Sep Kindt: “We hebben geleerd dat vrijwilligerswerk centraal moet staan”
Interview, Nieuws, Samenleving, België, De Verenigde Verenigingen, Sep Kindt, Jeugdhuizen, Formaat Jeugdhuiswerk Vlaanderen vzw, Jeugdhuizen Vlaanderen - Verenigde Verenigingen

Sep Kindt: “We hebben geleerd dat vrijwilligerswerk centraal moet staan”

Sociale innovatie. Het begrip duikt recent veel op tijdens studiedagen en conferenties, in beleidsstukken en subsidieoproepen. Het begrip mag dan wel nieuw zijn, de gedachte erachter is dat veel minder. 'de Verenigde Verenigingen' interviewde betrokkenen van het eerste uur. Tien historische voorbeelden van sociale innovaties. Een interview met Sep Kindt, oud-directeur Formaat Jeugdhuiswerk Vlaanderen vzw (Jeugdhuizen Vlaanderen).

maandag 14 oktober 2013 14:00

Hebben de huidige generaties zelfbewuste jongeren nog wel boodschap aan een jeugdhuis? Jeugdhuiswerker van het eerste uur Sep Kindt windt er geen doekjes om: “Vorming, zingevende vrijetijdsbesteding en het jeugdhuis als ontmoetingplek slaan ook vandaag aan.”

Hoe kwamen die prille jeugdhuizen in de vroege jaren zestig tot stand?

Sep Kindt: “Toen eind de jaren vijftig jongeren van nieuwe vrijheden begonnen te proeven, verloor het traditionele verenigingsleven zijn aantrekkingskracht. Jeugdhuizen rezen als paddenstoelen uit de grond. Het beeld van enkele jongeren die zelf ergens een jeugdclubje oprichten, is sympathiek en authentiek.”

“Het was ook de meest spontane groep, maar meestal gaf de parochiewerking een duwtje in de rug. Er was op dat moment een – zelfs volgens de jongeren – ‘progressieve’ paus (nvdr: Johannes XXIII) waardoor die ondersteuning legitiem leek. Maar vanuit de kerk was dat natuurlijk een poging om het dalende succes van de traditionele jeugdbewegingen te recupereren via Chiro, daarna ook scouts, KAJ en KSJ …”

“Iedereen probeerde het jeugdwerkverhaal te recupereren”

“Iedereen stond wel ‘open’ voor de nieuwe vrijheden, maar tegelijk was er een enorme bezorgdheid over de ‘ontsporende’ jeugd. Iedereen probeerde het verhaal te recupereren en in te passen in de eigen politieke- of maatschappelijke doelstellingen.”

“Er kwam meer overheidssteun, maar ook meer bevoogding: jongeren moesten toch een beetje ‘van de straat’ gehouden worden. Lokale overheden begonnen dan ook centra op te richten waarin de jeugd vervolgens een plaats kreeg. Dat was geen groei van onderuit meer.”

Niet enkel de parochies wilden dus een graantje meepikken?

 “Iedereen had een eigen agenda, soms ook een paternalistische. Jongeren hadden daar natuurlijk geen boodschap aan. Voor hen gold vooral: we mogen hier iets doen, hier is iets voor ons. Jongens en meisjes samen! In die zin waren de groepen die los van de verzuiling ontstonden interessant. Zij speelden immers een pioniersrol en waren bij de eersten die onafhankelijk hun ding wilden doen.”

Hoe ontwikkelde zich structuur tussen al die initiatieven?

“In het begin met een anarchistische ondertoon. We groeiden organisch, er waren spontane uitwisselingen. Geleidelijk aan structureerde zich dat dan wel. Er kwam een jaarlijks congres, in Wemmel of Dworp, waar de jeugdverantwoordelijken heen trokken. Daar werd dan gedefinieerd waarvoor het jeugdhuiswerk stond en waar het naartoe moest. Ook de federaties van jeugdhuizen ontstonden er: één onafhankelijke en tegelijk drie vanuit de zuilen. Maar uitwisseling was er altijd.”

In de jaren tachtig wam er dan een stevige dip.

