Kant kiezen of verschralen. Waarom wat vandaag doorgaat als professionaliteit onze media en democratie ondermijnt
Geschiedenis, Democratie, Pers, Burgerparticipatie, Kranten, Objectiviteit, Kritiek, Politieke economie, Professionalisme -

Kant kiezen of verschralen. Waarom wat vandaag doorgaat als professionaliteit onze media en democratie ondermijnt

donderdag 31 oktober 2013 16:48

De professionalisering van de pers, en zeker de manier waarop deze zich voltrokken heeft, ondermijnt vandaag de democratie. Wie zich inlaat met mediakritiek vanuit een politiek-economische bril komt tot de conclusie dat pers weer kant moet kiezen, en dat huidige kijk op objectiviteit en neutraliteit niet alleen de democratie, maar ook de media zelf afbreekt. Waarom, dat lees u hieronder.

Gezien ik op voorhand vertrek vanuit een klassenperspectief neem ik zelf duidelijk stelling in. Initieel vertrek vanuit de praktijk, waar ik als linkse activist merkte dat de media niet zo betrouwbaar bleken als ze zichzelf voordoen, om deze om te zetten in en te toetsen aan de theorie. Maar ook nadien is is het essentieel dat de grens tussen theorie en activisme opnieuw wordt overschreden, dat de beide elkaar aanvullen en versterken. Ik sluit me hier graag aan bij Olga Lafazani (2012): “My active involvement in the struggle makes me think harder, not only about identifying the contradictions and conflicts but how we will overcome them in order to move forward or even win this struggle. […] Only when somebody is able to grasp both the wider social conditions within such struggles take place and at the same time the internal power relations, balances and dynamics, can one (probably) provide interesting and applicable ideas on ho to “make things better”. […] though it is crucial to theorize upon social movements and struggles or to pose politically relevant questions of research, being an activist is a step further than that: it is about being involved in such collective struggles, it is about acting in very material spaces and producing such spaces of collective action and resistance.”

Maar eerst: back to basics

De laatste tijd verdiepte ik me in de politieke economie van de media, een kritische stroming die haaks staat op de gangbare liberale en sociaal-democratische paradigma’s. De politieke economie van de media haalde haar inspiratie uit het marxisme en het neomarxisme. Vandaar dat het interessant is om enkele stappen terug te keren, om kort enkele klassiekers over objectiviteit en subjectiviteit aan het woord te laten. Daarna gaan we verder over de pers zelf.

In de klassieke marxistische literatuur vinden we het volgende terug: “De erkenning van het bestaan van een objectieve waarheid is eigen aan het materialisme. Deze objectieve waarheid definieert al onze ervaringen, zonder haar geen ervaringen. […] Bovendien komt alle kennis voort uit uit die ervaring, uit de gewaarwordingen, uit de waarnemingen.” “In de materialistische dialectiek van Marx en Engels ligt onvoorwaardelijk het relativisme besloten, maar ze is daar niet toe teruggebracht, d.w.z. ze erkent de betrekkelijkheid van onze hele kennis, niet echter in de zin van de ontkenning van de objectieve waarheid, maar in de zin van de historische betrekkelijkheid van de grenzen van het naderen van onze kennis tot die waarheid.” (Lenin, 1908)

Als pedagoog heeft ook Paulo Freire een bijdrage geleverd in het debat over objectiviteit. Zijn visie van een bevrijdende pedagogie zou zonder problemen kunnen doorgetrokken worden naar een debat over de pedagogische verantwoordelijkheid van de media. Volgens hem verhouden objectiviteit en subjectiviteit zich in een voortdurend dialectisch verband tot elkaar (Freire, 1972). “Het één kan niet bestaan zonder het ander, zonder objectiviteit geen subjectiviteit. De objectiviteit loskoppelen van de subjectiviteit, de subjectiviteit ontkennen bij een analyse van de werkelijkheid of bij een handelen aan de werkelijkheid, zou objectivisme zijn. Aan de andere kant zou ontkenning van de objectiviteit bij analyse of actie resulteren in een subjectivisme, dat tot een solipsistische houding leidt en de actie zelf ontkent door de objectieve werkelijkheid te ontkennen. De wereld en mens bestaan niet zonder elkaar, ze bestaan enkel in hun voortdurende wisselwerking.”

