Nieuws, Wereld, Economie, NAVO, Grondstoffen, Afrika, Mijnbouw, Brazilië, Raf Custers, Recyclage, Militair-industrieel complex, Privébelangen, Grondstoffenjagers, Transnationale ondernemingen (TNC's), Fossiele grondstoffen, Extractieve industrie, Bewustzijnsindustrie -

De stock américain wordt een stock humain

DeWereldMorgen.be vroeg Raf Custers om deel te nemen aan de Week van de Toekomst en zijn ideeën op te schrijven over de 'toekomst van ons grondstoffenbeleid'. Bij deze een aantal elementen die in zijn ogen van essentieel belang zijn. Baat het niet dan schaadt het niet!

vrijdag 25 oktober 2013 10:00

Vooreerst, lezer, moet u weten dat ik dit schrijf in Brazilië. Ik verzamel hier informatie voor een vervolg op mijn boek Grondstoffenjagers (EPO, Antwerpen, 2013). Dat zal hier sporadisch in doorschemeren. In Grondstoffenjagers heb ik beschreven hoe het vandaag met de grondstoffen gaat.

Vervolgens een precisering. Grondstoffen komen uit de bodem, uit de landbouw, uit de natuur. Ik heb het hierna vooral over delfstoffen uit de mijnbouw en over de olie- en gaswinning, tesamen de extractieve industrieën.

Deze grondstoffen zijn niet hernieuwbaar; iedereen weet dat deze grondstoffen op een dag uitgeput zullen zijn. Die dag is voor sommige grondstoffen zeer dichtbij. Hier in Brazilië beginnen ze nu kilometers diep in de oceaan naar olie te boren, in wat het rijkste olieveld ter wereld heet te zijn.

Toch zit olie globaal gesproken over zijn piek: zelfs als men de nieuwe en rijke velden meerekent, is de industrie nu de laatste oliereserves aan het uitputten tot ze op zijn. Ook fosfaat (o.a. voor kunstmest) zit over zijn piek. Van andere grondstoffen zijn de ontginbare voorraden binnen enkele jaren op.

Dat moet letterlijk worden opgevat, tenminste als de consumptie van die grondstoffen onverminderd tegen het huidige tempo voortgaat. Indium is een dramatisch voorbeeld. Het wordt gebruikt om LCD-schermen te maken. In 2007 meldde de New Scientist dat er “tegen het huidige tempo nog voor 4 jaar reserve was”.

Toch worden anno 2013 op een nooit geziene schaal grondstoffen gezocht, gedolven, verhandeld of speculatief opgepot. Dat is de kernactiviteit van zo’n 3 à 400 transnationale ondernemingen (TNC’s). Dat aantal slinkt nog voortdurend, want de grote ondernemingen slokken de kleine op. De grootste van deze TNC’s mesten zich vet met de mijnbouw en de olie- en gaswinning.

De TNC’s opereren wereldwijd. Zij zijn de ruggengraat van de globalisering. De transnationale ondernemingen van de extractieve industrie jagen op concessies in de grondstoffenrijke landen. Uit die concessies halen ze de grondstoffen weg, meestal om ze te exporteren. Dit is een vorm van privatisering, de TNC’s eigenen zich onze natuurlijke rijkdommen, dus ons patrimonium toe. Waarom ik ‘onze’ schrijf, maak ik straks duidelijk.

“De TNC’s opereren wereldwijd. Zij zijn de ruggengraat van de globalisering. Dit is een vorm van privatisering, de TNC’s eigenen zich onze natuurlijke rijkdommen, dus ons patrimonium toe”

Voor de mijnbouwers is de conjunctuur goed, hun zaken draaien nu al tien jaar als zelden tevoren. (Vergeten we intussen niet dat de wereldeconomie sinds de jaren zeventig slabakt en zichzelf in 2008 in een wereldcrisis heeft gestort).