“Ja, de overheid ondersteunde ons in de jaren zeventig sterk met begeleiding, professionalisering en infrastructuur, maar door de crisis op het einde van het decennium werd er plotseling gehamerd op kwaliteitseisen, normen en criteria … soms om heel bewust druk te leggen op bepaalde jeugdhuizen.”

“Deels zorgde dat wel voor een stimulans, maar er waren ook jeugdhuizen die ermee kapten. Ik heb toen veel werkingen begeleid die in de clinch lagen met de eigenaar, de parochie bijvoorbeeld. Al was ook die crisisperiode goed voor de ontwikkeling van een kritische maatschappijgeest onder de jongeren.”

Hoe hebben de jeugdhuizen een tweede adem gevonden?

“Jongeren in de eighties zagen een jeugdhuis als iets van vroegere generaties, maar in de jaren negentig kwam er weer zuurstof. Er was de grunge met Kurt Cobain als boegbeeld en rock was sowieso meer iets voor jeugdhuizen dan commerciële pop. Vreemd genoeg werden ook ouders betrokken. De vroegere bevoogding was eruit.”

“Er kwamen heel wat nieuwe, kleinschalige jeugdhuizen bij die elementen uit de methodiek van jeugdhuiswerking overnamen. Ze waren ook minder geïnstitutionaliseerd. Die trend is zich blijven doorzetten: er zijn nog nooit zoveel jeugdhuizen geweest. Bovendien mag je daar ook de gemeentelijke initiatieven bij rekenen. Soms zijn dat bijna complete culturele centra voor jongeren.”

“Er zijn nog nooit zoveel jeugdhuizen geweest als nu”

“De decentralisering tijdens de jaren negentig zette ook veel in beweging. Niet langer de federale of de Vlaamse overheid waren bevoegd voor de ondersteuning van jeugdhuizen, maar de gemeenten. De federaties stonden daar huiverachtig tegenover, want ze vreesden willekeur.”

“De voorwaarden die opgelegd werden aan gemeenten ontmijnden dat wel. Gemeenten moesten bijvoorbeeld een beslissing om een jeugdhuis af te schaffen motiveren en rekening houden met de behoeften van de jeugd op basis van een participatieproces. Vele jongeren vroegen tijdens zo’n proces om een jeugdhuis in hun gemeente.”

“De bedreiging werd dus een opportuniteit. Ook raakte ons jeugdhuizenlandschap niet – zoals we vreesden – totaal versnipperd, zoals in Nederland. Er bestaat hier nog steeds samenwerking over de jeugdhuizen heen.”

Je hebt het vaak over de ‘jeugdhuismethodiek’: wat versta je daaronder?

“Jeugdhuiswerk faciliteert ontmoetingen tussen jongeren, doet vriendschapsnetwerken ontstaan. Een tweede aspect is de kwaliteitsverhoging van vrijetijdsbeleving via cultuur of sport: daar heeft de maatschappij veel baat bij. Ten derde zorg je via een jeugdhuis voor laagdrempelig leerproces. Jongeren steken er heel wat van op: denk maar aan de verantwoordelijkheid die ze krijgen door eens achter de bar te staan of zelf een activiteit te mogen organiseren.”

“Aan zo’n toog vindt bijvoorbeeld een heel proces plaats dat erg interessant in voor een pedagoog – maar zoiets kreeg je vroeger niet verkocht aan een overheid.”

“Tegenwoordig worden er ook fuiven en barbecues gesubsidieerd en dat is toch wel een heel verschil met de jaren zeventig. Ook die processen worden nu gevaloriseerd. Vorming, zingevende vrijetijdsbesteding en ontmoeting: het verschilt allemaal niet zo geweldig van veertig jaar geleden.”

Heb je een idee van de impact van de jeugdhuizenwerking op jongeren? Is dat meetbaar?

“Welzijn, geluk en sociale context zijn opdrachten van het middenveld en creëren een product, namelijk zingeving en waardecreatie. Maar hoe meet je zoiets? Je zal mij ook niet horen zeggen dat wij jongeren van de straat houden: die is van iedereen. Niet dat we ons niet bewust zijn van een aantal maatschappelijke problemen, maar je kunt een jeugdhuis daar geen meetbaar antwoord op laten bieden.”

