Beste Alain Vigneron, kunt ge alstublieft een pint gaan pakken met mijn pa?
Alain Vigneron, zelfmoord arbeiders, zelfdoding arbeiders, suicide arbeiders, sucide travailleurs, uitbuiting, fabrieksarbeid -

Beste Alain Vigneron, kunt ge alstublieft een pint gaan pakken met mijn pa?

donderdag 17 oktober 2013 02:06

Ik vernam via de media, en mijn eigen zeer bescheiden stek daarbinnen, van uw zelfmoord, suicide, zelfdoding. De lezer mag zelf kiezen welk woord de miserie in de minste verte vertolkt.

Zelden meen ik iets te weten over hoe andermans leed aanvoelt. Het is dan ook schoorvoetend dat ik waag te zeggen: Ik denk dat ik zo ongeveer weet wat uw familie nu meemaakt en hoeveel uzelf geleden heeft. Ik meen te weten dat u niet pas gestorven bent, maar al veel eerder niet meer onder de levenden was. Taaie arbeiders gaan slopend traag naar hun schepper.

Als u in uw afscheidsbrief schrijft over uw familie: ‘Ik heb hen enorm veel pijn gedaan door mijn werk voor mijnheer Mittal’ kan ik mij ook daar iets bij voorstellen.

Mijn vader volgde in januari 2009 het voorbeeld van zijn vader -een gefaalde ondernemer, om mijnheer Camps van De Morgen ook iets te gunnen- en sprong zelf in de boot bij Chaaron. Mijn pa was een noeste poeta doctus in zijn schrijven, dus het weze mij vergeven als ik wat met mythologie strooi.

Hij was zijn arbeidersbestaan zo hondsmoe dat hij de peddels uit Chaaron zijn knuisten heeft gesleurd en aan recordtempo de andere oever heeft bereikt. Waar hij dan D-day-gewijs op het strand is gesprongen en zeer panisch heeft rondgekeken of hij toch niet zijn ergste nachtmerrie bewaarheid zag.

Fabriekspluimen.

Kunt gij, als ge hem ziet, navragen of er waar jullie nu zijn fabrieken staan? Mijn vader zijn ergste vrees was dat hij met zijn atheïstische overtuiging fout zat en dat ze hem bij de laatste keer ‘pointeren’ toch weer bij zijn nekvel zouden grijpen en in een andere chain gang zouden zwieren. Deze keer voor de eeuwigheid.

Fabriekswerk heeft de humorist uit mijn vader gerookt, zijn intellectuele capaciteiten steeds meer met zwarte roetmist bevlekt, heeft zijn kwajongenslach tot holle ogen en grauw ingevallen wangen verweerd, zijn eigen ribben in zijn maag geduwd, die al om zeep was door cocktails aan ontstekingsremmers voor chronische pijnen in handen, ellebogen en rug, die het begaven onder repetitief labeur. Een chemisch brouwsel mij enkel bekend onder de naam ‘luup’ waarin hij en zijn collega’s hun handen naar ‘t schijnt wasten, deed iets onzaligs groeien in zijn keel, het werkritme goed voor duracelkonijnen deed zijn hart bezwijken, maar opgelapt met een pacemaker kon hij er weer vlotjes tegen aan, tenminste dat dacht mijnheer de cardioloog.

En wat had die mens kunnen schrijven en tekenen, als hij niet altijd doodmoe plaatsnam voor het blanco blad, met reumatische vingers.

“Waarom schrijft ge niet meer pa?”

“Manneke, gaat eerst eens acht uur travakken en met pakken van 40 kilo sleuren in 35 graden hitte – op een koele dag- en probeer dan eens iets te schrijven voor dat studentenbladje van u”

Maar wat de emotionele radbraak van zijn ziel dan toch completeerde, was het gebrek aan respect, de veroordeling tot de laagste rang van een maatschappij die neerkijkt op handenarbeid, maar er wel gretig de vruchten van plukt, de onzekerheid, de angst voor alle autoriteit en de onmacht.

