Checkpoint 300 tussen Bethlehem en Jerusalem. De lange smalle gang die je door moet.

Yalla, bye!

maandag 21 oktober 2013 11:00

Minne vertrok opnieuw richting België. Enkele dagen heeft ze ervoor nodig gehad haar laptop en gsm uit te kuisen van al wat met Palestina te maken heeft en alle andere materiaal met de post naar huis te sturen. De avond voordien trokken we naar Lajee zodat ze nog eens afscheid kon nemen van onze vrienden in Aida. Nadien reed Ahmad ons, vergezeld door Abood en Miras, in zijn johnnybak naar checkpoint 300 tussen Bethlehem en Jerusalem. Daar aangekomen moest er opnieuw afscheid worden genomen. Als ze konden, hadden ze Minne sowieso tot aan de luchthaven gebracht, maar verder dan het checkpoint kunnen Ahmad, Abood en Miras niet gaan. ‘Yalla bye’, zei Minne terwijl Catherine en ik het konden houden bij een ‘see you later’ en we wandelden de checkpoint door.

De checkpoint begint met een lange smalle gang. Dan passeer je een eerste scanner en kotje waar een verveelde soldaat zit om paspoorten te controleren. Je wandelt dan naar een nieuwe ‘hangar’, ik weet niet hoe anders het te noemen. Je moet er weer enkele hekken en smalle gangen door. Ik kan het best vergelijken met de aanschuifrijen van een attractie in een pretpark… maar dan in een minder vrolijke setting. Je passeert nog enkele kotjes met verveelde soldaten die amper opkijken van hun gsm’s, het doorgaan van draaideuren en dan sta je aan de andere kant. Ze doen er weinig moeite om ons te controleren. We zullen er westers genoeg uitzien. Voor Palestijnen is dat een heel ander verhaal. De meeste Palestijnen uit de Westbank mogen er niet eens door.

In Jerusalem hadden we afgesproken met Willem en Mahmoud. We zouden nog een laatste keer samen iets eten en dan zou Mahmoud Minne naar de luchthaven brengen. Hij heeft een Israëlische ID omdat hij in Silwan, Oost-Jerusalem woont en kan dus gaan waar onze vrienden uit Aida niet kunnen gaan.

Dit illustreert een deel van de grote verschillen in de levens van Palestijnen wat voor een groot stuk afhangt van waar ze wonen. Hun paspoorten zeggen al genoeg. Ten eerste heb je Palestijnen, ongeveer 1,2 miljoen, die in Israël wonen. Zij, of hun (groot)ouders, zijn in 1948 en 1967 hun huizen nooit ontvlucht of deden dit binnen de huidige grenzen van Israël. Ze kregen daardoor het burgerschap bij de creatie van de staat Israël. Hoewel ze ‘genieten’ van Israëlisch burgerschap, wordt binnen Israël nog een verder onderscheid gemaakt tussen ‘burgerschap’ en ‘joodse nationaliteit’. ‘Although all Israelis qualify as “citizens of Israel,” the state is defined as belonging to the “Jewish nation,” meaning not only the 5.6 million Israeli Jews but also more than seven million Jews in the diaspora.’[1] Ze blijven dus tweederangsburgers en ondervinden op alle mogelijke vlakken discriminatie.

In Oost-Jerusalem hebben Palestijnen geen burgerschap, maar een Israëlische residentie. Dit gebied is geen onderdeel van de staat Israël, maar was tot 1967 onder Jordaanse controle samen met de Westbank. Het werd in 1967 geannexeerd waardoor het onder het gemeentelijke bestuur kwam van heel Jerusalem. De inwoners van Oost-Jerusalem kregen vanaf dan een Israëlische residentie en hebben ook nog steeds een Jordaans paspoort. Deze residentie is beperkter dan het burgerschap. Ze kunnen het burgerschap aanvragen als ze kunnen aantonen dat ze voor de staat Israël zijn. Wie dit doet, wordt door vele Palestijnen als verrader van Palestina gezien. Omdat het burgerschap meer mogelijkheden biedt dan de residentie, vragen velen het toch aan.[2]

Dan zijn er tenslotte de Palestijnen die in de bezette gebieden leven die sinds 1967 onder militaire bezetting staat van Israël. Hier bestaat geen echt burgerschap, noch van Israël noch van een (nog steeds niet bestaande) Palestijnse staat.

