De tolerantiedrempel heruitgevonden
Opinie, Nieuws, Politiek, Racisme, België - Jef Verschueren

De tolerantiedrempel heruitgevonden

De 40 procent Vlamingen, akkoord met de stelling 'Moslims zijn een bedreiging voor onze cultuur en gebruiken', zijn aanzienlijk talrijker dan de 28 procent met hetzelfde oordeel in 1998. We zien dat de achterdocht tegenover de islam, die reeds zeer sterk was, vooral in het laatste decennium een grote sprong heeft gemaakt.

vrijdag 20 december 2013 13:45

Enkele weken geleden was de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2013, een uitgave van het Steunpunt Inburgering en Integratie, even in het nieuws. Uit 175 pagina’s gegevens selecteerde De Morgen (dinsdag 26 november 2013) een drietal cijfers om op de titelbladzijde aan te kondigen dat de helft van de Vlamingen niet van migranten houdt:

  • 40 procent vindt dat moslims een bedreiging zijn voor onze cultuur;
  • 45 procent wil alleen mensen van Belgische herkomst in de wijk;
  • 47 procent gelooft dat migranten komen profiteren van de sociale zekerheid.

De keuze was zeker relevant. Ondanks een verdienstelijke editoriale commentaar en het obligate (overigens goed gekozen) citaat van Jozef De Witte was wat meer analyse zeker nuttig geweest. Dat bleek vooral in een later interview met Vlaams minister van Inburgering Geert Bourgeois en zijn N-VA-partijgenote Zuhal Demir (De Morgen, zaterdag 30 november 2013).

In een grootmoedige poging duidelijk te maken dat niet alleen nieuwkomers maar ook ‘onze samenleving’ inspanningen moet doen zegt Bourgeois: “Als een nieuwkomer zich in pakweg Izegem vestigt, moet je ervoor zorgen dat het wijkcomité meteen contact legt.” De toon is gezet: nieuwkomers zijn vreemd; hun komst is dus niet vanzelfsprekend; daarom moeten ‘wij’ zorgen dat ‘zij’ netjes ingepast geraken.

Stuurt men in Izegem het wijkcomité naar een Vlaming die verhuist vanuit Ieper? Natuurlijk niet. Of stapt een Hoogstraats wijkcomité af op een vers ingeweken Nederlander? Nog veel minder. De nieuwkomers over wie Bourgeois spreekt vormen dus wel een heel bijzondere soort, zij die niet echt thuis horen in een Vlaamse gemeente en die met veel goedwillendheid preventief met zorgen moeten worden omringd.

De superioriteit die hieruit spreekt wordt vreemd genoeg gedeeld door Zuhal Demir. Ze wenst niet te ontkennen dat er discriminatie bestaat, maar ze prijst de vele mogelijkheden die Vlaanderen biedt, waarna ze een echo wordt van Liesbeth Holemans: “Op een bepaald moment moet je uit die slachtofferrol stappen en kansen grijpen.” Racisme als excuus voor eigen falen?

Ze gaat nog een stapje verder met de vraag “Hoe komt het dat de verdraagzaamheid onder druk staat?” Voor Demir is het antwoord duidelijk. Het gaat niet om racisme, want het antwoord is: “Door het falende migratiebeleid en de massale collectieve regularisaties. Vlamingen stonden open voor de eerste generatie migranten, maar nu vragen ze zich af wat al die mensen hier komen doen.”

Met andere woorden, Vlamingen zijn in wezen tolerant (getuige de kansen die zij zelf heeft gekregen en gegrepen), maar verdraagzaamheid komt onder druk van de grote aantallen (dus moet het slot er op, de ultieme definitie van het goede migratiebeleid). Hoe open Vlamingen waren voor de eerste generatie is maar erg de vraag: Bourgeois kent nog de bordjes met ‘verboden voor Afrikanen’ op cafédeuren.

Toch geloofde men twintig jaar geleden in de ingeboren openheid van Vlamingen. Maar ook in de realiteit van een ‘tolerantiedrempel’. Gebrek aan verdraagzaamheid werd immers beschouwd als gevolg van een overdosis vreemdheid. Het woord wordt niet meer gebruikt. Het begrip lijkt echter springlevend.

Welke analyse ontbrak dan in de summiere weergave van enkele cijfers uit de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2013? Het antwoord op die vraag zou een lang verhaal kunnen zijn. Ik beperk me hier tot één facet. De 40 procent Vlamingen die akkoord gaan met de stelling “Moslims zijn een bedreiging voor onze cultuur en gebruiken” zijn aanzienlijk talrijker dan de 28% met hetzelfde oordeel in 1998. We zien dat de achterdocht tegenover de islam, die reeds zeer sterk was, vooral in het laatste decennium een grote sprong heeft gemaakt (naar 36 procent in 2002, 42 procent in 2004 en zelfs 43 procent in 2008).

