Bangladesh in de greep van protesten oppositie en textielarbeiders
Nieuws, Economie, Politiek, Wereldsolidariteit, Bangladesh, Jef van Hecken, Textielarbeiders, Bangladesh Nationalist Party (BNP), Sheikh Hasina, Khaleda Zia -

Bangladesh in de greep van protesten oppositie en textielarbeiders

Algemene stakingen op initiatief van de oppositie volgen elkaar in snel tempo op in Bangladesh. Ook in de textielindustrie blijft het onrustig. We spraken met Jef Van Hecken van de NGO Wereldsolidariteit over de permanente dreiging van geweld waarin het land zich bevindt.

vrijdag 15 november 2013 14:45

Oppositie eist aanstelling regering van technocraten

Op zondag 9 november gaf de oppositiepartij Bangladesh Nationalist Partij (BNP) het startsein voor een algemene staking. De twee weken daarvoor werd er eveneens 120 uur gestaakt op initiatief van de oppositie.

De BNP wil met de stakingen de regering onder druk zetten om op te stappen en een regering van technocraten te installeren, die de verkiezingen in januari 2014 moet voorbereiden. Waar de installatie van een caretaker government vroeger een vereiste was voor de voorbereiding van verkiezingen in Bangladesh, heeft de huidige regering deze regel in 2011 door middel van een grondwetswijziging afgeschaft.

De oppositie is van mening dat hiermee een systeem dat altijd goed gefunctioneerd heeft, is teruggedraaid. Premier Sheikh Hasina heeft inmiddels voorgesteld in aanloop naar de verkiezingen een regering van nationale eenheid aan te stellen: dit voorstel kon echter niet op de goedkeuring van de oppositie rekenen.

Stakingsbrekers riskeren geweld

Volgens Jef Van Hecken, zelf woonachtig in de Bengaalse hoofdstad Dhaka, kan de algemene staking niet op grote steun rekenen onder de bevolking. De meerderheid kan het zich immers niet veroorloven om het werk neer te leggen. 

“Veel mensen doen mee in de zin dat zij zich niet in de eigen wagen naar het werk verplaatsen. Maar zij proberen via andere mogelijkheden toch op het werk te geraken”, stelt Van Hecken.

Hiermee dreigen zij volgens Van Hecken het slachtoffer te worden van harde represailles van oppositie-aanhangers.

“De pickets houden de mensen tegen en steken bussen in brand. Er zijn de voorbije periode 23 mensen bij publiek geweld omgekomen.”

Volgens Van Hecken begint het geweld doorgaans al de dag voor de aanvang van een algemene staking, zodat mogelijke stakingsbrekers weten wat hen te wachten staat.

“Auto’s en bussen worden in brand gestoken en ramen worden ingeslagen om mensen ervan te verwittigen dat zij mee moeten doen met de staking”, vertelt Van Hecken.

“Iedereen in Bangladesh wordt gegijzeld door deze situatie. Straatverkopers en winkeliers kunnen hun brood niet meer verdienen.“

Verschillende oppositieleden opgepakt

De dag voor de aanvang van de algemene staking van 9 november werden enkele kopstukken van de oppositie gearresteerd. Volgens de Bengaalse minister van Informatie Hasanul Huq Inu zijn de politici opgepakt wegens het oproepen tot geweld en vernieling van persoonlijke eigendommen. De BNP besloot hierop de staking te verlengen van 72 naar 84 uur.

Niet alleen de aankomende verkiezingen, maar ook de activiteiten van het oorlogstribunaal dat de oorlogsmisdaden gedurende de onafhankelijkheidsoorlog van 1971 (nvdr: toen het voormalige Oost-Pakistan zich afscheidde van Pakistan onder de naam Bangladesh) moet veroordelen, is een belangrijke oorzaak van de onvrede bij de oppositie.

Dit oorlogstribunaal is in 2010 opgericht door de huidige premier van Bangladesh. Veel van de personen die door het tribunaal berecht worden, behoren tot de fundamentalistische partij Jamaat-e-Islami, een bondgenoot van de oppositiepartij BNP. Khaleda Zia, de leidster van de oppositie, stelt dat het tribunaal er gekomen is om politieke motieven.