Om deze reden kon Mahmoud Minne dus wel naar de luchthaven brengen. In Jerusalem vroeg hij, ‘What do you want to do?’. ‘Eat in a Palestinian restaurant!’, antwoordde Catherine. ‘Ok, but there are no good Palestinian restaurants in Jerusalem, so let’s go to Jaffa, I know some there’. Omdat het ons de laatste dagen ook heel duidelijk was geworden dat de focus te vaak ligt op de bezette gebieden en het leven van de Palestijnen daar, worden de verhalen van de Palestijnen uit Israël en Oost-Jerusalem minder gehoord. Ze genieten dan wel van het burgerschap of residentie en zijn iets vrijer om te gaan waar ze willen, vele aspecten van hun leven worden gekenmerkt door dezelfde problemen als Palestijnen elders: onteigening en vernietiging van hun huizen, discriminatie, arrestaties en noem maar op.

Bon, we reden dus naar Jaffa, een eeuwenoude Palestijnse stad, naast Tel Aviv. Tel Aviv ontstond als nederzetting in de negentiende eeuw, maar is ondertussen uitgegroeid tot een enorme stad en heeft van Jaffa een district gemaakt. Jaffa bestaat voornamelijk uit een Palestijnse gemeenschap, daar ging ik toch meer vanuit. Ik vroeg Mahmoud of er veel Israeli’s wonen. ‘A lot’, was zijn antwoord, ‘almost all the new buildings here are for Israeli’s. Palestinians live in the older buildings. And you can also see how old Jaffa still looks like a real Palestinian city’.
We gingen er eten in een Palestijns visrestaurant waar ook veel Israeli’s komen. We werden zelf vaak in het Hebreeuws aangesproken of bediend. ‘Some of them don’t even feel like they are Palestinian’, vertelde Mahmoud, ‘a lot of them speak Arab mixed with Hebrew words. They are used to this. They grow up with them, go to the same schools and universities… It’s all part of the normalization’. Velen van hen weten amper iets af van de Palestijnse geschiedenis en hebben geen flauw benul wat gaande is in de Westbank, hoewel ze erheen kunnen reizen. Het curriculum op school, zowel op gemengde scholen als waar alleen Palestijnen school lopen, is volledig vervormd van de realiteit in het voordeel van een pro-Israelisch narratief. Het draagt allemaal bij aan een grotere kloof tussen Palestijnen in de verschillende regio’s. Palestijnen die opgroeien in gemengde buurten zoals Jaffa raken vervreemd van hun Palestijnse geschiedenis, identiteit en cultuur. Overal in ’48, het huidige Israël, zo genoemd door Palestijnen naar het land dat ze in 1948 zijn kwijt geraakt, zien we enkel opschriften in het Engels of Hebreeuws. Het Arabisch is er bij wet verboden, zelfs in een Palestijns restaurant. De ironie wil dat Minne eerder die week in haar reisgids nog las hoe de Israëlische staat vrijheid van identiteit en religie verzekert voor al haar burgers. Right!

Bovendien weten Palestijnen in diaspora meestal nog het meest af van de situatie ter plaatse omdat ze in het land waar ze wonen makkelijker toegang hebben tot informatie. In Israël en de bezette gebieden is de toegang tot de juiste informatie alles behalve gegarandeerd en verloopt de communicatie tussen Palestijnen alles behalve vlot. ‘For some reason we Palestinians have trouble working together’, had iemand die ik interviewde voor mijn thesis pas nog gezegd. Het ging dan alleen over samenwerking van verscheidene media in de Westbank.

Na onze heerlijke maaltijd wandelden we op de belachelijk toeristische Napoleon heuvel in Jaffa en langs de zee. We passeerden peperdure appartementen met zicht op zee én een nieuwe parking. Voordien kwam de zee tot waar de parking vandaag staat. ‘It’s so crazy, why would they built this here, in front of expensive appartements? It’s to put an Israeli mark here in Palestinian Jaffa and probably they will built new buildings here too’. Wat Mahmoud hiermee wil zeggen is dat alles wat met een Palestijns verleden gelinkt kan worden, uit het beeld wordt gehaald. Nieuwe gebouwen, openbare ruimtes etc. worden gebouwd om het een ‘Israëlisch karakter te geven. Zelfs een lelijke parking dient hiervoor.