Wat Marx bekritiseerde en wetenschappelijk ontzenuwde was niet de subjectiviteit, maar het subjectivisme en het psychologisme. Zoals de objectieve sociale werkelijkheid er niet maar toevallig is, maar als het product van het menselijk handelen, zo wordt ze ook niet toevallig veranderd. Daar waar mensen een sociale werkelijkheid scheppen is de verandering van deze werkelijkheid een historische taak, een taak voor mensen. Een werkelijkheid die tot onderdrukking leidt, resulteert dus ook in de tegenstelling van mensen als onderdrukkers en onderdrukten. Iedereen die zich inlaat met de pedagogie van Freire wordt aangemoedigd om bewust stelling in te nemen. Anders zullen anderen dat voor ons doen.

De neoliberalisering van kennis

Academici die de nieuws-media bestuderen hebben over het algemeen al aanvaard dat de mythe van de onafhankelijke en vrije westerse pers niet houdbaar is (Herring & Robinson, 2003). Het idee is breed verworpen dat onze pers onafhankelijk van de belangen van de elite werkt en in staat is om de informatie te bieden die essentieel is om te verzekeren dat men de elites en de regeringen democratisch op het matje kan roepen als dit nodig blijkt. Hoewel dit meestal aanvaard wordt door academici, blijkt dit echter nog steeds het gangbare zelfbeeld van journalisten te zijn. Het maken van keuzes is echter een essentieel deel van het journalistieke proces, en er komen bijvoorbeeld steeds bepaalde waarden bij kijken bij wat mag doorgaan als voorpaginanieuws en wat niet.

Ook voor wetenschappelijk onderzoek is dit relevant. Brongebruik beïnvloedt politieke wetenschappers evenzeer als journalisten of historici (Steyvers, 2009). “Dit kan om interne redenen […] o.m. de verschijningsvorm waarin de informatie tot ons komt, de auteur van de bron en diens bedoelingen of de perceptie van diegene die de bron verwerkt, spelen mee in het verhaal dat een born ons vertelt. Het kan ook om externe redenen: […] Bronnen zijn ‘getekend’ in tijd en ruimte.”

Bovendien lijkt het erop dat ook academisch onderzoek te kampen heeft met gelijkaardige trends als de media. In het verleden werden de middelen om academisch onderzoek te publiceren in handen gehouden van academische en professionele instituties. Hier is de laatste twintig jaar verandering in gekomen, een verandering die door R. Peet (2012) wordt omschreven als de “neoliberalisering van kennis”. Steeds meer media concerns bezitten en controleren de fondsen die aangewend worden voor wetenschappelijk onderzoek, en wenden dit aan als bron van politieke, economische en culturele macht. Dit zorgt volgens hem niet enkel voor een kwaliteitsverlies binnen het academische veld, “the erosion of contemplation”, maar zorgt er evenzeer voor dat bijvoorbeeld radicale auteurs meer en meer in een bepaald keurslijf gedwongen worden, willen ze nog gepubliceerd worden. Heel het editoriaal van Human Geography leest als een pleidooi voor het terug opeisen van de vrucht van de eigen academische inspanningen, van het opnieuw toeëigenen van de productiemiddelen als het ware.

De opkomst van de geschreven pers

De studie van de geschiedenis van de media vanuit een politiek-economisch oogpunt heeft recent enorm aan belang ingewonnen. Meer en meer wordt hier aandacht aan besteed, en meer en meer wordt beseft dat een grondige van de historische evolutie en rol van het hele mediasysteem cruciaal is voor een goed begrip van de pers. De geschiedenis van de media dient dan ook gezien te worden als één waar strijd en verzet centraal staan. “Current political economy research demonstrates that media systems in place today are the result of a deeply contested history, involving not just duelling capitalists and their allies in government, but labour unions, citizens groups, consumer cooperatives, religious enthusiasts, and social justice organisations of all stripes.” (Mosco, 2008) Een historische kijk op de evolutie van de media leren ons ook een meer bescheiden houding aan te nemen tegenover recente evoluties. Veel van wat nu beschouwd worden als nieuwe en revolutionaire ontwikkelingen zoals de nieuwe media kunnen worden geassocieerd met voorgaande periodes in de geschiedenis toen oude media nieuw waren, en toen deze op net zoveel euforie konden rekenen. Voorheen waren het bijvoorbeeld de telegraaf en de telefoon die verwelkomd werden als de brengers van een nieuw tijdperk, van wereldvrede, van het einde van de onderdrukking van de vrouw etc. De discussie over de het internet wordt al twee decennia op een gelijkaardige, bijna utopische manier gevoerd.

