De overheid geeft (te)veel uit? Weet u hoeveel en aan wat?
Nieuws, Economie, Politiek, België, Overheidsuitgaven, BBP, Analyse, Overheidsinkomsten - Phi-Rana

De overheid geeft (te)veel uit? Weet u hoeveel en aan wat?

Er wordt vaak gezegd dat de staat te veel uitgeeft, maar weinig mensen weten echt over welke bedragen het gaat en hoe deze uitgaven besteed worden. Dat is essentiële informatie om te kunnen bepalen waar er potentieel bespaard zou kunnen worden. Daarom volgt hier een beknopt overzicht van welke overheidsuitgaven de laatste decennia het snelst gestegen zijn.

dinsdag 12 november 2013 15:45
Spread the love

Op het eerste gezicht lijkt het dat vooral de uitgaven in de gezondheidszorg (‘geneeskunde’ in de grafiek) een ongekend hoge vlucht genomen hebben sinds 1980 (+155 procent per persoon, gecorrigeerd voor inflatie).

Ook de kost van de overheidsadministratie is sinds 1990 significant sneller gestegen dan de inflatie en het aantal inwoners. Die laatste meeruitgave is echter grotendeels toe te schrijven aan een explosieve groei van de administratieve kosten in gewesten, gemeenschappen, provincies en gemeentes.

Slechts 20 procent van de administratieve kosten is nog onder controle van de federale overheid. In die zin kan men zich de vraag stellen of een begroting in evenwicht van gewesten en gemeenschappen ‘voldoende’ is?

De bron van onze cijfers is de Nationale Bank van België.

Een klein derde van de overheidsuitgaven gaat naar de operationele werking van de staat: 62 miljard euro, waarvan 48 miljard euro naar lonen gaat. Een kleine helft gaat naar sociale uitgaven: 97 miljard euro. De rest wordt bijna evenredig gesplitst over subsidies aan bedrijven: 10 miljard euro, rentelasten: 13 miljard euro, kapitaalsuitgaven: 14 miljard euro en inkomstenoverdrachten: 10 miljard euro.

Naast de kosten voor de overheidsadministratie zijn de sociale uitgaven vaak kop van Jut als men roept om besparingen. Meestal linkt men deze uitgaven aan de uitkeringen voor werklozen en de kosten van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW).

Men vergeet daarbij echter dat 70 procent van de sociale uitgaven naar pensioenen en geneeskundige zorg gaat. Slechts 13,4 procent  (of 6,6 procent van alle uitgaven) van de sociale uitgaven gaat naar werkloosheiduitkeringen en uitkeringen door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekeringen (RIZIV).

Wat weinigen weten, is dat de bedrijfssubsidies grotendeels loonsubsidies zijn. Volgens het planbureau zijn die goed voor een correctie van 4,1 procent op de loonlasten ten opzichte van de buurlanden in 2012. Deze bedrijfssubsidies waren toen gelijk aan 80 procent van de vennootschapsbelastingen (zie bron hier).

Ze zijn ook groter dan de totale kosten voor werkloosheid en RIZIV. Op zich is het geen probleem dat de staat in tijden van crisis de bedrijven extra ondersteunt, maar wanneer telkens weer wordt geklaagd over belastingdruk (zie vorig artikel) zou dit misschien ook eens aan bod kunnen komen.

Hoe evolueren uitgaven en inkomsten van de overheid?

Vaak blijven tegenstanders van een degelijke overheid verwijzen naar absolute financiële cijfers zonder rekening te houden met de inflatie, waarbij ze telkens weer roepen dat de overheidsuitgaven elk jaar hoger zijn.

Een groot deel van die verhoging is echter enkel en alleen een logisch gevolg van de inflatie. Om een neutrale kijk te hebben op de evolutie van zowel inkomsten als uitgaven moet men de cijfers vergelijken met de evolutie van het bruto binnenlands product (BBP). 

Het BBP is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde afgewerkte goederen en diensten tussen 1 januari en 31 december.

Hoewel de Belgische staat sinds 1980 nooit een overschot heeft geboekt (met andere woorden, meer inkomsten had dan uitgaven), werd de staatsschuld toch significant afgebouwd van een record van 137,8 procent van het BBP in 1993 tot 84 procent in 2007 (een daling van 50 procent in 15 jaar) (zie bron hier).