We zetten ons eventjes naast de zee, zagen de golven opspringen tegen de rotsen en genoten van het uitzicht. Tegelijkertijd waren we ons ook bewust op wat voor een plek we waren. Als je niets afweet van de situatie lijkt er geen vuiltje aan de lucht, maar er schuilt zoveel achter de façade. Mahmoud gaat in Jaffa graag vissen. Hij zei dat een half miljoen Palestijnen uit de Westbank deze zomer een permit kregen om de Al Aqsa moskee in Jerusalem te bezoeken tijdens de Ramadan. Van de jongeren met een permit gingen er velen in de plaats naar Jaffa, nu ze dat een keer konden. Mahmoud was er aan het vissen en werd in het Hebreeuws door hen aangesproken: ‘shalom!’. Als hij vertelde dat hij eveneens Palestijn is en Arabisch spreekt, kreeg hij het verbaasde antwoord: ‘Palestijnen vissen hier ook?!’. Natuurlijk, maar dat weten zij niet. Het toont hoe groot de mentale afstand tussen hen is, hoewel de fysieke zo klein is. Jerusalem ligt amper 8 kilometer van Bethlehem. Jayyous op 14 kilometer van Tel Aviv, maar het contact is zo schaars en voor wie kan, het reizen enorm lang.

Terwijl ik naar de zee keek, moest ik aan iets anders denken. Enkele weken geleden liep ik met Miras, uit Aida in Ramallah. Plots stond hij stil en wees voor zich uit. Met pretoogjes zei hij ‘it’s the sea!’. Nee, ik kon het niet geloven dat ik vanuit Ramallah zicht had op de Middellandse Zee, maar hij had gelijk. ‘Yes, I told you, I’m showing you the sea’, zei hij heel trots. Ik kon het nog steeds moeilijk geloven. Hij leek zelf zo verbaasd van de zee te zien. Hij kan er zelf niet naartoe. Terwijl ik in Jaffa naar deze zee staarde, besloot ik dat ik een deeltje van deze zee wilde meenemen voor Miras. Ik passeerde nadien nog even langs het strand en schepte wat zand mee voor Miras: ‘you showed me the sea, I bring a part of it to you’.

We trokken naar een argilabar om een laatste keer Tarnip (eigenlijk hetzelfde als wiezen) met Minne te spelen. We werden er opnieuw geconfronteerd met de normalisering en bediend in het Hebreeuws. Als westerlingen worden we meer geassocieerd met Israëli’s dan met Arabieren. Ook de Palestijnen in de bar leken het niet gewoon te zijn om een Palestijn met westerlingen te zien.

Rond half drie was het tijd om naar de luchthaven te trekken. Als we de luchthaven naderden, stond er ons nog iets te wachten waar ik helemaal niet bij had stilgestaan: een checkpoint. Normaal gezien wordt Mahmoud er steeds grondig gecheckt, maar hij zei dat het nu ging meevallen omdat wij erbij waren. Anders zou zijn hele auto worden gecheckt, gsm’s afgegeven en tassen doorzocht.
Mahmoud moest zijn ID tonen. Ze vroegen waar we vandaan kwamen, hij antwoordde Tel Aviv. Het leek alsof we gewoon mochten doorrijden, maar hij moest zich toch aan de kant zetten. Ook onze paspoorten werden gevraagd. De man die onze paspoorten checkte vroeg Minne: ‘you are the only one who’s going?’ ‘Yes’. ‘At what time is your flight?’ ‘At 6.20’. Genoeg tijd dus voor een check.
We moesten uitstappen en ze vroegen onze gsm’s. Catherine en ik keken mekaar aan en er bekroop ons een gevoel van paniek. Op onze gsm’s, met Palestijnse simkaart, staan foto’s, filmpjes, smsjes en nummers van zoveel Palestijnse vrienden. ‘Misschien moet ik zeggen dat ik hem niet bij heb’, zei Catherine. Ik overwoog mijn simkaart eruit te halen. We gaven ze uiteindelijk gewoon af. Eender hoe hadden ze iets gevonden als ze het wilden.