De crash van de banken maakte hem plots paranoïde. Nog meer dan ooit checkte hij al het nieuws. “Dit is nog maar het begin”, zei hij profetisch. En aan mijn ma begon hij dagelijks met grote ogen te vragen: “Gaan wij wel toekomen?” Hij kreeg dat soort vragen niet meer uit zijn hoofd. Hij kreeg schrik dat ze hem ‘gingen wegsteken’. De laatste opflakkering van levenslust: Die keer dat hij met flessen wijn bij daklozen trok, die niet wisten wat hun overkwam. Solidariteit was het antwoord. Maar de laatste jaren, had hij ‘t opgeven. Homo homine lupus vergiftigde als devies meer en meer de ziel. En in zijn optiek was dat alleen een belediging voor de wolf. En zo, van alles wat hem kon inspireren ontbloot, trok hij, ecce homo, de trap op die dag. Hij had de dag tevoren al genoeg slaapmiddelen geslikt om een os te vellen, maar zo’n arbeider in de autoindustrie -bakker van aandrijfriemen- krijgt ge er verdraaid moeilijk onder. Hij werd gewoon wakker en moest het laatste beetje wilskracht bijeen schrapen om de machine finaal stil te leggen. Vredig in zijn eigen bed. Want een ziekenhuis had ook al te veel van een fabriek. De laatste claim van autonomie. Want voor zijn baas was hij maar autonoom in zoverre dat tot snellere productie leidde. Een machine. Met de bizarre gewoonte om in ‘t weekend encyclopedieën en kranten uit te pluizen, een 4000-tal vinylplaten aan spotprijzen te onttrekken aan rommelmarkten en kringloopwinkels en de parels tussen de drek te zoeken op tv, waar hij dan meestal met barstende hoofdpijn, vechtend tegen slaap zat naar te kijken, om wanhopig te concluderen: “Ik weet dat allemaal en ik ben er niks mee”, want in de diplomatuur van onze arbeidsmarkt, had hij niet ‘t juiste papierke om dat te bewijzen.

A working class hero is something to be. Ja, ja, er zijn van die liedjes die ge als arbeiderszoon beter niet onverwachts hoort op hoge bruggen, langs drukke wegen, bij diepe rivieren of in stallingen met touw of elektriciteitskabel in handbereik.

Het potentieel van die mens is kapot gemaakt op een plek ontdaan van alle fleur en kleur, een grijs gebouw. En toen het niet genoeg rendeerde, moest dat gebouw nog dicht ook. Die beslissing viel uiteindelijk kort na zijn dood. Hij moet de bui zien hangen hebben.

We zagen de bui ook hangen. En we hebben alleen geen muntstukken op zijn ogen gelegd, omdat Chaaron niet van gisteren is en ook wel zou zien dat die mens al genoeg verloren had, dat deze voor ene keer gratis mocht oversteken. Hij roeide uiteindelijk toch zelf. Gij zult ook wel een gratis lift gekregen hebben. Als ik de omstandigheden hoor, hebben ze u ook genoeg liggen gehad.

Moge het u ginder veel beter gaan. Moge de 99 procent daar dineren op grote dikke eikenhouten tafels gestut op de kromme ruggen van de 1 procent en moogt gij daar veel pinten lusten. Drinkt er ook een paar met mijn pa. Hij heeft over vanalles veel te vertellen, maar is ‘t meest van al geïnteresseerd in mensen, vooral, mensen uit één stuk, met consequente en resolute daadkracht.

Ik stuur nog zijn platencollectie, zijn typmachine en zijn potloden van Caran d’ Ash en de namen van een paar moedwillig blinde politici, zo gij u ginder even verveelt en jullie willen komen spoken. Eventuele portokosten mogen ArcellorMittal en Gates gelijk onder elkaar verdelen.

En zeg hem toch alstublieft dat hij daarvoor toch eigenlijk echt niet had moeten sterven. Wij hadden hier thuis met veel plezier alle dagen choco gegeten met flutbrood van de witte producten, als hij nu gewoon was gebleven, dan maar zonder werk. Ja, er kwam elke maand 1800 netto binnen, schat ik, en zelfs als we de trots van de zoon aftrekken, komen we in realiteit toch tot de slotsom dat dat belachelijk weinig is om daarvoor lijf, ziel en potentieel aan hels tempo in lachende gezichtjes van aandeelhouders om te zetten. Nee, hij had daarvoor toch eigenlijk echt niet moeten sterven. En gij trouwens ook niet. En al die tientallen anderen ook niet.

En die anderen die het nu voelen kriebelen, slaap er alstublieft nog een nachtje over, en klapt er met iemand over, want een fabriek die verkast naar een andere wereld, dat is drama, maar een vader die zich door de conjunctuur gedwongen voelt om failliet te verklaren, jongen toch, bij zelfmoord sneuvelt uiterst zelden maar één zelf. Maar we houden ons recht bij de gedachte dat je nu toch verlost zijt.

Moge geen enkele sluwe pippo in de hemel een betere kamer krijgen op basis van jullie zweet,

William

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!