Opinies verspreiden zich niet vanzelf. Er zijn wel degelijk ‘opiniemakers’. De katalysator was 9/11. Maar de verantwoordelijkheid ligt bij iedereen die de aanslagen op de WTC-torens in New York niet wenst te zien als een gruwelijke misdaad van een goed georganiseerde bende fanatiekelingen, maar eerder als een islamitische aanslag op de democratie en de westerse waarden.

Tegen deze internationale achtergrond is het in Vlaanderen, zowel als elders in Europa, bon ton geworden om de islam voor de stellen als een godsdienst (i) die achterlijke culturen voortbrengt en (ii) die niet compatibel is met de zogenaamde waarden van de Verlichting. Standpunten (i) en (ii) hoeven daarbij niet samen te gaan. Wie overtuigd is van (i), zoals Etienne Vermeersch of Mia Doornaert, gelooft meestal ook (ii) en put daaruit de nodige argumenten. Wie (ii) belijdt hoeft zich niet te beschuldigen aan de expliciete neerdunkendheid van (i), maar wordt wel de objectieve bondgenoot ervan in een aantal dossiers.

Het hoofddoekendebat is zo’n dossier. Hoofddoek of niet? Dat kan een belangrijke vraag zijn voor de vrouw die ’s morgens voor de spiegel staat. Haar antwoord zou echter geen enkele consequentie mogen hebben wanneer zij de deur uitgaat. In een wereld die diversiteit en persoonlijke vrijheid respecteert zijn goedkeuring noch afkeuring aan de orde. Deze persoonlijke beslissing, die maatschappelijk triviaal zou moeten zijn, wordt echter verheven tot onderwerp van een verhit debat dat nog lang niet aan sluiting toe is.

Dit debat lijkt even verschoven naar de achtergrond na de recente beslissing van het Gentse stadsbestuur om niet langer vast te houden aan de onverenigbaarheid van hoofddoek en loketfunctie. De recuperatie door de grootste Vlaamse politieke partij van een voorstel om bevoegdheid over deze kwestie te verschuiven naar een bovengemeentelijk niveau, belooft heropening, in alle hevigheid, in de aanloop naar 25 mei 2014.

Eerder dit jaar was er geen gebrek aan bevlogen betogen tegen de afschaffing van het hoofddoekenverbod. Vaak vanwege collega’s wiens ultieme drijfveren ik deel. Hun standpunten, meestal opgehangen aan de verworvenheden van de Verlichting, tonen echter een grenzeloos gebrek aan vertrouwen in de capaciteit van mensen om enerzijds vrije beslissingen te nemen, anderzijds om het etaleren van een levensbeschouwelijke overtuiging te combineren met een respectvolle behandeling van de ander.

Om met het eerste en eenvoudigste te beginnen: hoofddoeken worden gezien als vorm van onderdrukking. Wij moeten, met andere woorden, moslimvrouwen beschermen tegen hun omgeving en tegen henzelf. Zij staan onder druk. Zij kunnen zelf niet kiezen. Ongetwijfeld zijn er talrijke situaties waarin sociale druk een bepalende rol speelt. Terecht wordt verplichting niet getolereerd en moet tegen dwang worden opgetreden. Maar een verbod met het oog op bescherming getuigt van een paternalistisch gebrek aan vertrouwen in het beslissingsvermogen van vrouwen.

De boodschap is omzwachtelde neerdunkendheid die niets meer gemeen heeft met een pleidooi voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw. De verwijzing naar gelijkwaardigheid als argument is in deze context de perversie van een fundamenteel principe.

Een tweede argumentatielijn is iets complexer: de kernbegrippen zijn scheiding van kerk en staat, neutraliteit van openbare instellingen. Er bestaat geen twijfel aan de noodzaak om deze principes met hand en tand te verdedigen. In de discussie over het hoofddoekenverbod – dat in deze argumentatielijn niet meer bij naam genoemd mag worden omdat het om een veel algemener principe gaat – vergist men zich echter van vijand.

De strijd voor laïciteit, de seculiere staat, was in essentie helemaal niet gericht tegen religie, godsdienstbeleving, of de individuele expressie van een levensbeschouwelijke overtuiging. De vijand was een machtige religieuze instelling, de Kerk, die ongeoorloofde invloed uitoefende op staatsaangelegenheden. Daaraan moest paal en perk gesteld worden om de vrijheid en gelijkwaardigheid van alle burgers te garanderen. Dat is nu een waardevolle verworvenheid.

Hoe komt die echter in het gedrang wanneer een individuele dienstverlener in een openbare functie kentekens draagt van een persoonlijke overtuiging? Aan de muren van de lokettenzaal, van de rechtbank, van de openbare school, willen we geen kruisbeeld of enig ander religieus of levensbeschouwelijk symbool. De neutraliteit van een instelling wordt echter niet bedreigd door de herkenbaarheid van de overtuiging van wie er werkt. Dat wordt ook niet beweerd door iedereen die zich kant tegen de afschaffing van het hoofddoekenverbod.

