De economie heruitvinden

De economie heruitvinden

dinsdag 3 december 2013 14:38

door Jo Versteijnen, Wouter Snip en Bram Snoe

Een politiek, gericht op steun aan bedrijven en financiële markten en/of op consumentisme als oplossing voor de economische crisis, werkt niet in de ‘vrije’ markteconomie.

Alsof ze het in ons wereldwijde neoliberale stelsel van elkaar afgekeken hebben: vrijwel alle regeringen op de planeet  zien als belangrijkste remedie voor economische crises de begunstiging van de bedrijven en het afknijpen van de koopkracht. Hoe lager de belasting voor de bedrijven en hoe meer subsidie en giften, en hoe hoger de belasting op arbeid en hoe strenger de loonmaatregelen, hoe beter voor de bestrijding van de crisis. Naar het schijnt lijkt dit de ideologische bagage die iedere kandidaat voor een regeringspost in economische zaken bij de voorbereiding op zijn taak als een mantra meekrijgt, en niet veel meer dan dat.

Een ideologie ingefluisterd door het kapitaal, bevestigd door burgerlijke economen, en gretig geadopteerd door politici die toch al lang geen boodschap meer hadden aan de belangen van de arbeid, en zich naar het lijkt, liever identificeren – bijvoorbeeld vanuit eigen carrièreoverwegingen – met de wensen van het kapitaal. Een mantra die wereldwijd voortdurend wordt gepreveld en daardoor welhaast onontkoombaar wordt. Maar wel een mantra die niet werkt, zoals niet alleen blijkt in de praktijk, maar ook theoretisch. Crises zijn in de ‘vrije’ markteconomie/het kapitalisme onvermijdelijk, en juist vanwege die onvermijdelijkheid is staatssteun aan bedrijven en de financiële markten met het doel de werkgelegenheid te bevorderen uiteindelijk weggegooid geld. De werkelijke oplossing ligt niet in het kapitalisme, maar in een economische orde die het kapitalisme vervangt en uitsluitend gericht is op het welzijn van alle mensen en de planeet.

Een kettingreactie

Waarom zijn in de productiesfeer van de ‘vrije’ markt de steeds terugkerende crises van overproductie en massale werkloosheid onvermijdelijk? Het begin van het antwoord ligt bij de meerwaardevorming in het productieproces. De werker krijgt minder uitbetaald dan de waarde die hij met zijn arbeid schept. Dit verschil – wat we meerwaarde noemen – is de bron van de winst voor de ondernemer. Door verkoop op de markt van producten en diensten die meerwaarde bevatten probeert de ondernemer/kapitalist die meerwaarde om te zetten in klinkende munt. En hierbij komt een kettingreactie tot stand die onvermijdelijk leidt tot een crisis van overproductie en werkloosheid.

Een eerste element in die kettingreactie is de moordende concurrentie tussen ondernemers als zij hun producten op de markt verkopen en zo in winst (geld) willen omzetten. De consument kan zijn euro immers maar één keer uitgeven. Iedere ondernemer moet die moordende concurrentie het hoofd bieden op straffe door zijn concurrent van de markt verdreven te worden.

De strijd om niet het slachtoffer te worden van een collega-concurrent lokt weer een ander element uit: kapitaalintensieve productie. De kapitalist ziet de mogelijkheid om niet van de markt verdreven te worden in een verlaging van zijn prijzen op de markt. Dit realiseert hij door een verhoging van de efficiency van het productieproces, mogelijk geworden met investeringen in arbeidsbesparende machines, in vervanging dus van menselijke arbeid door machines. Zulke machines werken efficiënter en sneller dan de mens, maken veel menselijke arbeid overbodig en zorgen voor een aanzienlijke besparing op de arbeidskosten. De ondernemer is nu uitgerust om goedkoper te produceren en zo zijn concurrenten het hoofd te bieden. En omdat de techniek nooit stilstaat, verplicht de moordende concurrentie iedere kapitalist op gezette tijden over te gaan op meer moderne, efficiëntere en ook telkens duurdere machines, omdat de concurrent dat ook doet: kapitaalintensieve productie.