De TNC’s van de extractieve industrieën produceren, transporteren en verkopen gejaagd en nietsontziend. Het zijn ondernemingen met aandelenkapitaal en ze bestaan om de aandeelhouders een return op hun beleggingen te geven. De aandeelhouders dwingen hen om à fond grondstoffen te winnen en daar zoveel mogelijk winst uit te slaan.

Wij dragen de gevolgen. Wij, dat zijn de bewoners van deze planeet, de consumenten en de bewoners van de grondstoffenrijke landen.

Zij doen ons het stof van de mijnen slikken; zij verjagen ons van onze gronden om plaats te maken voor hun putten; zij putten onze grondstoffen uit; zij verbruiken enorme hoeveelheden water en energie, dikwijls op plaatsen waar die juist schaars zijn.

Zij blijven broeikasgassen uitstoten en verergeren de klimaatverandering; met hun reclame promoten zij de verkwisting en de consumptie van wegwerpproducten; zij willen de vrije hand hebben in de grondstoffenrijke landen; zij willen niet dat soevereine landen raken aan de privileges van de TNC’s. 

In naam van de vrijhandel willen zij integendeel dat de zelfbeschikking van de landen wordt beknot; zij zijn een drijvende kracht achter de westerse politiek van overheersing en militaire interventies in landen van de zogenaamde periferie.

“In naam van de vrijhandel willen zij integendeel dat de zelfbeschikking van de landen wordt beknot; zij zijn een drijvende kracht achter de westerse politiek van overheersing en militaire interventies in landen van de zogenaamde periferie”

Na decennia van neoliberale globalisering zijn bijna alle landen onderworpen aan de eisen en het stelsel van de TNC’s. Maar de mensen in de meeste grondstoffenrijke landen ontberen elke basisvoorziening. Deze mensen zijn arm. Hun landen zijn onderontwikkeld.

De mensen in de landen van de periferie willen zelfbeschikking. Dat is een politiek gevecht. Een recent voorbeeld uit Brazilië: de presidente Dilma Rousseff annuleerde haar geplande trip naar Washington (die deze week zou plaatsvinden) uit protest tegen de door de klokkenluider Edward Snowden onthulde VS-spionage tegen de Braziliaanse regering en tegen het Braziliaanse olieconcern Petrobas.

Dit cynische patroon van extractivisme, consumentisme en verspilling overheerst. Er is geen sprake van rationele uitbating en planning op middellange of lange termijn. De TNC’s en hun bondgenoten hebben de mond vol over duurzame ontwikkeling. Maar dat is een rookgordijn. Hun winstzucht gaat niet samen met duurzaamheid, wat zij ook beweren, want met onze toekomst houden zij geen rekening.

“TNC’s en hun bondgenoten hebben de mond vol over duurzame ontwikkeling. Maar dat is een rookgordijn. Hun winstzucht gaat niet samen met duurzaamheid, wat zij ook beweren, want met onze toekomst houden zij geen rekening”

Wij zijn verwikkeld in een corrida, een race met de TNC’s van de extractieve industrie en hun bondgenoten. Hoe langer zij kunnen voortgaan met hun exploitatie, hoe slechter wij er voorstaan. Hoe sneller wij met hen korte metten maken, hoe beter af de planeet.

Ons wordt niets gevraagd. In de race met de grondstoffenjagers liggen wij achterop. Maar er komt een keerpunt. In de fabel van de schildpad en de haas wint de schildpad. Slow and steady wins the race.

De kansen zullen maar keren als wij uit het cynische ‘model’ van de TNC’s stappen en onze verbeelding gebruiken. De verbeelding moet aan de macht. Zolang onze mensensoort bestaat, droomt ze van een goed leven.

In Brazilië ligt de stad Belo Horizonte: ‘mooie horizon’. Haar stichters hadden een ideaalbeeld voor ogen. Vandaag is Belo Horizonte een industriële metropool, met – om maar iets te noemen – een metro voor de residentiële gemeenten. Maar voor de honderdduizenden die in de volkswijken van de rand wonen, is er geen behoorlijk openbaar vervoer.

