Elektriciteitscentrale. Het energie-rendement van klassieke gascentrales of de kerncentrales is bedroevend laag. Meer dan 60 procent van de energie waait letterlijk door de koeltorens naar buiten. Van verspilling gesproken. We moeten de lat voor Electrabel & co veel hoger leggen, vindt Tom De Meester.
Opinie, Nieuws, Economie, België, Klimaat, Energie, Energiebesparing, Tom de meester, BTW-verlaging - Tom De Meester

6 procent BTW: een ramp voor het klimaat?

“Een antiklimaatmaatregel”. Vlaams volksvertegenwoordiger Robrecht Bothuyne (CD&V) sabelt het voorstel om de BTW op elektriciteit te verlagen van 21 procent naar 6 procent zonder genade neer. "Een lagere energiefactuur zet aan tot energieverspilling", klinkt het. Een ramp voor het klimaat. Maar klopt dat wel?

donderdag 17 oktober 2013 14:15

De valse tegenstelling tussen BTW-verlaging en milieu

Het is een veelgehoorde stelling. Het verlagen van de energiekosten zou regelrecht indruisen tegen de milieudoelstelling om energie te besparen. De stelling is aantrekkelijk in haar eenvoud: een lagere elektriciteitsfactuur leidt tot een hoger verbruik. Het lijkt logisch, maar het klopt niet.

De klassieke economische theorie, legt een naadloos verband tussen prijzen en consumptie. In de abstracte wereld van liberale economen leidt een prijsverhoging van 50 procent tot een omgekeerd evenredige daling van het verbruik. Hoe hoger de prijs, hoe minder mensen nog geneigd zijn om dat product te kopen. Dat klopt in veel gevallen.

Als breedbeeldtelevisies 30 procent duurder worden, zullen veel mensen wel twee keer nadenken voor ze hun zuurverdiende spaarcenten aan MediaMarkt geven.

Bij basisbehoeftes als elektriciteit, gas of water ligt dat wel even anders. Een studie van het gezaghebbende onderzoeksbureau Copenhagen Economics onderzocht in 2007 in opdracht van de Europese Unie wat het effect was van prijzen en inkomens op het verbruik van consumenten. De conclusies zijn opmerkelijk.

Bij luxegoederen, zoals breedbeeldtelevisies bijvoorbeeld, loopt de zogenaamde ‘prijselasticiteit’ op tot -0,8. Dat wil zeggen: bij een prijssstijging van 100 procent daalt het verbruik met 80 procent. Voor standaardproducten (schoenen bijvoorbeeld) bedraagt de prijselasticiteit echter maar -0,3, terwijl dat voor basisbehoeftes als water, gas en elektriciteit nauwelijks -0,04 is.

Een forse prijsverhoging van bijvoorbeeld 30 procent, doet met andere woorden het energieverbruik met een dikke procent dalen: that’s it. Dat is bijzonder weinig, maar als je er even over nadenkt, is het logisch.

Energie is een basisbehoefte, verwarming en verlichting zijn levensnoodzakelijke behoeftes waarvan het verbruik niet noodzakelijk zo simpel samendrukbaar is. Als breedbeeldtelevisies plots 30 procent duurder worden, dan wacht je wel op de koopjesperiode. Maar als het op een koude winteravond om 17 uur donker wordt, ben je verplicht om de verlichting aan te steken. Daar valt weinig op af te dingen.

De impact van inkomen op verbruik 

De inkomensklasse waartoe een gezin behoort, speelt een veel grotere rol dan de energieprijs op zich, zo blijkt uit het onderzoek van Copenhagen Economics. Hoe hoger het inkomen, hoe meer mensen uitgeven aan elektriciteit.

De hoogste inkomensklassen wonen in grotere huizen waar verwarmings- en aircosystemen veel energie opslorpen. Om nog maar te zwijgen van home cinema’s, verwarmde buitenzwembaden en sauna’s. Copenhagen Economics berekent de ‘inkomenselasticiteit’ voor energie op 0,45. Een gezin dat dubbel zoveel verdient als gemiddeld, geeft ook 45 procent méér uit aan verwarming, verlichting en brandstoffen.

Bovendien, prijsprikkels werken niet noodzakelijk in twee richtingen. Zelfs als stijgende prijzen gezinnen aanzetten tot energiebesparing wil dat nog niet zeggen dat omgekeerd prijsdalingen tot energieverspilling leiden.

