Johan Van Steenkiste (foto: Jo Vervoort).
Interview, Nieuws, Samenleving, België -

Werkloos: weerloos, waardeloos? Het verhaal van Johan Van Steenkiste

De WereldMorgen.be brengt deze week zes portretten van werkloze mensen. Het leven door de ogen van wie geen werk heeft of vindt. Vandaag het verhaal van Johan Van Steenkiste. “Op mijn zestiende ben ik bij General Motors beginnen te werken”, vertelt hij. “Op mijn 47ste was ik helemaal kapot. Opgebruikt. Ik wil graag weer werken, maar niemand wil iemand die zo versleten is.”

donderdag 17 oktober 2013 08:27

Johan Van Steenkiste (53)

 “Ik ben blij dat ik nog eens in de stad kom”, zegt hij. “Zo kom ik nog eens ergens.” Hij is naar hier gekomen met de bus, het was maar een kwartiertje rijden. Hij wandelt met een stok, dus we kiezen het dichtstbijzijnde terras: een tearoom met taart in de vitrine.

“Ik ken het hier niet goed”, zegt hij en kijkt wat onwennig rond. “Ik ook niet”, zeg ik, en kijk naar de gepensioneerden die ons omringen. We bestellen thee voor hem en koffie voor mij. “Op mijn zestiende ben ik bij General Motors beginnen te werken”, vertelt hij.

“Op mijn 47ste was ik helemaal kapot. Opgebruikt. Ik wil graag weer werken, maar niemand wil iemand die zo versleten is.” Hij eet zijn koekje, en vertelt zijn verhaal.

“In 1976 was het”, vertelt Johan Van Steenkiste. “Toen ben ik bij GM begonnen. De eerste twee maanden heb ik iedere avond geweend, zo zwaar was het. Ik werkte aan een productieband waar de auto’s boven mijn hoofd voorbij kwamen, en ik moest aan de onderkant onderdelen installeren. Er kwamen 80 tot 85 wagens per uur voorbij. Dat werk heb ik vijfenhalf jaar gedaan. Toen zag de baas dat het werk te zwaar was voor mij en werd ik naar familie twee overgeplaatst.”

‘Familie twee’, dat klinkt heel knus, maar Johan bedoelt er de afdeling waar de grote motoren worden gemaakt mee. Bij familie één worden de kleinere gemaakt.

“In familie twee was het werk minder zwaar”, vertelt hij. “Ik moest er niet aan de lijn staan”, de lijn, dat is de de productieband in fabrieksjargon.  “Er waren wagens die rondreden en die stopten waar jij stond te werken. Als je klaar was met je werk drukte je op een knop en dan kwam er een volgende wagen aan. Bij familie twee heb ik zestien jaar gewerkt: de beste tijd van mijn leven.”

“Ja, dat deed ik graag. Minder stresserend dan de lijn. Als ik bijvoorbeeld naar het toilet moest, dan kon ik dat gewoon doen, dat gaat aan de lijn niet. Allez, ik deed het wel hoor”, lacht hij, “maar dat mocht eigenlijk niet.” Hij lacht vol en lang waarbij zijn kloeke lichaam schudt en vraagt.

“Na die zestien jaar werd familie twee afgeschaft. Besparingen denk ik. Toen moest ik weer aan de band gaan staan. Ik stond aan de lijn waar de motoren werden geladen, de boîtes erop gezet, en…”Boîtes?”, vraag ik. Tijdens dit gesprek praat Johan soms in raadselen voor mij: motortaal is het.

Voor hem zo evident, maar ik moet hem voortdurend om uitleg vragen. Hij lacht weer diep en moet dan even nadenken wat een boîte in ‘gewone’ taal is. “De versnellingsbak!” We kunnen voort.

Ploegenwerk en fysieke problemen

“Dat heb ik enkele jaren gedaan, we werkten in een tienurensysteem. Er was een vroege shift van 5.30u tot 15.30u en een late van 15.30u tot 1.30u. Dat wisselde om de twee dagen af, met twee vrije dagen ertussen. Mensen buiten de fabriek zeiden dat ik geluk had, dat ik telkens twee vrije dagen had.”