In Belo Horizonte is het ideaalbeeld niet gehaald. De droom is uitgedraaid op een urbane nachtmerrie, de verbeelding is vervreemding geworden omdat de rijke elite haar politieke keuzes heeft doorgedrukt.

Ook onze volkscultuur kent luchtige dromen. Zo bijvoorbeeld het lied Vera Cruz (in 2012-13 opgenomen in de liederencyclus Vive La Sociale, opgevoerd door koren uit Brussel en Hasselt). Een olijke utopie. Ziehier een strofe:

“Ze kunnen daer als princen leven, ’t Land is er vrugtbaer en gezond

De visch komt er aen strand gedreven of valt gebraden in den mond

De perels en coraelen die liggen daer op het zand,

Goud, zilver en metalen dat schopt men daer van kant.”

en nog twee regels :

“Zy zyn daer vry van contributie, en men kend daer ook geen patent.

Zy kunnen daer een constitutie maken naer het element.”

Terloops: een ‘patent’ is een belasting; indertijd bestond er een fietspatent (een jaarlijkse taks om met de fiets te mogen rijden!), vispatenten (of visverloven) bestaan nog altijd.

Dromen verschijnen als we weten dat het anders kan. Ze komen voort uit bewustwording. Maar dromen volstaan niet, we moeten ze omzetten in realiteit. Dat is een politiek gevecht.

Zij gunnen ons geen ruimte om onze fantasy te ontwikkelen. Het kader voor onze fantasy wordt ingeperkt door hun bewustzijnsindustrie: door de media, door de fabrikanten van games, films, boeken en muziek en door de reclame. Zij maken ons niet bewust, maar conformistisch, zodat we leven volgens de commerciële modellen uit de reclame.

We moeten politiek gewicht in de schaal werpen. We moeten ons ook de instrumenten van de bewustzijnsindustrie toeëigenen, de woordenschat, de radio, de televisie, de games …

Neem een computergame als Minecraft. Daarmee kan je je eigen wereld scheppen. Laatst zag ik een met Minecraft gebouwde toren waar op de hoogste verdieping een plantage lag (met suikerriet) en nièt (zoals in de reëel bestaande torens) de vergaderzaal van het directiecomité.

Nog iets waarvan we kunnen leren: de gamers communiceren met en leren van elkaar via het internet. Al zitten er soms ook nasty karakters tussen.

Hier en daar slagen we erin onze ideeën voor de toekomst door te duwen, tegen de gevestigde machten in, op de schaal van wijken en gemeenten, en ìn onze sociale bewegingen. Ik zie het ook hier in Brazilië weer, waar hele stukken van de ‘samenleving’ bezig zijn zich te organiseren en doordachte politieke tegenmachten op te bouwen.

“Hier en daar slagen we erin onze ideeën voor de toekomst door te duwen, tegen de gevestigde machten in, op de schaal van wijken en gemeenten, en ìn onze sociale bewegingen”

De vakbonden hebben hier onder de militaire dictatuur (1964-1985) en de neoliberale regeringen van de jaren negentig erg aan kracht ingeboet en zijn behoorlijk versnipperd.

Maar bewegingen zoals die van de landloze boeren (MST) of van de slachtoffers van de stuwdammen (MAB) zijn door het hele land gestructureerd en brengen serieus veel volk op de been. En, heel opvallend, ze nemen ook standpunten in over thema’s die niet onmiddellijk tot hun kernbelangstelling behoren.

MST bijvoorbeeld is radicaal gekant tegen het in concessie geven van de rijke diepzee-olievelden. “De olie is van ons”, zegt MST.

Dit is de ‘constitutie naer ons element‘ (uit Vera Cruz) in actie. De sociale bewegingen brengen echte democratische politiek in de praktijk. Dat is een kwestie van debat en directe participatie. Hier draait het om ons. Wij analyseren zelf ons land en het profiel van onze tegenstander.

Wij bepalen zelf onze doelstellingen en hoe we die moeten halen. De actuele politiek trekt de groei van de privébelangen voor en schuift ons opzij. Die politiek wil ons niet horen, vroeg of laat zal zij ons voelen.

