die gedreven worden door overdaad.

Hoofdfiguur Belfort baadt in drugs en luxe, gebruikt orgieën als motivatietechniek, ruilt zijn vrouw in voor een vleesgeworden lustobject en daagt FBI-agenten uit op zijn yacht. Alles is over the top, ridicuul en walgelijk bij deze verdorven narcist zonder geweten en zonder verlangen naar loutering.

Scorsese ziet Wall Street als een eindeloze orgie met als enig doel het in stand houden van de eigen macht, ongeacht de crisissen en de slachtoffers. Dat dolgedraaid perpetuum mobile vertaalt hij in een cartoonachtige filmstijl, een satirische toon en groteske metaforen, met een hoofdpersonage dat zich geregeld rechtstreeks tot het publiek richt.

In een wereld waar toiletten tot ‘no fucking zone’ worden uitgeroepen zegt een scène waar de door drugs verlamde Belfort naar zijn luxewagen kruipt alles over het reptielachtige karakter en het vertekende wereldbeeld (het gebeuren loopt heel anders in zijn herinnering/verbeelding) van deze onsympathieke schurk.

Van verheerlijking of romantiek is hier geen sprake. Daar waar in Casino de misdadiger een rijk opbouwde voor zijn geliefde, ontbreekt dergelijke motivatie in The Wolf of Wall Street. Scorsese beschrijft geen doelgericht handelen maar een verslaving, hij voert geen excuses aan (geen jeugdtrauma, armoede, geheim) en serveert geen verklaringen.

Hij toont enkel een onverbetelijke manipulator die verslaafd is aan geld (aan papieren geld waar zelfs vrouwen worden mee ingepakt) en aan de drang naar ‘steeds meer’. Maar Belfort is ook het universum waarin hij verkeert. Hij is niet de duivel die het paradijs bezoedelt. Hij is niet de worm in de appel van Wall Street. Wall Street is zelf die worm, dat ‘out of control‘ monster.

Scorsese is hier mijlenver verwijderd van de schuld-en-boete thematiek van de gangsterfilms die hij in de 20ste eeuw draaide. In de 21ste eeuw maakt hij epossen die de tijdsgeest weerspiegelen, verhalen zonder nadrukkelijk moreel oordeel over een nieuwe generatie gangsters die ongestraft de boel kunnen belazeren en die er zoals Belfort enkel van dromen om te herbeginnen.

Belfort wordt lichtjes gestraft maar keert triomfantelijk terug als leermeester, als lichtend voorbeeld voor mensen die zijn verslaving delen. Het is duidelijk dat deze gewetenloze listigaard zal blijven baden in geld en aanzien, met dank aan een algemeen cynisme. De teloorgang is hier niet die van een ontspoord individu (de anti-helden van Taxi Driver, Raging Bull en GoodFellas) maar die van een corrupt systeem en een failliete beschaving.

Schaamteloze, donkere zedenkomedie

The Wolf of Wall Street is een drie uur durende schaamteloze zedenkomedie, een verhaal over hebzucht en narcisme dat verbonden is met de sociale geschiedenis van een land. Een verhaal dat de kijker, die maar al te vertrouwd is met de gevolgen van de financiële crisis van 2008, confronteert met een extreme interpretatie van de Amerikaanse droom die er aan de basis van lag. Met mensen die hun recht op vrijheid ten koste van alles opeisen en daarbij anderen platwalsen.

Het ‘fuck you’ geroep typeert de graaicultuur, Belfort en de aandelenhandelaars hebben lak aan alles en iedereen, leven enkel voor zichzelf. Geen moraal, geen empathie, geen berouw. Belforts narcisme en neiging tot zelfdestructie is die van financiële zwendelaars die totaal losstaan van de economie en de samenleving.

Scorsese’s film is de moderne, donkere versie van Scott Fitzgeralds (door Bazz Luhrmann verfilmde) The Great Gatsby, een metafoor voor hoe het kapitalisme de ziel verziekt, maar dan zonder de tragische liefde van Jay Gatsby, het pijnlijke schuldgevoel en het hoger doel.

Ook zonder de spanning tussen verlangen naar het realiseren van de Amerikaanse droom en het besef dat daarvoor iemand een prijs betaalt. Dingen die je bijvoorbeeld wel in het andere in de prijzenrace betrokken con artist drama American Hustle van David O’ Russell aantreft.

Voor Belfort & co zijn feestjes geen middel maar een doel op zich en maakt de drang naar rijkdom blind voor armoede. Slachtoffers bestaan in hun ogen niet, alleen mensen die geen kansen grijpen en daarom best bij MacDonalds gaan werken.

Regisseur Scorsese weert de slachtoffers ook uit beeld. Op enkele dwergen na die gebruikt worden voor een wedstrijd ‘dwerg-werpen’ tijdens een feestje en een vrouw die voor geld (en een borstvergroting) haar haren laat afscheren. Enkel bij haar zien we even het besef van de vernedering en de pijn van de foute keuze. Scorsese creëert hier haast terloops een heel bizar bijna Holocaust-achtig beeld.

Maar de slachtoffers van de scrupuleuze aandelenhandelaars blijven helemaal onzichtbaar. “We wilden niet dat je ooit de stemmen aan de andere kant van de lijn zou horen” stelt scenarist Winter. Scorsese wil de kijker immers niet bij de hand pakken om hun een oordeel op te dringen. Hij gaat ervan uit dat de gevolgen van dit buitensporig kapitalisme bekend zijn en wil de kijker vooral doen walgen van de ‘helden’ van Wall Street en de failliete beschaving waarvan ze het product zijn.

Daarom is het ook de bedoeling dat we de film schaamteloos en de personages decadent vinden. Dit is hightened reality, een satire die vulgariteit gebruikt om verdorvenheid te illustreren. Zonder de verzachting die American Hustle bijvoorbeeld introduceert via liefde, vriendschap, spijt, moreel besef en verdriet. De personages zijn niet half-goed, ze zijn totaal onmenselijk.

Men kan opwerpen dat Scorsese het feit dat Belfort het product is van een reactionair economisch systeem en van de cultuur van zijn tijd (van het anti-arbeidersoffensief gestart onder president Reagan) niet verwerkt in een ondubbelzinnige dialoog maar hij houdt de kijker wel een spiegel voor waarin die ontsporing te zien is.

Tenminste, voor wie wil want The Wolf of Wall Street zal ongetwijfeld ‘slechte fans’ hebben, cynici die het getoonde narcistische bestaan sexy en opwindend vinden. Verhalen over Wall Street-boys die hi-fiven tijdens extreme scènes doen de ronde. Dat zit in de blik van de kijker, zal Scorsese ongetwijfeld zeggen, dit onbegrip is een symptoom van de kwaal. Wie verslaafd is aan geld zal dat niet meteen als een probleem herkennen.

Wanneer de ‘zegevierende’ FBI-er voor de zoveelste keer eenzaam in de metro uit New York richting suburbs rijdt kan men in zijn blik twijfel lezen (er is niets veranderd, had ik niet beter Belforts aanbod aangenomen) maar ook trots en opluchting (omdat hij omringd is door gewone, in de realiteit levende mensen). De keuze, de interpretatie, is aan de toeschouwer. Maar ze zegt alles over de kijker en zijn visie op de wereld en het filmpubliek.

De officiële trailer van de film:

take down
the paywall
steun ons nu!