“Maar zij kunnen onmogelijk weten hoe het echt was. Het maakte mij kapot. De afwisseling van het werkritme gaat veel te snel, je wordt er gek van. Ik heb in die tien jaar dat ik aan dat regime werkte veel collega’s ziek zien worden, het afwezigheidspercentage was enorm hoog. Ik zelf werd ook vaak ziek: ik kreeg last van mijn darmen en maag, en later kreeg ik ook een licht hartinfarct.”

“Toen is het begonnen met de operaties, de ene na de andere, in en uit het ziekenhuis. Telkens weer iets anders. Ik werd depressief. ‘Het is de drank’, zeiden de dokters. Het is waar, na het werk dronken wij allemaal graag een pintje, direct gaan slapen lukt toch niet.”

“Maar dat was niet de reden van mijn fysieke problemen. Ik herinner me een keer dat ik drie weken aan een stuk werkte, zonder vrije dagen ertussen, omdat de productie achterliep. Toen ik na drie weken vroeg aan mijn baas of ik een dag thuis mocht blijven, aarzelde hij, want we stonden nog steeds achter, maar uiteindelijk mocht het toch. ‘Je hebt goed gewerkt’, zei hij. De dag erop ben ik in de badkamer ineengezakt. Ik was op.”

Johan werkte op dat moment meer dan twintig jaar bij de autofabrikant. “Dat ik kapot was, zag mijn baas ook. Toen mocht ik weer naar een andere afdeling: de cockpit heette die. Daar werden de dashboards en de sturen gemonteerd: fysiek minder zwaar. Maar na een tijd viel er één lijn weg door besparingen.”

“Toen kreeg ik wéér een fysiek zware job, waarna ik opnieuw instortte en toen een halfjaar thuis heb gezeten. Ik moest mij de hele dag door in bochten wringen aan die band, ik had twee tennisellebogen, een frozen shoulder en rugproblemen.”

“Op het laatst mocht ik naast de band werken, om het werk voor de bandwerkers voor te bereiden: materiaalpaketten maken zodat de arbeiders aan de band al hun werkgerief snel bij de hand hebben. Vijf jaar heb ik dat nog gedaan.”

Maar Johan zal nooit meer helemaal de oude worden, dat weten zijn oversten ook. In 2007, Johan weet de datum nog precies – 28 februari – zakt hij finaal door zijn rug. Tot eind september is hij werkonbekwaam. In die periode gonzen er geruchten over herstructureringen en nakende ontslagen. In de media worden die geruchten ontkend, maar de arbeiders weten het zeker: tegen 2010 is het gedaan met de fabriek.

Gouden handdruk

Johan krijgt een voorstel: hij mag vertrekken met een gouden handdruk. Hij is op dat moment 47 jaar, op zijn 61ste zou hij een volledige loopbaan hebben afgerond. “Ja, ik koos voor het geld”, zegt Johan. “maar vooral voor mijn gezondheid.”

Vanaf 1 april 2008 is Johan werkloos en uitkeringsgerechtigd. Alles wordt mooi voor hem geregeld: het papierwerk, de inschrijving bij de VDAB, én een outplacementregeling, die hem en een groep anderen die ontslagen worden, aan nieuw werk moet helpen.

“We zaten daar met een man of 15. Maar wij waren allemaal uitgeblust en we hadden een mooie som geld gehad. We hadden het gevoel dat we alles al gegeven hadden en hadden weinig zin om nog ander werk te gaan doen. Ja, die mentaliteit die hadden we toen wel. Dat was heel moeilijk voor die mevrouw de ons opnieuw aan het werk moest krijgen.”

De kunst van het solliciteren

“Dat is een jaar zo gegaan, maar na een tijd van altijd maar thuis zitten, begon ik me eenzaam en verveeld te voelen. Je moet weten, ik ben niet getrouwd, wat moet ik de hele tijd doen? Ik heb in die periode wel een uitnodiging gehad van Volvo, daar had ik eventueel opnieuw kunnen beginnen, maar die brief heb ik kapot gescheurd. Het idee van weer aan de band te moeten werken, maakte mij ziek.”