Terug naar de beginvraag: hoe ziet de grondstoffenpolitiek van de toekomst er uit?

Zo dadelijk spring ik van de huidige naar de toekomstige situatie van, laat ons zeggen, rond 2050. U zult zien dat ik me daar een grote luxe permitteer.

Ik sla namelijk een aantal cruciale stappen over om bij de toekomst van 2050 te komen. Ik heb geen idee van wat er tussen nu en 2050 gaat gebeuren. Ik weet alleen dat wij ons geen illusies hoeven te maken. De doorbraken zullen harde confrontaties zijn. Geen enkel volk heeft ooit iets voor niets gekregen.

Maar, nogmaals, een aantal tussenstappen wordt werkelijkheid. Als consumenten halen we hier en daar onze slag thuis. De schranderste fabrikanten en productontwerpers beseffen dat wegwerpproducten out zijn, en ze stemmen hun design af op recyclage en reparatie.

Er beginnen producten te komen die makkelijk te demonteren zijn, zodat ze hersteld kunnen worden, of, als ze versleten zijn, de nuttige materialen er gemakkelijk en met gezonde methoden uit teruggewonnen kunnen worden. Die trend bespaart op grondstoffen.

Je kunt dingen maar herstellen, als je eraan kunt sleutelen, dat wil zeggen: als de technologie ervan ‘open’ is. Veel van onze software is de vrucht van het onbaatzuchtige werk van technici, die zich daarmee amuseren.

Maar hier valt nog heel veel te doen. Een voorbeeld: de liften. De Europese liftenmarkt wordt gecontroleerd door een kartel van grote transnationale constructeurs (Otis, Schindler, Kone, Thyssen). Zij hebben hun technologie opgesloten in patenten. Hun liften zijn uitgerust met elektronische modules waarvan enkel zij de codes kennen en hun onderhoudscontracten bepalen dat enkel hun technici onderhoud en herstellingen mogen doen. Als consument ben je met handen en voeten aan de constructeurs gebonden.

Maar er bestaan kleine onafhankelijke constructeurs, die liften met open technologie plaatsen. Heb je zo’n lift in huis, dan heb je vrijheid en ben je doorgaans goedkoper af. Ook deze trend moet veralgemenen. Dan kunnen wij als consumenten helpen om toekomstgerichte technologie te ontwikkelen. Dat kan ook voor de technologie (de soorten en de hoeveelheden) van de grondstoffen.

Nog een tussenstap die vorm krijgt: onze individuele uitrusting (voor huishoudens, school, mobiliteit, vrije tijd …) verliest aan belang, ten voordele van collectieve uitrusting en systemen van ruil/leen op de schaal van de straat of de wijk.

“Nog een tussenstap die vorm krijgt: onze individuele uitrusting verliest aan belang, ten voordele van collectieve uitrusting en systemen van ruil/leen op de schaal van de straat of de wijk”

We kennen autodelen en beginnen dat principe ook toe te passen op boeken, boormachines enz. En als onze uitrusting defect is, gaan we ze herstellen in de collectieve reparatie-ateliers in de wijk.

Mensen hebben altijd geweten dat we zuinig moeten omgaan met onze gebruiksvoorwerpen en de grondstoffen die erin verwerkt zitten. Dat bewustzijn was naar de marge geduwd en compleet overvleugeld door het consumentisme. Maar de praktijk van het herstellen en het delen komt terug en we zullen de industrie moeten dwingen om haar technologie daarom te ontsluiten.

Nog een realiteit is recyclage. We weten dat we veel grondstoffen kunnen terugwinnen en hergebruiken. Het komt erop aan een waterdicht systeem van productie, inzameling en recyclage te organiseren.

Stadsmijnbouw (urban mining – inzamelen in de stad) en het terugwinnen van materialen uit (soms al oude) stortplaatsen winnen aan belang. Daarnaast worden voor bepaalde grondstoffen vervangmaterialen gezocht en gevonden. Andere grondstoffen zijn onvervangbaar (zoals het eerder genoemde fosfaat). Daar zal harder naar substitutie-oplossingen moeten worden gezocht.

