Opinie, Nieuws, Cultuur, België, Cultuurbeleid, Commercialisering, Verbeelding, Neoliberaal cultuurbeleid, Kunstensector, Cultuursubsidiebeleid, Marktfalen, The state of the Art -

De verbeelding aan de macht! (Ook in het cultuurbeleid)

Onder het motto: ’never let a serious crisis go to waste’, doen kunstenaars en cultuurliefhebbers er goed aan om onze cultuurpolitiek zelf eens in vraag stellen. Wat loopt mis, wat kan beter?

vrijdag 20 september 2013 17:45

De kunstensector heeft niet alleen hoogdringend een brede politieke oppositie en een solidair cultuurmiddenveld nodig. Ook een mentale ‘revolutie’ is cruciaal in het denken over wat een publieke kunstensector wel en niet zou moeten zijn. Ons cultuurbeleid heeft dus nood aan verbeelding. En tegenverbeelding.

Als er één oosterse wijsheid is die succes kent in het Westen, dan gaat het om het inzicht dat de beste overlevingsstrategie erin bestaat de wapens van de vijand in het eigen voordeel te gebruiken. Om liberale herauten een stap voor te zijn, doet de cultuursector er daarom goed aan alvast zelf na te denken wat in crisistijd anders en beter kan.

Het bepleiten van een ‘zo groot mogelijk’ subsidiebudget zonder inhoudelijke visie van wat kunst en cultuur vandaag moeten zijn, is duidelijk een zwaktebod. Men staat uiteraard sterker als men de overijverige bespaarpolitie zelf tot ‘responsabilisering’ kan dwingen, uitgaande van een sterk verhaal van wat een publieke cultuursector nu eenmaal zou moeten zijn.

De wijze waarop ministers zoals Joke Schauvliege (CD&V) zich strategisch opstellen, biedt alvast een opportuniteit: zij nodigt de sector voortdurend uit om zelf het cultuurbeleid te hertimmeren.

Het hoogste ambt stelt het voor alsof zij een stap opzij zet en vervolgens de rol opneemt van ‘zakelijk leider’. De sector is bijgevolg als ‘artistiek leider’ zelf aan zet, en kan zich in die rol ook opdringen. Men hoeft dus bijvoorbeeld helemaal niet tot na de verkiezingen te wachten om tot actie over te gaan.

Controlled burning

Organiseer als plan B dus gewoon zelf alvast een legitimiteitscrisis. Controlled burning. Even brainstormen: wie betwist bijvoorbeeld dat er momenteel disproportioneel veel middelen gaan naar intermediaire functies (allerhande bemiddelaars en platformen als externe administratieve arm van de overheid) vergeleken met de beperkte steun aan opkomende kunstenaars?

Hierbij lossen we meteen een acuut probleem deels op: als cultuurpolitici stellen dat ‘de sector’ hun beleid steunt, dan bedoelen zijn vooral die instituten die deze externe administratieve arm vormen, die namens ‘de sector’ menen te kunnen spreken.

Plichtsgetrouw voeren die instituten beleidsuitvoerende taken uit, die ze dikwijls als een verplicht nummertje afhaspelen helaas, om dan zo snel mogelijk de verantwoordelijkheid naar ‘de politiek’ door te schuiven. 

Zie daar, de cultuurpolitieke paardenmolen: enerzijds installeert men een zogenaamde representatie van de sector die in opdracht beleidsondersteunend ‘onderzoek’ produceert. Zo kunnen politici zeggen dat zij slechts constructief doorvoeren van wat aanbevolen werd. Die representatie doet dan tegelijkertijd hetzelfde: “wij voeren alleen maar uit hoor, het is de minister die beslist”.

Nog eentje, aangenomen dat ‘media’ ook ‘cultuur’ is, al gaat het helaas om een andere minister: moet de overheid geen komaf maken met het buitensporige subsidiebeleid ten aanzien van de krantenbedeling voor commerciële media dat de onafhankelijke media enorm benadeelt?

“Moet de overheid geen komaf maken met het buitensporige subsidiebeleid ten aanzien van de krantenbedeling voor commerciële media dat de onafhankelijke media enorm benadeelt?”

Logisch toch? Een cultuurbeleid dat de concurrentie met de markt aangaat, gaat net andersom te werk: een extra belasting van de cultuurindustrie ter ondersteuning van autonome en sociaalartistieke kunst en cultuur.