Deze nooit eindigende spiraal van voortdurende en telkens grotere en duurdere investeringen resulteert ook in een steeds grotere druk op de winst. Het gevolg is dat de gemiddelde winstvoet de tendens vertoont te dalen: de tendentiële daling van de winstvoet. En dit is weer het volgende element in de kettingreactie: door deze tendens dreigt de winst te gering te worden om de altijd maar grotere investeringen op te brengen die nodig zijn om de concurrentie het hoofd te bieden. Bedrijven worden dan ook aanhoudend gedwongen op zoek te gaan naar nóg meer kapitaal om nóg meer te investeren in kapitaalintensieve productie, om aldus de concurrentie voor te blijven die hetzelfde doet.

Dit leidt tot een dwangmatige opvoering van de groei van de productie, tot een nooit aflatende groeidwang, die wordt nagestreefd met allerlei middelen die weinig met economisch fatsoen en humaniteit te maken hebben en die we hier gemakshalve maar samenvatten als uitbuiting van mens, arbeid en natuur. Het gevolg is een almaar stijgende productiviteit. Tezamen met een koopkracht die in de ‘vrije’ markteconomie altijd te gering is om die immer toenemende productiviteit te absorberen, ontstaat er een crisis van overproductie. De kapitalist kan zijn producten aan de straatstenen niet meer kwijt , zal zijn geld niet meer investeren en betere tijden afwachten. Met als gevolg massale sluiting van productiecapaciteit en massaontslagen: crisis dus. Het is de onvermijdelijke groeidwang in de markteconomie, die de laatste en beslissende factor is in de kettingreactie, en die de bom van de massale werkloosheid, en dus crisis, detoneert.

Deze zelfde mechanismen die werkzaam zijn in de productiesfeer, gelden mutatis mutandis ook voor de kapitalistische financiële sector. Ook hier een kettingreactie die aanvangt met meerwaarde­vorming: het verschil tussen rente op deposito’s en rente op leningen, en geldcreatie met digitaal geld en het x-aantal keren uitlenen van hetzelfde bedrag.

De financiële markten staan ook, net zoals bedrijven in de productiesfeer, met elkaar in een verhouding van moordende concurrentie als zij op de markt dingen naar de gunst van spaarders en hypotheek­nemers. En wie die moordende wedijver verliest verdwijnt ook hier van de markt.

Ook de banken zijn gedwongen ter wille van die moordende concurrentie kapitaalintensief te werk te gaan, bijvoorbeeld door menselijke arbeid zoveel mogelijk te vervangen door onder meer elektronica (internet bankieren), opheffen van veel bankfilialen, ontslag van bankpersoneel, en door hun geldhoeveelheid zoveel mogelijk op te voeren, hoger dan de concurrent.

Die kapitaalintensieve reorganisaties oefenen ook bij de banken een druk uit op de winst, vergelijkbaar met de tendens van de dalende winstvoet bij de productiesfeer. Net zoals bij bedrijven in de productiesfeer,  leidt die tendens, ingegeven door de noodzaak niet ten onder te gaan in de moordende concurrentie, tot dwangmatige opvoering van de bankactiviteiten in een nooit aflatende groeidwang. En net zoals in de productiesfeer de groeidwang leidt tot een niet meer in te tomen groei in de productie van goederen, voert de groeidwang in de financiële sector tot een niet minder in te tomen productie van geld.

Om aan deze ijzeren wet van de groeidwang te voldoen hebben banken onder meer hun toevlucht genomen tot het op grote schaal verlenen van rommelhypotheken, de zogenaamde subprime hypotheken. Zoals we eerder zagen dat de koopkracht te gering is om de steeds stijgende productie van goederen als gevolg van de groeidwang te absorberen, zo bleek de koopkracht van veel hypotheeknemers te gering voor aflossing van hun (rommel)hypotheek. Het resultaat daarvan ondervindt de wereld nog elke dag: de grootste financiële crisis sinds de jaren dertig van vorige eeuw.

Komen we uit de crisis met staatssteun aan productie en financiën in de ‘vrije’ markt?

Zoals hierboven blijkt bestaat het onheil van het kapitalisme hieruit, dat het zowel in de productiesfeer als in de financiële sector opgezette tijden onvermijdelijk moet aansturen en uitlopen op crises. Het is dan de staat – het volk dus – die telkens de helpende hand moet bieden met financiële injecties, die in de huidige crisis zelfs in de duizenden miljarden euro’s/dollars lopen.  De vraag die er toe doet is natuurlijk of die hulp duurzaam zoden aan de dijk zet. En het antwoord daarop moet even teleurstellend zijn als het onbegrijpelijk is dat de staat steeds weer bijspringt als de ‘vrije’ markt in crisis geraakt. Want die miljarden staatssteun verdwijnt direct in de bodemloze put van de groeidwang van de productieve sector en de financiële sector.