In de abstracte economische modellen van liberale economen bestaat de wereld louter uit markten, prijssignalen en consumenten. Maar in het echte leven hebben veel gezinnen de voorbije jaren fors geïnvesteerd in energiebesparing: isolatie, dubbele beglazing, spaarlampen of LED-licht, of hoogrendements- of condensatieketels voor de centrale verwarmingsinstallatie.

Je hebt geen stapel wetenschappelijke studies nodig om te weten dat die investeringen hun nut niet verliezen, ook niet bij een BTW-verlaging. Het is contra-intuïtief om te geloven dat mensen hun spaarlampen weer gaan uitschroeven omdat de BTW op elektriciteit zakt van 21 naar 6 procent.

De bewuste consument bestaat

Liberale economen steken de realiteit graag in een dwangbuis. Maar burgers laten hun gedrag niet alleen bepalen door prijssignalen op de vrije markt. De samenleving is meer dan een kudde consumenten.

Volgens een onderzoek van het Vlaams Energieagentschap (VEA) uit september 2013 blijkt dat negen Vlamingen op de tien energiebesparingen belangrijk vinden en zeven op de tien omschrijven zichzelf als (zeer) zuinig op het vlak van energieverbruik. Consumenten zijn zich meer dan ooit bewust van het klimaatprobleem. Niemand gaat met open ramen stoken als de BTW op energie naar 6 procent zakt.

Laagste inkomens eerst getroffen

Prijssignalen zijn bovendien een bijzonder slechte manier om mensen aan te porren tot energiebesparing. Hoge BTW-tarieven op gas- of elektriciteitsverbruik treffen vooral de laagste inkomens. De 25 procent laagste inkomens geven 13 procent van hun inkomen uit aan energiekosten.

Bij de 25 procent hoogste inkomens is dat nauwelijks 3 procent. Met andere woorden: de hoge BTW-tarieven wegen vooral op het budget van de lagere inkomens, terwijl de hoogste inkomens het nauwelijks voelen. Zelfs Itinera, niet bepaald een linkse denktank, stelt dat “het heffen van hogere belastingen op basisproducten” om die reden “vanuit het oogpunt van sociale rechtvaardigheid ontoelaatbaar is”.

Een hoog BTW-tarief op energie doet geen CEO of bankier pijn, maar wie een bescheiden inkomen heeft, schrikt als de energierekening in de bus valt.

Variabel BTW-tarief: een utopie

Om dat probleem op te lossen, zou je eigenlijk een variabel BTW-tarief moeten invoeren. Een verlaagde BTW voor de lagere inkomens, en een verhoogde BTW voor de hogere inkomens. Alleen is dat onmogelijk. Dat is nu net het onrechtvaardige aan indirecte belastingen op verbruik: de BTW-tarieven zijn per definitie voor alle inkomensklassen gelijk.

De BTW is een soort van vlaktaks op het verbruik. Dat maakt de BTW op zich tot een bij uitstek onrechtvaardige belasting, omdat lagere inkomens in verhouding veel meer getroffen worden dan de hogere inkomensklassen.

Ook een gedifferentieerd BTW-tarief per gebruiksschijf is niet realistisch. Je zou, zoals Test-Aankoop bijvoorbeeld voorstelt, een BTW van 6 procent kunnen toepassen op een basisverbruik van bijvoorbeeld 1.500 kilowattuur per gezin. De rest zou je dan, als ‘luxeverbruik’ kunnen factureren tegen 21 procent BTW.

Maar dat blijft sociaal onrechtvaardig, omdat ook mensen met een laag inkomen soms kampen met een hoog verbruik, zonder dat ze daar zelf veel vat op hebben. Denk maar aan sociale huurders in slecht geïsoleerde woningen.

En wat met de weersomstandigheden? Je zult maar een strenge winter hebben, zoals dit jaar. In april lag het gasverbruik 60 procent hoger dan het jaar ervoor! Logisch dat het verbruik dan stijgt. Met energieverspilling heeft dat bitter weinig te maken. Moet je Jan Modaal dan straffen met een hoog BTW-tarief?

Bovendien stelt zich hier wél een juridisch probleem. De Europese BTW-wetgeving laat een gedifferentieerd BTW-tarief in geen geval toe. Door een verschillend BTW-tarief voor basisverbruik en luxeverbruik toe te passen, zou het gemiddelde BTW-tarief voor elk gezin anders uitvallen. En dat mag niet van Europa.

De nood aan een structurele aanpak 

Kortom, als we het energieverbruik verder willen inperken, kunnen we maar beter inzetten op andere maatregelen. Prijssignalen zijn onrechtvaardig en niet efficiënt. Gelukkig hebben de bewustmakingscampagne van bijvoorbeeld de Bond Beter Leefmilieu en andere milieu-organisaties, of energiebesparende investeringen wél een groot effect.