Een jonge man, ik gok iets jonger of misschien even oud als mij, vroeg me naar binnen. Allemaal dragen ze een automatisch geweer in hun handen. Ik wandelde een kleine ruimte binnen en moest door een scanner lopen. Nadien moest ik mijn tas openen en keek die jonge kerel erin. Ik nam nog snel een vuile zakdoek eruit en zei wat lacherig ‘sorry, that’s a dirty one’. Ik keek hem aan en betrapte hem op een heel klein lachje: ‘it’s ok, wait there please’. Hij wees me naar een wachtruimte.

Ik zette me er helemaal alleen en verwachtte dadelijk ergens binnengeroepen te worden voor een ondervraging. Mijn maag lag al eventjes in de knoop door de totaal onverwachte check. Ik had dit in de luchthaven verwacht, niet voordien en voelde me totaal onvoorbereid. Als ze vragen zouden gaan stellen, vreesde ik dat we door de mand zouden vallen en niet echt een verhaal hadden over onze ‘ongelofelijke reis in Israël’. Enkele minuten later wandelde ook Mahmoud binnen. ‘Here is another terrorist’, grapte hij. En ook als Willem binnenkwam: ‘and here is number three…’. Hij wees ons op de microfoon en camera in de ruimte. ‘It’s normal they ask for your phones, they are not going to check them, it’s to prevent us to call or send messages to someone’. Ik hoopte uit de grond van mijn hart dat hij gelijk had. Minne moest de hele inhoud van haar zak beschrijven en bleef een tijdje weg, kort erna was ook Catherine er, op haar blote voeten, want haar nieuwe schoenen ‘are killing me!’.

Na enkele minuten wandelde iemand binnen met onze paspoorten en gsm’s in zijn handen. Overal stond een blauwe sticker op met nummer 78, een risicofactor? Na wat opzoekingswerk op het internet heb ik ontdekt dat het betekent dat we met een Palestijn meereden. Nuja, we konden vertrekken, zonder al te veel vragen, gelukkig. Die stonden Minne nog te wachten in de luchthaven zelf. Aan de ingang nemen we dan eindelijk afscheid. ‘Yalla bye!’, riep Catherine haar nog na terwijl we doorreden.

Tijdens de terugrit kreeg ik helemaal mijn slag en speelde alles zich opnieuw in mijn hoofd af. Het was zo onverwacht en ik vroeg me af waarom dit in godsnaam allemaal nodig is? In de wachtruimte vertelde Mahmoud dat dit altijd gebeurt als hij internationale vrienden naar de luchthaven brengt. Net zoals alle Palestijnse vrienden die ik hier maak, zie ik hoe kalm ze kunnen blijven in zo’n situatie. Mahmoud’s rust zorgde er dan ook voor dat ik mijn kalmte wat kon bewaren, hoewel ik vanbinnen 500 keer dubbel plooide en mijn emoties doorheen alles raasden.
Waarom zijn ze zo kalm? Ze moeten toch ook koken vanbinnen van al die intimidatie en discriminatie? Voor hen is het een deel van hun leven, hoe onaangenaam het ook is, je kweekt een routine als je ermee opgroeit, denk ik. Je moet wel om op de best mogelijk manier verder te leven, denk ik. Overal gecheckt, gediscrimineerd en afgeblaft worden, ik zag het ook in Hebron toen ik met Mousa en een hoop jongeren meeging voor een workshop fotografie en film. Ze blijven zo rustig in zo’n situatie, een rust die ik maar moeilijk kan vinden. Of voelen zij zich diep vanbinnen ook zoals ik op die momenten of erger? Want voor hen is het nog zoveel erger. Dit is geen deel van mijn zorgeloze vrije leventje in België, misschien kan ik er daarom gewoon moeilijker mee om dan zij. Wat dit is kunnen we ons thuis niet voorstellen. Niemand zou dit zijn of haar hele leven mogen ondergaan, het zou geen onderdeel van de dagdagelijkse routine mogen zijn, maar het gebeurt.