Het is pas sinds het einde van de negentiende eeuw dat de krant haar karakter van massamedium verkreeg (Bens & Raeymaeckers, 2007). Enkele factoren droegen hiertoe bij in België, en in de rest van de wereld: de zegelbelasting werd afgeschaft, reclame werd meer en meer een bron van inkomsten, nieuwe zet- en druktechnieken en goedkoper papier zorgden ervoor dat de productie en dus ook de kostprijs van een krant goedkoper werd. Daarnaast waren het ook op socio-economisch vlak bewogen tijden, die het lezerspubliek fors deden toenemen.

Oorspronkelijk was de productie van een krant vanwege haar arbeidsintensiviteit en dure grondstoffen (lompenpapier) zo kostbaar dat enkel de kapitaalkrachtige elite zich de aankoop ervan kon permitteren (Euwema & Verbeke, 2010). “Pas toen omstreeks 1880 de celluloseproductie de papierprijs scherp deed dalen, ontstonden mogelijkheden voor een grotere afzet. De mechanisering van zet- en druktechnieken maakte daarnaast een snellere en omvangrijke productie mogelijk, nodig voor actuele berichtgeving. Tegelijk verbeterden andere technologische ontwikkelingen, waaronder de uitvinding van de telegraaf en telefoon. Ook de post ging erop vooruit. Zo kon het aantal dagbladen in Nederland in het laatste kwart van de 19e eeuw verzevenvoudigen. De kwaliteit van het onderwijs en de welvaart nam toe, er was een groeiende bewustwording en meer en meer emancipatiebewegingen schoten uit de grond. De pers onpopte zich als tot de uitlaatklep voor talrijke religieuze en politieke overtuigingen. Alle stromingen kwamen aan bod.”

Grotere oplagen maakten echter ook grotere reclame-inkomsten mogelijk waarmee dan weer geïnvesteerd kon worden in een nog groter bereik. Dit werd in de hand gewerkt door een toenemende industrialisering, waarbij de bedrijven die op grote schaal goederen begonnen te produceren gulzig gebruik maakten van reclame om beter te kunnen concurreren (Bens & Raeymaeckers, 2007). De rentabiliteit van de media werd in toenemende mate bepaald door de adverteerders. Met de groeistuipen van de pers nam de concurrentie ook toe, hetgeen meer en meer in zelfcensuur resulteerde (Chorus, 1994). Want een grotere oplage betekende voortaan ook een toenemende belangstelling van de adverteerders, die in steeds aanzielijker mate de winstgevendheid van de media gingen bepalen. De media werden hierdoor meer en meer gekenmerkt door een onmiskenbare concentratietendens. De onafhankelijke bladen van weleer groepeerden zich rond enkele machtige persconcerns, en ze werden steeds meer afhankelijk van reclamegelden, waar ze vroeger omwille van hun integriteit enkel geld aanvaardden via abonnementsgelden en af en toe de overheid. Sinds de dagbladen onderworpen zijn aan de gunst van de adverteerders zijn ze als advertentiemedia gedwongen elkaars lezersmarkt te penetreren en zo elkaar naar het leven te staan. Het resultaat is een soort economisch darwinisme geworden, waarbij uiteindelijk de meest kapitaalkrachtige ondernemingen zijn overgebleven. Alle grote Belgische media, behalve de openbare omroep, zijn vandaag de dag financiëel gezien quasi volledig afhankelijk van reclame.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was er bovendien een enorme alfabetiseringsgolf op gang gekomen in Europa. “In België was in 1840 nog 51% van de rekruten analfabeet, maar in 1891 was dit percentage reeds gedaald tot 16%. Op het einde van de negentiende eeuw werd overal de leerplicht ingevoerd. België kwam weliswaar tamelijk laat, pas in 1914.” (Bens & Raeymaeckers, 2007) Ook de uitbreiding van het kiesrecht vereiste dat de bevolking meer politiek geïnformeerd zou moeten worden.

Is de pers al altijd ‘professioneel’ geweest?