Samenlevingsopbouw vzw pleit bijvoorbeeld terecht voor doelgerichte financiële steunmaatregelen voor de minst kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen voor isolatie, energiezuinige verwarming, etc. Ook een derdebetalersysteem zou een groot effect hebben.

De energieleverancier of de distributienetbeheerder schiet de kosten voor broodnodige isolatiewerken voor en de huurder betaalt de investering in schijven terug, dankzij de winst die hij maakt op zijn fors gedaalde energiefactuur.

Uit recent onderzoek van het Vlaams EnergieAgentschap blijkt dat slechts 42 procent van de woonhuizen volledig dubbele beglazing heeft, én een volledig geïsoleerd dak én een zuinige verwarmingsketel. Dat is bijzonder weinig. Werk aan de winkel dus.

Wie een prioriteit wil maken van een klimaatvriendelijk energiebeleid, moet vooral investeren in structurele energiebesparing in plaats van de consumenten op kosten te jagen met hoge BTW-tarieven.

Bovendien moet het energieprobleem ook aan de wortel aangepakt worden. Dat consumenten besparen op hun elektriciteitsverbruik is nuttig en nodig. Maar het is een ‘end-of-pipe’-oplossing. De consument responsabiliseren is één ding, zorgen voor een energiezuinige, duurzame elektriciteitsproductie is iets anders. En ook dat is nodig.

Het energie-rendement van klassieke gascentrales of de kerncentrales is bedroevend laag. Meer dan 60 procent van de energie waait letterlijk door de koeltorens naar buiten. Van verspilling gesproken. We moeten de lat voor Electrabel & co veel hoger leggen.

Want elektriciteit is op zich niet klimaatonvriendelijk. Dat hangt van de productie af. Windenergie is top, terwijl fossiele elektriciteitsproductie in steenkoolcentrales een catastrofale impact heeft op het klimaat. Dat probleem kan je aanpakken door strikte en hogere normen, of door als overheid de energieproductie zélf weer aan te sturen, in plaats van onze toekomst in handen te geven van Electrabel & co.

Met een hoge BTW los je dat niet op. Zeker niet omdat je met een BTW van 21 procent cynisch genoeg óók die 48 procent van de gezinnen straft die bewust kiezen voor een duurzaam groenestroomcontract.

Sociale argumenten voor een BTW-verlaging

Er zijn uiteindelijk ook veel sociale argumenten om de BTW op energie te verlagen. Het valt stilaan niet meer uit te leggen dat we 6 procent BTW betalen op geneesmiddelen en kraantjeswater, omdat het basisbehoeftes zijn, terwijl verwarming en verlichting, evengoed levensnoodzakelijk, een tarief van 21 procent aangesmeerd krijgen. Dat is absurd.

Bovendien is de energiefactuur voor veel gezinnen een harde noot om te kraken. Sinds 2004 is elektriciteit maar liefst 39 procent duurder geworden, gas zelfs 65 procent. Meer dan 106.000 gezinnen hebben een afbetalingsplan lopen bij hun energieleverancier, en 80.000 gezinnen zijn door Electrabel & co simpelweg gedropt omdat ze de energiekosten niet meer kunnen betalen.

Anno 2013 zitten in Vlaanderen gezinnen in de kou omdat ze op koude winterdagen het geld niet hebben om hun budgetmeter voor elektriciteit of aardgas op te laden. Is dat het warme Vlaanderen van morgen?

Energie besparen en BTW verlagen gaan hand in hand

Kortom, het is niet of-of. Energiebesparing en 6 procent BTW is een én-én-verhaal. Investeringen in energiezuinigheid zijn broodnodig, en we moeten méér inzetten op doelgerichte hulp aan minder kapitaalkrachtige gezinnen. Maar dan nog moeten we kiezen welk BTW-tarief we kiezen voor gas en elektriciteit.

En daar is de conclusie onvermijdelijk: 6 procent BTW is sociaal rechtvaardiger, veel logischer en een efficiënt wapen tegen de snel om zich heen grijpende energie-armoede.

Waar wachten we nog op?

Tom De Meester

Tom De Meester is energiewatcher bij de PVDA en startte in 2008 een petitiecampagne om de BTW op energie te verlagen van 21 procent naar 6 procent. Hij is auteur van ‘Opgelicht. De energiezwendel van Electrabel & co’ (EPO, 2013).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!