Met de huidige stand van zaken zijn recyclage en substitutie nochtans ontoereikend om aan de vraag naar grondstoffen te voldoen. Primaire mijnbouw, dus het winnen van grondstoffen uit de bodem, blijft nodig en zal volgens mij ook in de verre toekomst blijven bestaan. Maar als we de planeet niet versneld naar de vaantjes willen laten gaan, kan de grondstoffensector onmogelijk zoals nu blijven draaien.

“Als we de planeet niet versneld naar de vaantjes willen laten gaan, kan de grondstoffensector onmogelijk zoals nu blijven draaien”

De hele grondstoffenketen moet op een totaal andere leest geschoeid. Die keten bestaat grosso modo uit zes schakels: de exploratie (het zoeken naar delfstoffen), de exploitatie (het winnen van delfstoffen), het vervoer, de handel, de verwerking in verbruiksgoederen en de recyclage.

Nu ontbreekt in die keten elke planning. De grondstoffenmarkten zijn geweldig wispelturig (volatiel). Eén reden is juist dat elke privé-onderneming enkel haar eigen belang (of dat van haar aandeelhouders) voor ogen heeft.

Een andere reden is dat in elke schakel van de keten mastodonten overheersen. Een weinig gekende schakel is die van de grondstoffenmarchands. Een half dozijn van die marchands controleren de hele wereldhandel in grondstoffen. Zij kunnen de markt droogleggen en de prijzen opdrijven. Hun acties ontregelen het systeem.

Aan die chaos zullen we in de toekomst een einde moeten maken. We zullen dan alle schakels van de grondstoffenketen onttrekken aan de louter op winst gerichte ondernemingen en ze onder onze democratische controle brengen. Dat is één van de hoofdopdrachten voor ons toekomstige grondstoffenbeleid.

“We zullen dan alle schakels van de grondstoffenketen onttrekken aan de louter op winst gerichte ondernemingen en ze onder onze democratische controle brengen. Dat is één van de hoofdopdrachten voor ons toekomstige grondstoffenbeleid”

Wij zullen deze democratische controle uitoefenen waar we wonen en waar we werken, namelijk hoofdzakelijk in de stad.

Wij leven nu al met een overgrote meerderheid in de stad. Dat zal in de toekomst nog veel explicieter het geval zijn. Mensen blijven van het platteland naar de stad trekken, in de hoop daar een beter leven te vinden. Dat vergt bewuste solidariteit van de stedelingen. Wij moeten de immigranten in ons midden opvangen en de band met de mensen van het platteland versterken.

De steden zoals wij die nu kennen, zijn het uitgelezen domein voor de verrijking van de privé-ondernemingen. De stedelijke overheden spelen mee. Dat privaat-publieke partnership doet aan ‘ad hoc-urbanisme’.

Privé-ondernemingen en overheden komen aanzetten met hun ‘projecten’ (het shopping center Uplace bij Brussel, de prestigieuze stationskoepel van Liège-Guillemins, de Lange Wapper-brug boven Antwerpen) en verkopen ons die ‘projecten’ als nuttig en nodig en goed voor de werkgelegenheid.

Zij duwen ons weg naar de periferie. Ze geven de voorrang aan de vloot van individuele privé-auto’s. Maar de overheden hebben geen democratisch plan voor de stad; zij vragen ons nooit wat wij nodig hebben of wat wij van hun plannen vinden.

In de steden zoals die nu worden bestuurd, worden gigantische hoeveelheden grondstoffen verkwist. Studiebureaus zoals McKinsey spiegelen ons een dreigende demografische toekomst voor. Ze voorspellen hoeveel megasteden er nog zullen bijkomen. Daarmee wijzen ze beleggers de weg naar de groeisectoren voor de volgende decennia. Zij bekommeren zich echter niet hoe wij in die steden zouden leven.