Ondertussen is de greep die godsdienst en ideologie lange tijd op de grote persmedia hebben gehad verslapt en in de meeste gevallen ondergeschikt gemaakt aan de economische doelstellingen als rentabiliteit, schaalvergroting en bedrijfscontinuïteit. België valt op dat vlak wel te beschouwen als een uitzondering. De hele trend naar objectiviteit, neutraliteit en professionaliteit die we in de rest van het westen, met de Verenigde Staten op kop konden waarnemen, kwam in België pas na de Tweede Wereldoorlog op gang. België kende vanaf het einde van de 19de eeuw meteen een zeer verzuilde pers, met katholieke, liberale en socialistische bladen. Deze verzuilde pers wordt vaak benoemd als ‘opiniepers’. Deze verzuiling was bij ons zodanig sterk dat de pers bij ons veel langer dan elders haar expleciet gekleurd karakter behouden heeft. De Tweede Wereldoorlog kan daarbij gezien worden als een scharniermoment, aangezien de volledige dagbladsector opnieuw moest opgebouwd worden. Kranten verdwenen of gingen in elkaar op. En toch, hoewel dit voor een concentratiebeweging zorgde, had dit nog niet zoveel effect op het politieke karakter van de pers. Het is pas met de ontzuiling, de opkomst van nieuwe partijen en een financiële en identiteitscrisis van de pers in de jaren ’60 en ’70, en niet te vergeten de toegenomen reclame-concurrentie van nieuwe media zoals radio en televisie, gekoppeld aan deze concentratietendens dat ook in België afscheid genomen werd van de partijpolitieke pers. Vanaf de jaren ’80 zagen we dan ook de privatisering van de media die voordien in handen van de verschillende zuilen waren.

De notie dat journalistiek politiek neutraal, onpartijdig, professioneel en zelfs objectief moet zijn is een recent fenomeen, dat pas in de twintigste eeuw ingang vond in de Verenigde Staten (McChensey, 2008). Ervoor was journalistiek bedoeld om te informeren, maar ook om te overtuigen… ze was zeer gekleurd en betrokken. In de grondwet van de VS werd persvrijheid beschouwd als een middel om verschillende politieke visies te beschermen, aangezien de meeste kranten gelinkt waren aan politieke partijen. Als bepaalde kranten door de overheid verboden of beperkt zouden kunnen worden, zou dit de mogelijkheid van politieke partijen of bewegingen om steun te verwerven inperken. Het zou de dood van de democratie betekenen. Een geëngageerde pers heeft veel te bieden in een democratische maatschappij, zolang er over gewaakt wordt dat er verschillende media zijn die een brede waaier van standpunten voorzien.

Tijdens de 19e eeuw verschoof de primaire klemtoon van de kranten van de politiek naar het commerciele. Niet qua inhoud, maar vooral wat de vorm betrof. Het werd een zeer winstgevende sector, door dalende prijzen, groeiende oplages en de toenemende dominantie van advertenties als bron van inkomsten. Toch bleef de toon nog steeds zeer gekleurd. De concurrentie zorgde er echter voor dat de concentratie toenam, en dat er heel wat dagbladen de boeken moesten sluiten of overgenomen werden. Dit zorgde er echter voor dat het moeilijker verkocht kon worden dat de pers schreef in naam van zijn opdrachtgever, van de eigenaar, gezien er plots niet genoeg actoren waren die tegengestelde visies promootten. Ook sensationalisme was niet zozeer een probleem als er maar genoeg kranten waren die dit konden counteren. De geloofwaardigheid van de pers begon eronder te lijden, en het begin van de 20e eeuw was het begin van een crisis van de journalistiek. Er gingen steeds meer invloedrijke stemmen op die vonden dat de commerciele pers haaks stond op de democratische principes. “In short, it was widely thought that journalism was explicit class propaganda in a war with only one side armed.” (McChensey, 2008) Al moet hierbij wel vermeld worden dat België op dit vlak achterophinkte. De concentratietendens die vooral de jaren van het interbellum kenmerkte, nam in België vooral de vorm aan van de expansie van de eigen dagbladonderneming (dagbladen die in andere streken bijtitels oprichtten), en minder om het opkopen van bestaande dagbladtitels.

Het was in die geladen tijdsgeest dat de notie van een professionele pers ontstond. Slimme uitgevers snapten dat hun media neutraal en niet vooringenomen moest overkomen, concepten die volledig haaks stonden op de oorspronkelijke rol die de pers vervulde, of hun bedrijf zou een pak minder rendabel worden. Om hun economische positie te bestendigen moesten ze deels hun politieke macht opofferen. Er werden dan ook journalistieke scholen opgericht, waar journalisten werden geschoold om hun professionele kennis aan te wenden, niet de voorkeuren van de adverteerders of de commerciele belangen van hun krant. Het volk zou kunnen vertrouwen op een pers die louter diende om te informeren. Het klonk allemaal ongelooflijk goed. Één zaak werd echter over het hoofd gezien. Het is volstrekt onmogelijk om nieuws volledig neutraal en objectief te maken, welke standaarden er ook gehanteerd worden. Zolang dit niet erkend wordt, is het onmogelijk om uit te zoeken welke waarden uitgedragen worden of moeten worden, en wat nieuwswaardig is en wat niet. De keuze van wat er op de voorpagina komt is bijvoorbeeld met enorm veel waarde geladen.