Wie baat heeft bij die steun is niet de bevolking, maar de aandeelhouders. Zij worden rijker door de herstelde accumulatie, en het volk armer. Het kapitalisme is een parasiet, het teert op de samenleving en leeft ervan. Het vaart wel bij uitlokking van crises. Dit stelsel is een bodemloze put, die het geld voor onderhoud van samenleving en natuur verslindt, in plaats van de samenleving en de natuur ermee van dienst te zijn, wat het enige bestaansrecht van een economisch systeem is. Als staatssteun al iets bijdraagt , dan is het omdat hij bedrijven weer in staat stelt uit hun as te herrijzen en de rat race van de onvermijdelijke groeidwang weer op te nemen op weg naar de volgende, ongetwijfeld nog heviger crises. De markteconomie levert continu een altijd durende, moeizame en per slot van rekening hopeloze en uitzichtloze strijd om in het licht van de moordende concurrentie en de kapitaalintensieve productie de winst op peil te houden. Het enige resultaat van staatssteun aan de markt is dat daarmee een economisch systeem in stand gehouden wordt – het kapitalisme – dat uiteindelijk onherroepelijk telkens uitloopt op steeds ernstiger crises. In plaats van een positieve bijdrage aan de oplossing, helpt de staatssteun de crises uiteindelijk dus juist in stand te houden.

Of kan de consument zorgen voor een uittocht uit de crisis?

Waar de staatssteun van nu geen einde maakt aan de crises, gaan er stemmen op om het heil te zoeken in het (koop)gedrag van de consument. Dat zou een overwegende factor zijn die een oplossing zou kunnen brengen. Hoe groter de koopkracht, en hoe meer er dus kan worden geconsumeerd, hoe groter ook de productie en dus de werkgelegenheid. Een gedachte waarvan Rutte leek uit te gaan bij zijn oproep aan de Nederlanders om meer te consumeren. Maar dit is wel een zeer abstracte oproep, die getuigt van weinig inzicht in de kapitalistische economie.

Want om te beginnen wordt hier de toevlucht genomen tot consumentisme en niet tot een structurele oplossing die tegemoet komt aan de vraagzijde, dat wil zeggen de behoeften van de samenleving en de natuur als drijfveer voor de economie. Maar bovenal moet in het verband van deze paragraaf worden gewezen op de kapitalistische noodzaak om de lonen van de working class people zo veel mogelijk af te knijpen – bijvoorbeeld door onbetaalde meerarbeid, loonmaatregelen, bezuinigingen – ten gunste van een grotere meerwaardevorming en accumulatiemogelijkheid voor het kapitaal.

Door wat we hier zonder overdrijving uitbuiting kunnen noemen, is de koopkracht altijd zo gering dat zij niet meer dan een zeer bescheiden rol zou kunnen spelen in het weer vlot trekken van de economie, een economie overigens die in de kortste keren vanwege de onvermijdelijke groeidwang weer zou uitmonden in een crisis van overproductie en de bijbehorende massale werkloosheid. Een sisyfusarbeid, letterlijk en figuurlijk een onbegonnen en zinloze strategie. Overigens illustreert zo’n oproep als van Rutte het zwalkend, machteloze, stuurloze en contradictoire beleid van de neoliberale politiek, die ter wille van de winst van de aandeelhouders het loon zoveel mogelijk afknijpt, en dan tegelijkertijd van de slachtoffers – de working class people – een belangrijke bijdrage verwacht in het vlot trekken van de economie, een economie die – hoe cynisch – gericht is op de verdere verrijking van de rijken en de verarming van de 99%.

De economie opnieuw uitvinden

Staatssteun aan bedrijven en de financiële markten, en verhoging van de consumptie, zijn inspanningen die per slot van rekening op termijn de weg open zetten naar dezelfde problemen van overproductie en massawerkloosheid, crisis dus, als waarvoor ze als therapie werden bedoeld. Het kapitalisme is als een bodemloze put. Het is gedwongen steeds meer geld aan de samenleving te onttrekken en naar zichzelf toe te sluizen, om zo te voldoen aan de onvermijdelijke groeidwang. Dit geld wordt op allerlei manieren aan de samenleving ontstolen, en aan het noodzakelijk onderhoud van de natuur onthouden.