Maar wij hebben het recht om goed te wonen, te leren, te werken en te leven. Het zal moeilijk zijn om het leven van de stad in de toekomst redelijk te beredderen, zodat elk van ons dat recht kan uitoefenen. Dat zal alleen kunnen als wij collectief beslissen hoe de stad reilt en zeilt, en niet de projectontwikkelaars van de privé-ondernemingen.

“Het zal moeilijk zijn om het leven van de stad in de toekomst redelijk te beredderen. Dat zal alleen kunnen als wij collectief beslissen hoe de stad reilt en zeilt, en niet de projectontwikkelaars van de privé-ondernemingen”

Het zal opnieuw veel verbeelding vragen en altijd en overal opnieuw de directe participatie van de mensen in de wijken. De (stads)mens beslist, niet de (stads)politici.

Uiteindelijk zullen onze organisaties en coördinaties de politieke macht in de staat moeten overnemen. Het web van onze democratische organisaties wordt de ruggengraat van het politieke bestel.

Zoniet blijft de staat met zijn instellingen de belangen van de rijken promoten en verdedigen. Deze ‘tussenstap’ zal toelaten dat we privébelangen uit de TNC’s wegsnijden en dat we eindelijk planmatig te werk kunnen gaan. Die condities moeten vervuld zijn, anders mogen we een democratisch grondstoffenbeleid en een democratisch beleid tout court vergeten.

Wij zouden onze democratische participatie en controle kunnen vorm geven in wat ik wijkraden zou durven noemen. Daar beslissen wij. Vervolgens komt het erop aan onze beslissingen te doen uitvoeren door degenen die wij daartoe hebben gemandateerd (de politici).

Bouwen aan de stad is hard labeur. Tegen 2050 of daaromtrent zullen wij de stad transformeren van een rat race in een plaats waar het goed is om te leven. Onze wijkraden zullen dan de ruimtelijke inrichting bepalen, de werkuren, het openbaar transport, de gemeenschappelijke diensten, de markten, fijnmazige distributie in de wijken, het vertier, de solidariteit tussen de wijken, de fitnessinstallaties, de zwembaden, enzovoort.

Veel van deze domeinen raken direct aan het grondstoffenbeleid. Wij zullen nieuwe projecten wikken en wegen. Megaprojecten van projectontwikkelaars maken volgens mij dan geen kans meer. Dat maakt voor het grondstoffenbeleid alweer een serieus verschil.

Ik kan nog een stap verder gaan. Vanuit de wijkraden zouden we zelfs de planning kunnen bepalen die voor een grondstoffenbeleid onontbeerlijk is. In die wijkraden zouden wij onze materiële behoeften kunnen ventileren, maar ook onze collectieve verbeelding kunnen laten werken om de kennis en de toepassingen van grondstoffen te ontwikkelen.

Wij zouden tot ver buiten de grenzen van onze kieskring moeten denken. Dat is concrete solidariteit. Wie al heeft, zal meer moeten gunnen aan wie nog niet heeft.

Bovendien zullen de wijkraden met elkaar communiceren, binnen ruimere geografische of sectorcoördinaties, hetgeen de druk op de politici alleen maar vergroot.

Die toekomstige situatie contrasteert fel met de ‘achterkamerpolitiek’ die vandaag het leven in de stad bepaalt.

Overigens, bedenk ik nu: voor wat wij doen, is Occupy geen treffende betiteling. Zìj hebben altijd het publieke domein bezet, zìj hebben zich de natuurlijke hulpbronnen toegeëigend, zij bezetten ook de publieke ruimte van de informatie. Zij poten zich daar neer.

Zo gedraagt de bezetter zich. Hij kijkt naar de grond en beweert: ‘dit is van mij’. Wij gedragen ons anders. Onze bewegingen moeten plein per plein, wijk per wijk het publieke domein weer vrij maken. Met alle respect, maar Occupy is een onbezonnen naam. Liberation moet het zijn. Liberation heeft een lange traditie, er valt alles uit te leren.