Hoe kon dat? Men mag niet enkel kijken naar het absolute tekort (alle inkomsten min alle uitgaven), maar ook naar het primaire resultaat (alle inkomsten min alle uitgaven zonder de interestlasten op de uitstaande betalingen). Net zoals een gezin zijn afbetalingen doet voor een hypotheeklening betaalt de overheid haar uitstaande schulden voor de aankoop van goederen en diensten (zoals openbare werken, gebouwen … ) die ondertussen wel ten dienste staan van de burger.

Wat men ook niet mag vergeten, is dat als de staatsschuld trager groeit dan het BBP of de inflatie, omdat de schuld geleidelijk aan kleiner wordt en afbetalingen minder zwaar gaan wegen.

Wie bijvoorbeeld nu een hypotheek met vaste afbetaling begint van 1.000 euro per maand, weet zeer goed dat diezelfde 1.000 euro 20 jaar later een stuk minder voorstelt qua koopkracht dan nu.

Als we naar de totale evolutie kijken als percentage van het BBP, merken we een pijlsnelle daling vanaf 1983 tot 1995, een relatief stabiele periode tot 2007 en daarna terug een significante stijging. Die stijging gaat over de toename van bepaalde kosten. Over welke kosten gaat het?

Om een zo neutraal mogelijk beeld te krijgen van de uitgaven heb ik ze gecorrigeerd voor inflatie en gedeeld door het aantal inwoners. Zo krijg je een beeld van de staatsuitgaven per uitgavenpost, per persoon sinds 1980.

  • Zo zien we vooral een significante stijging van de kosten voor gezondheidszorg met een toename van 155 procent sinds 1980, meer bepaald een constante stijging vanaf midden jaren tachtig tot 2008, waarna de kosten bijna afgevlakt worden. Indien de kosten voor gezondheidszorg per persoon slechts 50 procent zouden gestegen zijn, zou men vandaag ongeveer 11 miljard euro minder uitgaven hebben.
  • Ook de pensioenen stijgen significant, ongeveer 82 procent. Aangezien dit na de administratieve kosten de hoogste uitgaven voor de staat zijn, hebben deze een aanzienlijke impact op het totaal.
  • Rentelasten hebben een uitermate dynamisch karakter. Na een pijlsnelle stijging tot 1990, toen ze opliepen tot meer dan 20 procent van alle uitgaven, zien we daarna een drastische daling tot 2010. Na 2010 volgt een afvlakking tot een vermindering van de rentelasten met 18 procent tegenover 1980.
  • Uitkeringen stijgen het minst, 39 procent. Daarna volgt een opstoot bij het begin van de crisis in 2008, waarna de uitgaven volledig op hetzelfde peil blijven.
  • Subsidies voor bedrijven dalen lichtjes tussen 1980 en 2004, waarna ze een inhaalbeweging maken tot 2011, om uiteindelijk 46 procent hoger te eindigen dan in 1980.

Maar hoe zit het nu met de puur administratieve uitgaven? Die blijken tussen 1980 en 1990 per persoon eigenlijk op hetzelfde peil te blijven. Pas vanaf 1990 zien we een sterke stijging in de uitgaven tot 2008. Na 2008 zien we veeleer een daling om te eindigen op een peil dat 44 procent hoger ligt dan in 1980. 

Wat is hier aan de hand? Om dat te begrijpen moeten de uitgaven worden gesplitst over de verschillende bestuursniveaus.

Hieruit blijkt duidelijk de kostprijs van de federalisering van ons land. In 1990 was de procentuele verdeling respectievelijk 30/40/30 voor federale overheid, gemeenschappen en gewesten en lagere overheden. In 2012 was deze verhouding 20/48/32. De toename van de overheidskosten sinds 1990 is met andere woorden hoofdzakelijk een gevolg van de groei van gewesten en gemeenschappen. 

“De toename van de overheidskosten sinds 1990 is een gevolg van de groei van gewesten en gemeenschappen”

Wie zoekt naar overheidsbesparingen, moet dus beseffen dat de federale overheid nog slechts 20 procent van alle overheidsuitgaven onder haar controle heeft. In die zin kan men de vraag stellen of een begroting in evenwicht (inkomsten gelijk aan de uitgaven) van gemeenschappen en gewesten wel ‘voldoende’ is om het globale overheidsdeficit weg te werken.

In een volgende bijdrage zal ik de verschillende effecten van inkomsten en uitgaven van de staat samenbrengen om hun impact op de economische actoren te verduidelijken.

Phi-Rana

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!