Wat Mousa onlangs doormaakte is nog zo’n voorbeeld. Hij is nu voor drie maanden naar de VS, maar dit verliep alles behalve vlekkeloos. Normaal gezien zou hij 12 oktober zijn vertrokken en hiervoor ging hij enkele dagen eerder de grens met Jordanië oversteken. Voor wie het niet weet, Palestijnen uit de Westbank moeten sowieso via Jordanië reizen omdat ze niet in ’48 kunnen.
Maar hij mocht de grens niet over. Waarom? Enkele weken eerder had hij een ondervragingsdocument in Hebron gekregen, gepland op de dag voor hij naar Jordanië vertrok. Bij die ondervraging heeft hij uren zitten wachten om te horen dat het een week uitgesteld werd, naar 15 oktober. Hierdoor werd hij de grens niet overgelaten mét de boodschap dat hij een gevaar voor de staat Israël is.
Op 15 oktober gingen Catherine, Minne en ik mee met Mousa naar zijn nieuwe ondervraging. Die dag was het Offerfeest en niemand had tijd om hem te vergezellen, behalve wij. Hij heeft er 4 uur moeten wachten, om terwijl afgeblaft en genegeerd worden. Als hij dan uiteindelijk toch naar binnen mocht van de boertige soldate die meer aandacht had voor haar facebook, kwam hij een uurtje later terug buiten met de boodschap ‘prettige feestdag, de commandant zal je wel bellen als je op ondervraging moet komen’. Uiteindelijk vertrok hij toch twee dagen later, zonder iets te zeggen, naar Jordanië. Deze keer met had hij meer geluk. Het feit dat hij niet nog eens afscheid wou nemen van iedereen in Aida, zegt genoeg over het weinige geloof hij had dat het zou lukken.

Alle controles lijken voor mij erger en erger te worden, maar ik denk dat dit vooral te maken heeft met het feit dat ik meer en meer te verbergen heb en nog niet klaar ben om afscheid te nemen van mijn vrienden en tijd hier. Als ze mijn paspoort, gsm, camera en tas vragen, vrees ik elke keer dat ze iets zullen vinden waar ik me niet uit kan liegen. En dit gebeurde aan de luchthaven alleen maar omdat een Palestijn ons naar ernaartoe bracht. Voor hen is het allemaal nog zoveel erger. Voor mij is dit eenmalig en eens ik terug naar huis keer, eindigt dit. Ik heb de luxe in België te zijn geboren en alleen maar vrijheid te hebben gekend. Ik ben nu ook alleen maar hier omdat ik de vrijheid heb om hier te zijn, maar ik moet er wel voor liegen. Palestijnen in de Westbank kunnen niet zomaar naar ’48 of het buitenland reizen als ze dat willen. In een reeks van +972 Magazine wordt geïllustreerd hoe moeilijk het is om een permit aan te vragen. Het Palestijnse paspoort staat op de vijfde plaats in ‘the worlds worst passports’. Dit houdt in dat je met een Palestijns paspoort naar 36 landen kan reizen zonder een visum te moeten aanvragen. Er wordt dan nog niet eens rekening gehouden met het feit dat Israël kan verhinderen dat je het land uit kan, zelfs al heb je een visum.

Ik moet nu liegen, mij van de domme houden, vriendelijk zijn tegen de grootste rotzakken die je je kan voorstellen om ook maar te kunnen komen waar ik nu ben. Bevriend zijn met Palestijnen is gewoonweg verboden. Toen Minne afscheid nam van Ahmad, Abood en Miras aan checkpoint 300, zei ik ‘see you later’. Tijdens het wachten bij de checkpoint aan de luchthaven, leek dit eventjes niet meer zo evident. Ik bedacht mij dat ik er beter ‘inshallah’ achter had gesmeten. Je weet nooit welke moeilijkheden je met Israël zal tegenkomen. Er bekroop mij eventjes het gevoel alsof ik in een George Orwell scenario zat. Big Brother is watching me en bepaalt alles ik wat kan en niet kan. Wat een mooie democratie is Israël toch, voor sommigen…
Maar hoe intimiderend ik dit ook vind, het is niets tegenover wat het voor een Palestijn is. Of hij nu van ’48, de Westbank, Gaza of Oost-Jerusalem komt. Ik kan altijd terug naar mijn comfortabele, vrije leven in België. Ik wens al mijn vrienden hier hetzelfde toe, ooit, inshallah.

Voetnoten

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!