The dark side of professionalism

Studies wezen uit dat er drie diepgewortelde effecten zijn die voortvloeien uit de professionele code die door journalisten gehanteerd worden (McChesney, 2008). Deze effecten zijn vandaag prominenter dan ooit.

Ten eerste is er de keuze van bronnen. Om elke controverse aangaande de selectie van hun verhalen te vermijden, zullen journalisten alles wat te maken heeft met officiële bronnen (overheden en prominente figuren) als legitiem aanvaarden. In het ‘onprofessionele’ tijdperk van journalistiek zouden de kranten achter hun bronnen staan en onomwonden de selectie van het nieuws verdedigen als consequent met de waarden die ze wilden uitdragen. Zulk een attitude is ongehoord in het professionele tijdperk. Vertrouwen op bronnen als basis voor legitimatie vormde hiervoor een oplossing. Dit zorgt er voor dat de kranten zich achter hun bronnen kunnen wegsteken, en bovendien bevooroordeelt dit de politieke machtshebbers aanzienlijk aangezien deze beter in staat zijn om als agendasetters op te treden, niet enkel voor dat waarover gesproken moet worden, maar ook door hetgene waarover ze over zwijgen. Wanneer een journalist een onderzoek probeert uit te brengen dat niet geruggesteund wordt door een officiele bron, mag hij al hard zijn best doen om niet onprofessioneel over te komen. Officiele bronnen zijn bovendien een zeer efficiente manier om snel aan informatie te komen, zeker in tijden waarbij de journalisten door de continue besparingen te kampen krijgen met enorm zware deadlines (Zinzen, 2010). Zelfs de journalisten van internationale persagentschappen als AP, Reuters of Agence France Presse zijn door bezuinigingen tegenwoordig gedwongen om zich meer te beperken tot wat officiele bronnen op hen af sturen. Tijd om zelf iets uit te zoeken hebben ook zij niet.

Daarbij komt dat ook de officiele instituten die voor deze bronnen zorgen nood hebben aan een rigoureus toezicht, dat ze een watchdog nodig hebben die niet enkel kan gegarandeerd worden door hun verkozen oppositie. Anders heeft het burgerschap geen enkele uitweg uit het status quo, geen mogelijkheid om de politieke cultuur als geheel te bekritiseren. Als de watchdogfunctie van de media verslapt, kan corruptie groeien en vervalt het democratische systeem.

Ten tweede zien we dat journalistiek de neiging heeft om contextualisering te mijden als de pest (McChensey, 2008). Dit was een grote troef bij de vorige generatie van journalistiek. Ze probeerde elk belangrijk feit aan te grijpen en te kaderen in een groter politiek ideologisch raamwerk, om er zin aan te geven. Maar bij professionele journalistiek leidt het aanreiken van een context en achtergrond voor de verhalen er onvermijdelijk toe dat de journalist gedwongen wordt ‘kant te kiezen’, tenminste als het degelijk gedaan wordt. Laat dit nu net hetgene zijn dat de journalist en het medium ten allen prijze willen vermijden. Het beetje contextualisering waaraan men zich nog waagt zal zelden ingaan tegen wat gangbaar is in de consensus van de officiele bronnen. Ook is een feit zonder gebeurtenis zelden nieuwswaardig. Racisme mag dan wel een weidverspreid probleem zijn, als er geen gebeurtenis is die toelaat het in beeld te brengen zal het ook zelden te zien zijn. Voor zij die buiten het machtscentrum zitten is het vaak enorm lastig om zo’n ‘news hook’ te creëren.

Deze fenomenen stimuleerden de opgang van de public relations (PR) industrie. Zij specialiseren zich erin om, met behulp van gestroomlijnde persberichten, betaalde “experten”, neutraal klinkende actiegroepen enzovoort, een grote invloed te hebben op de media, ten voordele van hun klanten die meestal uit de zakenwereld afkomstig waren. Grote bedrijven gooien er veel geld tegenaan om ervoor te zorgen dat hun versie van de wetenschap ruim aan bod komt in de pers, voorgesteld als de objectieve waarheid. De media verwelkomen dit met open armen, gezien het hen de luxe geeft van veel bladvulling voor weinig kosten.