“Met alle respect, maar Occupy is een onbezonnen naam. Liberation moet het zijn. Liberation heeft een lange traditie, er valt alles uit te leren”

In de toekomst zal er weer plaats zijn voor solidariteit, in de ruimte (tussen alle delen van het land en van de aardbol, van de wijk tot de andere continenten), en in de tijd, tussen onze en de toekomstige generaties.

Wij zullen systemen gebruiken om kennis en technieken (o.a. om efficiënt te recycleren) planetair te delen. We zullen ook over mechanismen beschikken, ook qua financiering, om de negatieve impact van de privéproductie op te ruimen en te neutralizeren: het gaat om bodem- en watervergiftiging, de proliferatie van agrotoxische producten en van genetisch gemanipuleerde organismen.

Een aantal sleutelsectoren zal prioritair moeten worden vrijgemaakt. Dat geldt voor onderzoek en ontwikkeling (Research & Development of R&D).

R&D moet uit handen van commerciële belangen worden gehaald. Onderzoek moet worden gestuurd door de noden, behoeften en suggesties ingewonnen in de wijkraden. De resultaten van het onderzoek zullen terugkeren naar wie het heeft besteld: naar de wijkraden en niet meer naar de privé-ondernemingen.

De universiteiten zullen de privésponsors aan de deur hebben gezet en aan peoples driven-onderzoek doen. Ze zullen ook buiten hun muren enquêtes doen over de noden en de vindingrijkheid van de mensen. R&D zal niet meer het exclusieve domein zijn van laboratoria, maar een wisselwerking tussen de inventiviteit van de wijkraden en de specialistencentra.

Een andere sector die moet worden vrijgemaakt, is de bewustzijnsindustrie. Daar werken creatieve mensen. Vandaag zitten ze opgesloten in de projecten van de privé-ondernemingen. Ze moeten reclame maken voor het kapitalistische groeimodel zodat wij telkens opnieuw de producten en de denktrant van de multinationale ondernemingen zouden consumeren.

In de toekomst zullen de creatieve werkers van de bewustzijnsindustrie hun verbeelding mogen gebruiken om radio en TV en films en podiumkunsten enz. te maken voor ons buen-vivir.

In de toekomst zal de grondstoffenhandel zijn vrijgemaakt. De handel zal niet meer verlopen via gesloten privé-ondernemingen zoals Glencore, Trafigura, Vitol of Cargill, maar opnieuw via grondstoffenbureaus. Dat zijn openbare organisaties die de markt en de prijzen van de grondstoffen regelen. Zulke organisaties hebben vroeger bestaan, maar de kartels van de transnationale marchands (die totaal ontransparant zijn) hebben hun plaats ingenomen.

In de toekomst zullen we die situatie terug omkeren. De openbare grondstoffenbureaus zullen terugkomen en geperfectioneerd worden. Zij zullen een belangrijke uitvoerder worden van het grondstoffenbeleid dat – en nu denk ik even planetair – in onze wijk/raden/coördinaties zal worden bepaald.

“In de toekomst zullen we die situatie terug omkeren. De openbare grondstoffenbureaus zullen terugkomen en geperfectioneerd worden”

Klinkt dat utopisch? Het is geen utopie als we weten waar we aan toe zijn. Laten we een kat een kat noemen (en, zoals gezegd, ook ons vocabularium vrijmaken).

De dominante TNC’s van de extractieve industrieën opereren vanuit hoofdkwartieren in Australië, Canada, Groot-Brittannië, de EU en de VS. Daar zijn hun aandelen op de beurzen genoteerd. Daar halen ze geld op bij de financiële industrie. Daar zijn ze dikke vrienden met de politiek. Hun regeringen effenen wereldwijd het pad voor de TNC’s.

Andere bondgenoten zitten in de Europese Commissie, de Wereldbank, het Muntfonds (IMF), de Wereldhandelsorganisatie (WTO) … Obama, Cameron, Merkel, Hollande zijn hun woordvoerders. Dit stelsel duldt niet dat de landen buiten de club van de rijken, in de zogenaamde periferie, over hun eigen lot beschikken.