“Je zal mij niet horen zeggen dat wij jongeren van straat houden”

Hoe belangrijk is de aanwezigheid van trekkers en pioniers in jullie werking?

“Die heb je natuurlijk nodig. Je moet ook opleiden en sturen. Daar is voor de federaties een belangrijke rol weggelegd. Jongeren moeten kansen krijgen. Maak je duidelijk aan het publiek welke talenten daar later uitkomen, dan creëer je ook draagvlak voor jeugdhuiswerking.”

“Veel mensen die ik ken uit het jeugdwerk leiden nu grote verenigingen, bedrijven of zijn politiek actief. Zulke talenten moet je koesteren. Je loopt met hen natuurlijk ook meer het risico op conflicten, maar dat is juist interessant.”

Welke risico’s waren er eventueel verbonden aan het opstarten van de jeugdhuiswerking? En hoe belangrijk is dat risico-element? Is experimenteren een ‘risico’ of is daar ruimte voor?

“Zeker in het begin oefenden de zuilen heel wat druk uit, waardoor ‘ruimte’ jongeren ook fysiek ontnomen kon worden wanneer een jeugdhuis niet binnen de lijntjes kleurde. Nu nog willen we als federatie jeugdhuiswerking definiëren, maar een jeugdhuis mag geen eiland zijn. Het moet wel beantwoorden aan een bepaalde methodiek.”

“Zo bewaak je ook de grenzen van de risico’s en dat is essentieel. Jongeren experimenteerruimte bieden is nog altijd moeilijk verkoopbaar. Jongeren of een peer group hebben ook niet altijd gelijk.”

“Jongeren experimenteerruimte bieden is nog altijd moeilijk verkoopbaar”

Hoe belangrijk zijn de middelen die jullie krijgen?

“Zonder ondersteuning zouden we absoluut extra middelen moeten zoeken, dus ben ik voor overheidssteun. Organische ontwikkeling klinkt mooi, maar het betekent dat wanneer je toevallig geen jongeren vindt die de boel willen trekken, je misschien wel een generatie lang geen jeugdhuis die naam waardig meer hebt.”

“Anderzijds mag door subsidiëring de dynamiek niet verloren gaan. De jongeren moeten eigenaarschap blijven voelen. Niet over-professionaliseren blijft ook de boodschap.”

Waren er ook mislukkingen tijdens het uitbouwen van het jeugdhuiswerk?

“Ja, het verhaal van de beroepskrachten in de jaren zeventig. Het profiel van een ‘betaalde’ jeugdwerker was bij ons niet per se beter of duidelijker dan dat van de vrijwilligers die aan de slag gingen in een jeugdhuis. De beroepskracht, vroeger de PeVe, was meestal een sociaal assistent verpakt als vrijwilliger, waarvan de jongeren wisten en verwachtten dat hij alles wel zou regelen: vormingsproces, een cursus over druggebruik, de WC’s ontstoppen … beleidsmatig was dat geen succesverhaal.”

“We hebben daaruit geleerd dat vrijwilligerswerk centraal moet blijven staan. Net het opnemen van bepaalde verantwoordelijkheden vormt het leerproces. En wanneer dan professionele jeugdwerkers worden betrokken, bieden specifieke – bijvoorbeeld administratieve – profielen soelaas.”

Maar de jeugdhuismethodiek leverde ook heel wat successen op?

“Vooral de inspiratie en de vernieuwingsdynamiek binnen de jeugdhuizen. Kijk maar naar het aantal verenigingen dat ontstond vanuit de jeugdhuizen, in hulpverlening, sport, cultuur … of hoeveel muziekbands we een podium hebben kunnen bieden. Over impact gesproken!”

‘de Verenigde Verenigingen’ ging terug in de tijd en interviewde de betrokkenen van het eerste uur bij tien historische voorbeelden van sociale innovaties. Het resultaat werd het e-book ‘Innoveren rond sociale uitdagingen. Dat is van alle tijden.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!