Of wat met het fiscaal gunstbeleid aan de commerciële filmindustrie, met die ronduit schandalige wantoestanden inzake de tax shelter? Investeringsbedrijven zoals Scope Invest perverteren de wetgeving met facturatie-adressen en een zwendel in onderaanneming, maar beloven wel tweecijferrendementen.

Het zou de staatskas sinds 2004 al 800 miljoen euro gekost hebben, in het voordeel van buitenlandse productiehuizen die daartoe in België een voorkeursbehandeling verwachten ten aanzien van onze filmsector.

Ter vergelijking: het budget van het kunstendecreet bedraagt circa 100 miljoen euro. Zou Vlaanderen niet subiet een culturele ‘topregio’ worden als die middelen naar het kunstenbudget zouden gaan?

De overheid wil naar eigen zeggen de vrijheid van de kunsten zo graag steunen. Kunstenaars moeten in het vrije Westen vooral heel hard hun best doen om te tonen hoe vrij zij zijn, en wij daarom zogezegd ook.

Nochtans worden zij in een hoekje weggeduwd door een overdaad aan onder meer de geweldindustrie van Hollywood die, o paradox, zo genereus door de tax shelter wordt gesubsidieerd met een veelvoud aan middelen. Net daardoor is de verbeelding vandaag helemaal niet zo ‘vrij’.

Zoals men bijvoorbeeld in een alweer treffende recensie van Ivo De Kock op DeWereldMorgen.be kan lezen, wordt onze verbeelding platgewalst door het kabaal van de vermaakbusiness (de weg wordt zo nog maar eens vrij gemaakt voor militarisme).

Dat is de strategie van de overheersing. De wolkbreuk aan infotainment en pulp die preventief het veld probeert te verzadigen waarin de sociale verbeelding haar werk zou kunnen doen.

En dan verbazen wij er ons over dat bij een poll van een commerciële krant een groot deel van de bevolking al meteen voor een militaire interventie in Syrië is, zelfs los van een VN-mandaat. Dit, zonder enige notie te hebben van de situatie ter plaatse, aangezien duidelijke informatie op het moment van die poll compleet ontbrak.

Gesubsidieerde kunstmarkt?

Nieuw in het nieuwe Kunstendecreet is overheidssteun voorzien voor commerciële galeries, die van de kunstenaar 50 procent en meer afromen. Ook dat zou toch beter gewoon rechtstreeks naar de kunstenaar gaan?

Als een bruidsluier groeit de kunstmarkt langsheen de publieke sector, overwoekert en verstikt: een speeltuin voor een zelfverklaarde jetset van kunstbeleggers die kunst niet alleen als koopwaar, maar vooral als snobby investering opvatten, waarmee men zich dan een dikdoenderig opstapje in de pikorde van kleinburgerlijkheid aanschaft.

“De kunstmarkt als een speeltuin voor een zelfverklaarde jetset van kunstbeleggers die kunst niet alleen als koopwaar, maar vooral als snobby investering opvatten, waarmee men zich dan een dikdoenderig opstapje in de pikorde van kleinburgerlijkheid aanschaft”

En waardoor kunstenaars die willen vermijden dat hun oeuvre kapot wordt gespeculeerd, zich genoodzaakt zien om voor belachelijk veel geld hun eigen werk terug te kopen. Met als sinister neveneffect dat ze dit kunstcasino zo mee draaiende houden.            

Met de beperkte middelen die er nu zijn, is een steunbeleid voor het mondaine circus voor koopbeurzen als Tefaf of Art Basel gewoon pervers. Waarom zou de gemeenschap dat spraakmakend opbod aan lege luxe-excessen moeten steunen?

Die kunstmatige glitter and glamour, dat lucratieve succes van commerciële ‘topkunstenaars’ of de astronomische recordprijzen op kunstveilingen als Sotheby’s zijn heus wel zelfbedruipend.

Daarbij aansluitend, geven beoordelingscommissies ook niet te veel toe aan de sterrencultus als blijkt dat er nog altijd flink wat overheidssteun gaat naar kunstenaars als bijvoorbeeld Hans Op de Beeck, Koen van den Broek of Jan De Cock?

Die zitten toch al een tijdje op een berg geld? Michaël Borremans, Wim Delvoye of Luc Tuymans vragen toch ook geen subsidies aan? Dit is unfair ten aanzien van al de kunstenaars die nu niet rondkomen, die prachtige dingen maken en toch een negatief advies krijgen.