Ook protesten in textielsector houden aan

Niet alleen de algemene staking op initiatief van de oppositie, maar ook de onvrede onder de Bengaalse textielarbeiders leidde de afgelopen week tot gewelddadige taferelen. Honderden fabrieken in Ashulia, nabij Dhaka, waren gedwongen hun deuren te sluiten vanwege de protesten. 

De protesten volgden vlak nadat de door de regering aangestelde minimum wage board had voorgesteld om het minimumloon van de textielarbeiders te verhogen van 3.000 taka (28,65 euro) naar 5.300 taka (50,61 euro) per maand: een voorstel dat aanvankelijk werd afgewezen door de fabriekseigenaren.

Volgens Van Hecken bestond de werkgroep die zich moest buigen over het minimumloon uit verschillende vertegenwoordigers van de regering en de werkgevers en slechts één vertegenwoordiger van de werknemers.

“Zeker 50 tot 60 parlementsleden zijn eigenaar van een textielfabriek. Daarom heeft de regering vanuit de werknemerskant een vertegenwoordiger gekozen die weinig problemen zal veroorzaken”, stelt Van Hecken.

Hierdoor vertegenwoordigt het voorstel voor een minimumloon van 5.300 taka volgens Van Hecken veeleer de wensen van de werkgevers dan die van de werknemers. “De vakbonden zijn niet te spreken over het voorstel”, stelt hij.  

Loonstijging pakt in praktijk teleurstellend uit

Bovendien wijst Van Hecken erop dat de loonstijging van 77 procent weliswaar indrukwekkend klinkt, maar in de praktijk minder voordelig uitpakt dan men zou vermoeden.

“Het voorgestelde minimumloon van 5.300 taka is samengesteld uit vijf componenten: een minimumloon en tegemoetkomingen voor huisvesting, medische kosten, vervoer en voedsel. De eerste drie componenten zitten ook in het huidige minimumloon”, vertelt Van Hecken.

“De grootte van de component ‘minimumloon’ is in het voorstel echter afgenomen van 70 naar ongeveer 60 procent. Maar alle bijkomende elementen van de verloning worden gekoppeld aan de hoogte van de component: 3.200 taka dus.”

Zo worden volgens Van Hecken de overuren van de textielarbeiders – die ongeveer twee tot vier uur per dag bedragen – straks uitbetaald op basis van het werkelijke minimumloon van 3.200 taka. “Festivalbonussen – wat wij in onze termen de eindejaarspremies zouden noemen –  de vergoedingen in geval van ziekte en alle andere vergoedingen zijn berekend op basis van dat minimum.”

Bovendien wijst Van Hecken erop dat in Bangladesh verschillende instituten hebben aangegeven dat men minimaal 8.000 taka per maand nodig heeft om enigszins rond te komen.

Textielfabrieken gaan toch overstag

Op 14 november gingen de textielfabrieken toch akkoord met het voorstel voor een minimumloon van 5.300 taka. “Maar op 21 november moet er nog een officiële beslissing volgen over de verhoging van het minimumloon”, stelt Van Hecken.

“Dat is ook een van de redenen waarom de arbeiders blijven op straat komen: ze vragen zich af waarom die beslissing niet nu kan vallen.”

“Bangladesh heeft de ervaring dat veel dingen mondeling worden toegezegd, maar achteraf niet worden uitgevoerd. Daarom houden de arbeiders de druk op de ketel. De vakbonden proberen via een dialoog tot een oplossing te komen, maar het zijn de arbeiders zelf die spontaan het werk neerleggen en de staat op gaan.”

Volgens Van Hecken hopen de Bengaalse vakbonden dat druk vanuit de internationale gemeenschap uiteindelijk zal leiden tot eerlijkere en veiligere arbeidsomstandigheden in de textielsector.

“Het zijn uiteindelijk de hoofdkantoren van de kledingmerken die de beslissingen nemen. De ondernemers in Bangladesh zijn kleine spelers; degenen die de orders plaatsen, hebben de meeste verantwoordelijkheid en macht.”

“Daarom is de internationale belangstelling, ook vanuit regeringen, belangrijk om de druk op internationale merken te leggen. Als zij eisen gaan opleggen aan de fabrikanten en erop toezien dat deze ook worden nageleefd, kan er iets veranderen.” 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!