Er ontwikkelt zich steeds meer een superklasse van politieke elites en machtsgroeperingen, die louter kapitalistisch optreedt, en de wereld schaamteloos kan opzadelen met meer markt, minder overheid, verdere bezuinigingen op de sociale zekerheid, op het loon van de arbeid, op (gezondheids)zorg, onderwijs, infrastructuur, op milieuverbetering, cultuur, et cetera. Dit alles ingekaderd in een ideologische rimram die het bewustzijn moet misleiden en de illusie moet wekken dat het algemeen belang het beste wordt bevorderd door meer markt. Het kapitalisme kan niet anders, het is zijn wezen, de aard van het beestje. Men kan nauwelijks een meer treffende typering van het kapitalisme/’vrije’ markt en het bijna wereldwijde neoliberale beleid van de politiek vinden als in een naar nu blijkt voorspellende wijsheid uit een geschrift van ruim 2000 oud: ‘wie heeft zal worden gegeven, en wie niet heeft zal nog worden ontnomen wat hij heeft’. Waar ter wereld is ooit een meer treffende typering gevonden?

Maar de prangende vraag is uiteraard hoe de wereld, of juister aangeduid de slachtoffers van de ‘vrije’ markt, zich van deze ramp kunnen ontdoen. Globaal genomen zijn hier twee richtingen te onderkennen. In de eerste wordt het dominante economische stelsel gezien als van God of van nature gegeven of in ieder geval als onontkoombaar. Hier heeft men ook wel weet van het onheil van dit stelsel, en men wil daarvoor ook naar oplossingen zoeken, maar het antwoord wordt gezocht binnen de contouren van dat stelsel zelf. In zekere zin kan men hier ook onder brengen de voorstanders van veranderingen in kleine stapjes. Kenmerkend voor deze denkwijze is dat de voorgestelde oplossingen gemakkelijk door de markt zijn te integreren en zo een economie in stand houden die gekenmerkt wordt door groeidwang en al het onheil dat daarmee samenhangt.

In een andere, de tweede benadering, ziet men alleen een oplossing in een economisch alternatief dat het kapitalisme vervangt, dat niet gedomineerd kan worden door groeidwang en daarom kan voldoen aan de doelstellingen van sociaal en ecologisch welzijn. Het perspectief in deze richting gaat uit van de overtuiging dat het onheil van het kapitalisme onvermijdelijk is, in rampzaligheid alleen maar zal toenemen, en dat daarom een zoektocht naar een oplossing binnen de contouren van het kapitalisme een zinloze want vooral onheilspellende operatie is. Gezien de inmiddels al veel te lange – eeuwenlange – terreur van het kapitalisme, verdient deze richting niet alleen de voorkeur boven de eerste, maar is zij zelfs van een categorisch imperatief. Er is uiteindelijk maar één effectieve oplossing: de zwanenzang van het kapitalisme en de economie opnieuw uitvinden.

Het is zaak zo snel mogelijk een maatschappelijke discussie op gang te brengen over een dergelijke effectieve oplossing, een nieuw economisch concept, ongevoelig voor de kapitalistische mechanismen die beginnen bij de meerwaardevorming en via een kettingreactie (moordende concurrentie  à kapitaalintensieve productie  à tendentiële daling van de winstvoet) onvermijdelijk uitmonden in groeidwang, en dus crises. Alle noodzakelijke fundamentele voorwaarden en productiefactoren voor de levensvatbaarheid van zo’n nieuw economisch concept zijn in meer dan voldoende mate aanwezig. Want het staat boven alle twijfel dat de techniek en de knowhow op allerlei terreinen al ver genoeg gevorderd zijn, er mensen in overvloed zijn die de nodige arbeidskracht kunnen leveren, en er ook grondstoffen genoeg zijn, om nu en later alle bewoners van deze aarde een bestaan in redelijke welvaart en welzijn te garanderen, binnen de draagkracht van mens, natuur en milieu.