Ook het nieuwe Kunstendecreet zet nog harder in op ‘top’ en ‘canon’ en ‘ster’ en meer van die competitieve titulatuur die de dynamiek aan creativiteit wil invriezen in een hoogst betwistbare rangorde en overbodige normstelling, en dan vooral in de hoop op faam voor de Vlaamse economische regio.

“Ook het nieuwe Kunstendecreet zet nog harder in op ‘top’ en ‘canon’ en ‘ster’ en meer van die competitieve titulatuur die de dynamiek aan creativiteit wil invriezen in een hoogst betwistbare rangorde en overbodige normstelling”

Daarmee werkt men niet alleen het bestaande mattheuseffect in de hand, maar dreigt men de verbeelding in te lijven in een establishmentondersteunende culturele conventie.

De verbeelding geraakt vandaag zo steeds meer ‘geinstitutionaliseerd’ (lees: opgesloten) in universiteitsfabrieken, inhoudsloze mediaprogramma’s en nu ook in een opvallend formatterende pikorde, op aansturen van de gesubsidieerde sector zelf.

Kortom, een kunstcanon is een middel om potentieel radicale energie te beheersen. Alsof men bang is zoiets ‘krankzinnigs’ als verbeelding vrij op straat te laten loslopen. Alleen angst wordt vandaag actief gesocialisieerd, en door sommige partijen zelfs tot favoriet verkiezingsthema uitgeroepen.

Bezet het beleidsdiscours

Bepaal ook zelf uw evaluatiecriteria. Liberale EU-cultuurpolitici dwepen bijvoorbeeld met het zogenaamde spill-over effect. Omdat de cultuursector een bruisend vat aan creativiteit zou zijn, zou het geen kwaad kunnen dat er af en toe een beetje over de rand gemorst wordt in het belang van de noodlijdende economie. Prima, maar dit veronderstelt dan wel dat de cultuursector net niet marktconform mag zijn.

Anders is er geen ‘andere wereld’ meer waarvan men ideeën kan aftappen om in een marktlogica te incorporeren. Nu is er helaas eerder sprake van een drooglegging aan de bron alsook een vollopen van de sector met commercieel denken. Een ‘overloopeffect’ in de andere richting, zeg maar.

En is ‘schottenloosheid’ dan sowieso beter, goed wetende dat het de deur open zet voor het obscuur familiepak genaamd ‘creatieve industrieën’ (zoals daar is, de wapenhandel) en dus voor allerhande commerciële activiteiten die nog weinig tot niets met kunst te maken hebben? Slaat de slinger hier niet te veel door?

“En is ‘schottenloosheid’ dan sowieso beter, goed wetende dat het de deur open zet voor het obscuur familiepak genaamd ‘creatieve industrieën’”

Schottenloosheid op zich kan toch geen a priori zijn waar men dan een beleid op uittekent? Er zijn nu eenmaal nog altijd wel kunstdisciplines en men kan ook nog steeds vrij precies aangeven wat artistieke en niet-artistieke doeleinden zijn.

Het probleem met de huidige opdeling in beoordelingscommissies is nu al dat zij het overzicht compleet verliezen. Met de invoeging van nog meer cross-over commissies tussenin, wordt het helemaal kafkaiaanse willekeur. Met het succes van uitgekookte cultuurmanagers tot gevolg die dossiers van dezelfde kunstenaars in aangepaste vorm naar bijna alle commissies tegelijk opsturen.

Nog: Leuvense academici stelden onlangs het concept ‘marktfalen’ voor als nieuwe cultuurbeleidsterm (zie hier): de overheid zou daar moeten ondersteunen waar de markt faalt. Positief aan deze benadering is dat men in eerste instantie nadenkt over het belang van cultuur los van de markt.

Negatief is echter dat men er dan van uitgaat dat wat de markt zelf succesvol organiseert sowieso goed is. Het falen van de markt kan men daarom het best ook overwegen en niet-financieel interpreteren: dat wat nivelleert, formatteert of zelfs schadelijk is binnen een optiek van emancipatie, vrijheid en gelijkheid, mag negatief gecorrigeerd worden.