Deze twee tekortkomingen brengen in combinatie een derde paradoxaal en zorgwekkend effect met zich mee. Journalistiek depolitiseert het publieke debat. Het valt aan te tonen dat de huidige journalistiek beter is in het creëren van onwetendheid en apathie dan in het scheppen van geïnformeerde en passioneel geëngageerde burgers. De politiek wordt herleid tot passieloze steriliteit, zonder band met de dagelijkse realiteit waarin de mensen leven. Het leidt tot cynisme over de waarde en de integriteit van het publieke leven. Het schept eerder verwarring dan begrip en geïnformeerde actie. Dit creëert een zwaar dilemma voor journalisten. Het is duidelijk dat democratie nood heeft aan journalistiek, maar wat minder begrepen is is dat het omgekeerde evenzeer telt. Zonder een bevolking die vertrouwt op de jounalistiek, die haar ernstig neemt en die politiek geëngageerd is, zal journalistiek zijn essentie verliezen en niet meer gestimuleerd worden om het harde werk te verrichten dat vereist is om tot goede en kritische media te komen. De paradox van professionele journalistiek is dus als volgt: degelijke journalistiek kan niet overleven zonder een levendige democratie. Dit impliceert dat journalistiek aggressief en expleciet kritisch dient te worden tegenover het anti-democratische status quo, het moet zich opnieuw inlaten met het teisteren van de confortabelen en verzorgen van de geteisterden. “In short, the logic suggests that to remain domocratic, to continue to exist, journalism must become… unprofessional” (McChensey, 2008). Deze quote kan natuurlijk gemakkelijk uit zijn context getrokken worden. Dit is geen pleidooi om journalistiek te herleiden tot het amateuristische – want uiteraard zijn bepaalde professionele standaarden broodnodig – maar veeleer een historisch gekaderde aanklacht tegen de huidige interpretatie van het concept professionalisme.

Het derde effect wordt door Ben Bagdikian (2004) genoemd als “dig here, not there”. Het verwijst naar de impliciete of onuitgesproken filters die gefavoriseerd worden door de eigenaars van media en hun adverteerders. Journalisten die opklimmen in de hiërarchie zullen diegene zijn die het minste problemen hebben om deze te internaliseren. Wandaden van de overheid zullen bovendien veel aandachtiger gevolgd worden dan die van het grootkapitaal.

Bronnen

Bagdikian, B. (2004). The New Media Monopoly. New York: Beacon Press.Bens, E. D., & Raeymaeckers, K. (2007). De pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers gisteren, vandaag en morgen. Leuven: LannooCampus.

Bens, E. D., & Raeymaeckers, K. (2007). De pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers gisteren, vandaag en morgen. Leuven: LannooCampus.

Brambilla, C. (2012). Constructing a Relational Space between “Theory” and “Activism”, or (Re)thinking Borders. ACME: an International E-Journal for Critical Geographies, 215–221.

Chorus, B. (1994). Dagbladen in Nederland, opkomst en neergang van de vrije nieuwsvoorziening. Van der Loo, H. (Ed.), De medialeugen (pp. 52–72). Berchem: EPO.

Freire, P. (1972). Pedagogie van de onderdrukten. Baarn: Uitgeverij In Den Toren.

Herring, E., & Robinson, P. (2003). Too polemical or too critical? Chomsky on the study of the news media and US foreign policy. Review of International Studies, 29, 553–568.

Lafazani, O. (2012). The Border between Theory and Activism. ACME: an International E-Journal for Critical Geographies, 189–193.

McChesney, R. W. (2008). The political Economy of Media. Enduring Issues, Emerging Dilemmas. New York: Monthly Review Press.

Mosco, V. (2008). Current Trens in the Political Economy of Comunication. Global Media Journal, 1(1), 45–63.

Peet, R. (2008). Editorial: The Neoliberalization of Knowledge. Human Geography, 1, 1–2.

Soete, H., Custers, R., & Bondt, B. D. (2004). Media Activisme. Berchem: EPO.

Steyvers, K. (2009). Op zoek naar het vlindereffect. Leuven: Acco.

Zinzen, W. (2010). Praatjes vullen geen gaatjes: de verbreding van de journalistiek tot faits divers of hoe de media hun invloed als vierde macht verkwanselden. De vierde onmacht (pp. 68–94). Leuven: Van Halewyck.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!