Bij de hier aanwezige productiefactoren en fundamentele voorwaarden ontbreekt de productiefactor kapitaal, zoals de attente lezer ongetwijfeld opmerkt. We bedoelen hier kapitaal zoals het functioneert in het kapitalisme, namelijk als betaalmiddel waarvan de dekking arbeid is. Het is voornamelijk vanwege de aanwezigheid, invloed en aanwending van deze productiefactor dat een economie onvermijdelijk de mechanismen ontwikkelt – zoals we zien in het kapitalisme – die noodzakelijk uitmonden in groeidwang en crises. Een nieuw economisch concept ter vervanging van het kapitalisme zou dan ook terdege ingegeven moeten zijn vanuit de fundamentele twijfel aan de onmisbaarheid en onontkoombaarheid van de productiefactor kapitaal in het economisch proces.

Een dergelijk nieuw economisch concept ligt niet zomaar voor het oprapen. Zo’n alternatief is er namelijk nog niet, of beter gezegd er bestaat daar al wel een ontwerp van, maar dat functioneert nog niet in de openbaarheid van een maatschappelijk debat over alternatieven voor het kapitalisme. Men is zo gewend geraakt aan kapitaal als factor in de productie en de economie, dat als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat kapitaal en economie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en dat twijfel daaraan over komt als irreëel en wereldvreemd, of nog erger.

Dit gebrek aan verbeelding en de angst niet voor vol te worden aangezien, behoren waarschijnlijk tot de belangrijkste redenen voor de terughoudendheid waarmee dit alternatief, dit nieuw economisch concept, tot nu toe wordt bejegend. Maar belangrijker dan te zoeken naar de redenen waarom dit alternatief nog niet in de openbaarheid verschijnt, is een aanduiding van enkele essentiële kenmerken ervan. Het zou te ver voeren hier geheel dat concept uit de doeken te doen. Dat zou de ruimte vragen van een boek. Wie daar interesse in mocht hebben kan daarvoor contact opnemen met de e-mailadressen van onderstaande personen*. Het alternatief, voor zover uitgewerkt, heeft geen andere pretentie dan een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat over alternatieven voor het kapitalisme, door te laten zien hoe men de economie ook geheel anders kan denken dan in termen van het kapitalisme met zijn onvermijdelijke rampzalige eigenschappen.

Ons concept heeft als uitgangspunt en ervaringsgegeven dat iedere economie, waarin geld/kapitaal wordt geïnvesteerd in de productie met de bedoeling om er via meerwaardevorming meer uit te halen dan er in geïnvesteerd wordt, onvermijdelijk een samenleving voort zal brengen die gekenmerkt wordt door dezelfde onzalige mechanismen als van het kapitalisme, en daarom economische, sociale en ecologische crises voort zal brengen die een bedreiging vormen voor alle leven op de planeet.

Ons alternatief stelt daarom een economie voor waarin het onmogelijk wordt meerwaarde te vormen in het productieproces. Frustreer blijvend de meerwaardevorming en dus ook de omzetting ervan in winst, en het kapitalisme zal in zijn kern worden aangetast en ten onder gaan. Aan de meerwaardevorming wordt een einde gemaakt als in het productieproces geen geld meer wordt geïnvesteerd. Dit kan worden bereikt door een einde te maken aan de verwerving van inkomen in de productiesfeer, dat wil zeggen van: grondstofleveranciers, de kapitalist en de working class people.

We noemen dit in ons alternatief de opschoning van de productie. Door die opschoning zijn alle producten en diensten in ‘principe’ gratis. En de volgende voorstellen zijn bedoeld om de verdeling van die goederen en diensten in goede banen te leiden voor samenleving en milieu/natuur.

Zo voorziet ons alternatief in een voor iedereen ongeveer gelijk inkomen in de vorm van een periodiek door de regering uit te keren budget.  De tegenprestatie voor dat budget is de plicht voor ieder die daartoe in staat is om arbeid te leveren.

Overigens zou het bij een regering in de kapitalistische samenleving niet mogelijk zijn dat de overheid een voor iedereen ongeveer gelijk periodiek budget zou uitkeren. Iedere samenleving krijgt de regering die past bij het daar heersende economische stelsel. In de kapitalistische samenleving behartigt de overheid voornamelijk het belang van het kapitaal, en wordt het belang van de arbeid daaraan veelal dienstbaar en onderdanig gemaakt.