Het subtielere argument is dan dat elke perceptie of elk vermoeden van partijdigheid en vooringenomenheid moet worden vermeden. Maar ook hier blijkt weer een grenzeloos gebrek aan vertrouwen. Wie vermoedt dat een man met een keppeltje, een vrouw met een hoofddoek, een dienstverlener met een kruisje, een agent met een tulband, misschien wel eens geneigd zou zijn om niet iedereen een gelijke behandeling te geven, getuigt van weinig geloof in de tolerantie en pluralistische openheid van joden, islamieten, christenen en sikhs.

Wie bovendien dergelijke vermoedens toeschrijft aan de modale loketbezoeker heeft duidelijk twijfels bij de capaciteiten van de doorsnee burger om anderen die hun anders-zijn niet verbergen gewoon te zien als mens en als medeburger in een dienstverlenende functie. Mochten er goede redenen zijn voor dergelijke twijfels, dan dient zich een grootscheeps opvoedingsprogramma aan.

Het allerslechtste voorstel dat eerder dit jaar werd gelanceerd is dan ook om op nationaal niveau een algeheel hooddoekenverbod in te voeren – ook al mag het dan zo niet heten – voor iedereen die een openbare functie vervult. Het wordt de hoogste tijd dat we niet alleen wennen aan zichtbare diversiteit in de publieke ruimte, maar ook aan verregaande hybriditeit: verwesterde moslimvrouwen met hoofddoek, een gehuwd lesbisch moslimpaar, of een tot de islam bekeerde westerse man die (zoals elke orthodox-joodse man) vermijdt een vrouw de hand te schudden en de voorkeur geeft aan andere uitingen van respect. Het gaat hier telkens om mensen die blootstaan aan kritiek vanuit diverse hoeken.

In de woorden van de Turks-Franse Nilüfer Göle, sociologe aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales te Parijs: een maatschappij die dergelijke identiteiten en persoonlijke keuzes niet voldoende respecteert om ze als volwaardig en gelijkwaardig toe te laten in het openbare leven, kan zichzelf niet democratisch noemen. Het doet er dan niet toe of de obstakels komen van een intolerante variant van de islam, van een cultureel-nationalistische reflex, of – voeg ik er graag aan toe – van verlichte neerdunkendheid.

Het wantrouwen van de Vlamingen wordt gevoed door het hegemonische discours dat er te weinig de nadruk op legt dat de meeste migranten in Vlaanderen Nederlanders zijn, dat de niet-Europese migranten lang niet allemaal moslims zijn, dat de moslims zelden behoren tot fundamentalistische strekkingen die de principes van de democratie niet zouden aanvaarden, en dat de meeste migranten al lang geen migranten meer zijn maar medeburgers die hier zijn opgegroeid.

Waarom deze uitweiding over een debat dat al enige tijd geen voorpaginanieuws meer is? Niet alleen omdat het ongetwijfeld terugkomt, maar vooral omdat het symptomatisch is voor de verhoudingen die de cijfers van de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2013 bepalen en die, zoals bleek uit het racismedossier van De Standaard (26 oktober tot 3 november 2013), vaak echte problemen creëren op het vlak van werk, onderwijs, huisvesting.

Waarom houden Vlamingen niet van migranten? Omdat hun wantrouwen gevoed wordt door het hegemonische discours dat er te weinig de nadruk op legt dat de meeste migranten in Vlaanderen Nederlanders zijn, dat de niet-Europese migranten lang niet allemaal moslims zijn, dat de moslims zelden behoren tot fundamentalistische strekkingen die de principes van de democratie niet zouden aanvaarden, en dat de meeste migranten al lang geen migranten meer zijn maar medeburgers die hier zijn opgegroeid.

Dat publieke discours bepaalt en wordt bepaald door een politiek die geen vertrouwen heeft in natuurlijke maatschappelijke processen (zoals een soms lastige maar meestal prima functionerende linguïstische hybriditeit) en daarom zwaait met een inburgeringsplicht. Een politiek ook die zwijgt als vermoord wanneer onprettige waarheden worden geëtaleerd, zoals in genoemd racismedossier, ondanks (of net omwille van?) expliciete oproepen vanwege Chika Unigwe (De Standaard, 2/3 november 2013), Dyab Abou Jahjah (4 november), Naima Charkaoui (5 november). Wellicht zijn de namen te vreemd. De drempel is dus te hoog.

Jef Verschueren

Jef Verschueren is gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. Hij was in 1992 samen met Jan Blommaert auteur van het ophefmakende boek ‘Het Belgische migrantendebat: de pragmatiek van de abnormalisering’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!