Het is het westerse militairindustrieel complex, het dichte web van nauw met elkaar verweven militaire organisaties en transnationale ondernemingen, de vuist van het imperium. Zij verlenen hand- en spandiensten aan elkaar. De industriëlen slaan profijt uit de operaties van de militairen en de militairen laten hun moordtuigen ontwikkelen door de industriëlen.

De militaire organisaties beschikken over enorme arsenalen. Hun logistieke organisaties omspannen de wereld. Deze organisaties slokken enorme hoeveelheden grondstoffen op. Zij voeren oorlogen om andere landen politiek en economisch te onderwerpen en te controleren. Die oorlogen verkwistten andermaal onmetelijke volumes van grondstoffen.

Vandaag is de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) de machtigste militaire organisatie. De NAVO is een militaire alliantie, onder leiding van de Verenigde Staten. Ze is opgericht om de economische en politieke belangen van het rijke Westen overal in de wereld manu militari te vestigen en te verdedigen.

“De NAVO is een militaire alliantie, onder leiding van de Verenigde Staten. Ze is opgericht om de economische en politieke belangen van het rijke Westen overal in de wereld manu militari te vestigen en te verdedigen”

Dat blijft ook vandaag de kerntaak van de NAVO. De NAVO heeft ons ontzettend veel miserie berokkend, overal in Afrika, Azië, Latijns-Amerika, tot en met staatsgrepen zoals die in Griekenland (1967) toe.

De NAVO voerde en voert een eindeloze reeks oorlogen, tegen Joegoslavië (Kosovo), Angola, Congo, Irak, Afghanistan, Libië, Mali … en zaait overal dood en vernieling. De VS heeft ook nog eens haar eigen militaire commando’s en troepenmachten voor alle delen van de wereld.

Maar in de toekomst zal de NAVO en het daarmee vervlochten militairindustriële complex ontbonden zijn. Dat heeft historische voordelen. We zullen zo een einde gemaakt hebben aan de verspilling van materialen die de oorlogsvoering is.

Landen en regio’s die door de NAVO bezet of bedreigd zijn, zullen hun legers en militairindustriële complexen kunnen ontbinden. Wij zullen soeverein onze zelfbeschikking kunnen uitoefenen. Wij zullen dus zelf kunnen bepalen hoe wij willen leven, zonder dat de westerse allianties ons de wet komen dicteren. Wij zullen ook soeverein kunnen bepalen wat er met onze grondstoffen gebeurt.

De ontbinding van de NAVO en de militairindustriële complexen zal directe effecten hebben. Een eerste effect: de stock américain zal een stock humain geworden zijn.

“De ontbinding van de NAVO en de militairindustriële complexen zal directe effecten hebben. Een eerste effect: de stock américain zal een stock humain geworden zijn”

De soevereine landen zullen zich de arsenalen van de VS en hun bondgenoten toegeëigend hebben. Ze zullen ze gerecycleerd hebben tot materialen voor de heropbouw. Er zal een ontmantelingsindustrie ontstaan die de materialen uit de wapentuigen zal terugwinnen en ze terug in omloop zal brengen, maar nu voor humane toepassingen.

[Voor alle zekerheid hebben we vanuit de wijkraden toch maar een democratische defensie uitgebouwd. Want de haviken van het militairindustrieel complex zullen hun nederlaag niet accepteren. Zij zullen vroeg of laat hun slapende netwerken activeren. Om ons te demoraliseren en te verdelen, zullen zij beweren dat onze leiders corrupt zijn. En behalve met zulke zwarte propaganda zullen ze zich ook inlaten met terroristische aanslagen.]

En als we dit allemaal hebben afgehandeld, dan zien we weer verder. Rendez-vous in de toekomst. Tot dan!

Raf Custers

Raf Custers is journalist en publiceerde begin 2013 het boek ‘Grondstoffenjagers’ (EPO).

take down
the paywall
steun ons nu!