Hier ligt een van de redenen voor een terecht wantrouwen vanuit de samenleving in de overheid, dat zo kenmerkend is voor de kapitalistische staat. In de samenleving volgens ons alternatief bestaan geen klassen. Er is daar maar één belang waarvoor de overheid zich kan inzetten: het algemeen belang. Verderop zal dat nog op meerdere plaatsen blijken. Het is dus niet juist om het legitieme wantrouwen in de overheid van de kapitalistische staat zonder meer over te hevelen naar andere economische stelsels, zoals de economie in ons nieuwe concept. Iedere overheid dient bezien en geëvalueerd te worden in de context van het economisch stelsel waarin zij opereert. Veralgemeniseringen zijn niet terzake.

De dekking van het betaalmiddel in het budget is niet arbeid, zoals in het kapitalisme waardoor meerwaarde gevormd kan worden door een deel van de arbeid niet uit te betalen, maar milieulast. Aan ieder product wordt een specifiek aantal vervuilingeenheden toegekend, dat is de hoeveelheid vervuiling ontstaan tijdens het productieproces. De mens in ons alternatief krijgt de beschikking over een aantal vervuilingeenheden die we eco’s noemen. Om een voorbeeld te noemen: met inwisseling van een biljet van 5 eco kan iemand in ons alternatief een product of dienst aanschaffen waarvoor bij de productie het milieu voor 5 eenheden is vervuild.

De hoogte van de eco’s in het periodiek budget is zodanig afgestemd op de vervuilingeenheden van goederen en diensten, dat een naar tijd en plaats redelijke behoeftebevrediging mogelijk is, waarbij natuur, milieu en energievoorraad niet onherstelbaar worden aangetast. Hier geeft ons alternatief de garantie dat de draagkracht van het milieu en de natuur niet kan worden overschreden.

Ieders inkomen bestaat alleen maar uit het periodiek budget. Bij een transactie tussen leverancier en koper vindt er geen afschrijving plaats bij de een en een bijschrijving bij de ander in zijn persoonlijk budget. Dus de eco’s waarmee wordt betaald worden niet bijgeschreven op het budget van de leverancier, maar gaan via de leverancier naar de overheid, die ze weer aanwendt voor uitbetaling van het budget (economische kringloop). Kortom, in ons alternatief leeft ieder alleen van zijn eigen persoonsgebonden periodiek budget, dat overigens voor iedereen ongeveer hetzelfde is. Eco-opeenhoping en accumulatie zijn in dit alternatief niet mogelijk.

Wie wil ondernemen kan zich met een goed plan melden bij de overheid, die na goedkeuring van het plan de nodige productiemiddelen gratis aan de aanvrager ter beschikking stelt. De overheid beschikt dus over de productiemiddelen om verkwisting daarvan, zoals in het kapitalisme, te voorkomen. Ook die ondernemer leeft van zij periodiek budget. Wat zijn producten/diensten aan eco’s opbrengen bij de tussenhandel vindt zijn weg naar de overheid, en belandt niet bij de ondernemer.

Omdat, zoals gezegd, in dit concept goederen, diensten, grond(stoffen) en arbeid in principe gratis zijn, staat de overheid niets in de weg om alle faciliteiten aan te trekken en bij elkaar te brengen die nodig zijn om welke van haar taken dan ook uit te voeren. Zo kunnen (gezondheids)zorg, onderwijs, openbaar vervoer gratis vertrekt worden.

Tenslotte, omdat in dit alternatief productiemiddelen en productiekrachten, goederen en diensten gratis zijn kunnen te allen tijde de benodigde voorwaarden bijeengebracht worden voor de welvaart en het welzijn van samenleving en natuur. Dit alternatief kent dan ook niet de problemen die voortkomen in het kapitalisme, waar bijna al het geld onvermijdelijk zijn weg vindt naar de happy few en er nooit geld genoeg beschikbaar komt voor de behoeften van samenleving en natuur. Alles wat goed en heilzaam is voor mens en natuur is in dit alternatief mogelijk, zolang de draagkracht van mens, natuur en milieu niet onherstelbaar overschreden wordt. Dit is de enige beperking.

Ziehier in het kort de fundamenten van een nieuw economisch concept dat bedoeld is om in het noodzakelijk maatschappelijk debat over alternatieven, te laten zien hoe men ook heel anders over economie kan denken dan in kapitalistische termen.

*

Jo Versteijnen, Dordrecht

j.versteijnen@telfort.nl

Wouter Snip, Middelie

info@stichtingjura.org

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!