“Op een gegeven moment zag ik ergens een advertentie voor een job als bewaker in de diamantsector. De bewaking, dat is eigenlijk altijd al mijn droom geweest. Ik ben met die vacature naar die mevrouw van de VDAB gegaan, en zij heeft voor mij een cv gemaakt en een brief geschreven. Een cv maken, solliciteren, dat kenden wij gewoon niet! Maar helaas. Om bewaker te worden, moet je een bepaalde opleiding gevolgd hebben, een soort politie-opleiding. Oh, wat had ik daar veel spijt van!”

Johan is op dat moment helemaal afgestapt van het idee dat hij thuis blijft zitten, zonder te hoeven werken. Hij wil écht nieuw werk. Hij solliciteert in een doe-het-zelfzaak waar een vacature is, en mag op gesprek komen.

“Toen heb ik iets stoms gedaan. Ik heb verteld over het tienurensysteem bij GM, dat ik dat zo slopend vond en dat ik zoiets nooit meer wilde doen. Dat heeft die werkgever denk ik afgeschrikt. Die zal gedacht hebben: zo iemand willen we niet, die zal nooit overuren willen doen. Daar had ik over moeten zwijgen. Stom van mij.”

In 2008 krijgt Johan een vierde knie-operatie, maar al bij al voelt hij zich wel goed. Vlakbij zijn woning kwam er een nieuw tuincenter, en hij solliciteert. “Ik kreeg een brief terug dat ze voor iemand anders hadden gekozen, iemand met ervaring zogezegd. Ik weet wel beter: ik ben gewoon te oud.”

“Daarna heb ik nog verschillende keren gesolliciteerd: als toezichter op een school, een post aan het onthaal van een bedrijf, toezichter in een rusthuis, … Ik liet me ook bijstaan door de vakbond bij het solliciteren, maar dat hielp niks. Van niemand kreeg ik antwoord.”

“Mijn laatste sollicitatie was om busbegeleider bij De Lijn te worden. Er waren twaalf vacatures. Er kwam duizend man op af. Dat werd dus niks. Intussen waren mijn heupen ook helemaal kapot, ze moesten allebei vervangen worden. Toen wist ik dat ik nooit meer een job in de bewakingssector zou kunnen vinden. Zelfs met het vrijwilligerwerk dat ik toen in een rusthuis deed – mee helpen bedden opdekken – moest ik stoppen. ‘Johan, ga naar huis’, zeiden ze daar. ‘Je kunt hier niets meer doen’.”

Invaliditeit, eenzaamheid en de kunst van de verveling

“Al die lichamelijke mankementen hebben – daar ben ik van overtuigd – te maken met mijn werk in de fabriek. Ik heb in al die tijd zo’n twintig operaties ondergaan en ben nu officieel invalide verklaard. Werken, dat is gedaan voor mij.”

Het is mooi weer in de stad. Johan kijkt naar de bedrijvigheid op de Groenplaats en bestelt nog een thee. “Ik zit de hele dag thuis in mijn zetel. Ik doe lang over huishoudelijke taken, want als die klaar zijn, is er niets meer te doen.”

“De verleiding is groot om op café te gaan. Maar dat probeer ik niet te doen, in het verleden ben ik daar te ver in gegaan. Mijn ex-collega’s van GM zie ik niet meer. De meesten hebben werk: een is turnleraar, een andere werkt in de haven. Vanalles doen ze. Ze zijn gezond. Ze kunnen het nog.”

“Anderen zijn kwaad dat ik die gouden handdruk heb gekregen, ze geloven niet dat ik fysieke problemen heb. Ze vinden dat ik komedie speel met die stok. Wat kan ik daar tegen in brengen?”

“Waarom heb je niet eerder ontslag genomen om je droom te volgen: bewaker worden?”

Ik besef dat het een wrede vraag is. Ontslag krijg je, dat neem je niet. Dan vraag ik nog iets ergers: als je opnieuw zestien kon zijn, wat zou je dan doen? “Ik zou nooit meer aan de band gaan staan”, zegt hij. “Ik zou nooit ’s nachts werken. Ik zou tijd hebben gemaakt voor vrouwen. Ik zou getrouwd zijn. Ik zou bewaker geworden zijn.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!