“Dat wat nivelleert, formatteert of zelfs schadelijk is binnen een optiek van emancipatie, vrijheid en gelijkheid, mag negatief gecorrigeerd worden”

Private initiatieven die alleen maar commercialisering en winstmaximalisatie beogen en dus geen aantoonbare maatschappelijke of artistieke meerwaarde realiseren (ook al creëren ze zuurstof voor beleggers), moet men in principe beleidsmatig kunnen reguleren of ontmoedigen, dit net in het belang van onze cultuur. Anders gezegd: tegengas tegen de McDonaldisering en de Bumba-ficatie van cultuur.

Tevens is het niet overbodig onze politici erop te wijzen dat wij volgens de grondwet (artikel 23.5), recht hebben op cultureel-maatschappelijke ontplooiing en dat het dus tot de taak van de overheid behoort om een publieke sector uit te bouwen zodat cultuur gewaarborgd blijft én dat kansengroepen kunnen participeren.

Sterker nog: zelfs het betoog van de rabiaatste liberale ideologen, zoals dat van Friedrich Hayek of Milton Friedman, kan aangewend worden als argument tégen de dwang en het despotisme van een allesoverheersende, onstabiele en onvatbare vermarkting omdat zij toch nadrukkelijk, althans op het niveau van het woord, de ‘individuele vrijheid’ als hoogste doel vooropstellen.

Kortom, de cultuursector kan zijn partizanenstrijd tegen de vermarkting nu alvast beginnen, zonder eerst angstvallig de saneringsklappen of verdere markconformistische brainwashing af te wachten.

Wie kunst laat vermarkten, schaft immers de belofte op de toekomst af. Want waarachtige kunst is onmaat, mogelijkheidszin en verbeelding en dat is waar verandering begint.

“Want waarachtige kunst is onmaat, mogelijkheidszin en verbeelding en dat is waar verandering begint”

Het postpolitieke geweld

Blijft over de onthutsende vraag: hoe komt het toch dat de uitverkoop zo zijn gang kan blijven gaan? In zijn erudiet, maar speels boek, Het doorsneedenken (2003) wijst de erudiete schrijver Curtis White er op dat het eigenlijke geweld vandaag zit in het feit dat we geneigd zijn onszelf hardnekkig wijs te maken dat wij in het neoliberale Westen alle vrijheid, creativiteit en rechtvaardigheid hebben die we rechtens mogen verwachten.

Dit wordt ons ook voortdurend verteld met een intensiteit die blijk geeft van angst voor de consequenties als het niet blijkt te kloppen. En het gaat natuurlijk om een grote leugen.

Het is, aldus Curtis, alsof we in een gezin van een alcoholicus leven waar de gezinsleden zich gedwongen voelen om dagelijks te bevestigen dat alles volkomen normaal en prettig is.

Maar een stemmetje binnen in de kinderen zegt: “ik voel een enorm verdriet dat ik niet kan uitleggen. Ik moet zeggen wat er niet is en toch kan ik niet zeggen wat ik zou willen zeggen. Het vooruitzicht om te moeten zeggen wat niet gezegd mag worden, is zo beangstigend, dat ik bang ben zelfs maar te denken aan wat niet mag worden gezegd. En dus ben ik bang om wat dan ook te denken”.

Iedere dag moet onze sociale verbeelding zich zo verlagen om een leugen te bevestigen. En iedere dag rennen heel wat mensen weg voor de verschrikking deze leugen opnieuw te moeten bevestigen, door te weigeren na te denken.

Dus op het moment dat de wereld in wanhoop verkeerd, maken we de fout ons zelfbegrip uit handen te geven en toe te vertrouwen aan van eigenbelang vervulde leugenaars, mensen voor wie eerlijkheid een bedreiging vormt.

Met name de politieke voedselketen te beginnen met de stoet aan CEO’s en bankiers, presidenten en premiers, neoliberale volksvertegenwoordigers en ambtenaren, die zich al jaren achter een fout en suïcidaal beleid verschuilen, en bang zijn voor de collectieve kracht van de democratie.

Aan deze mensen wordt dan nota bene de verantwoordelijkheid toevertrouwd van wapens die de vernietigende kracht van sterren hebben (en die naar eigen zeggen niet eens weten wat er in Kleine Brogel gebeurt).

Er is dus geen twijfel over mogelijk. Ook de kunstenaar en cultuurliefhebber moet, wat betreft cultuurbeleid dan, durven nadenken over radicale verandering. En daarna moeten we veranderen.

“Ook de kunstenaar en cultuurliefhebber moet, wat betreft cultuurbeleid dan, durven nadenken over radicale verandering”

‘The Foundation of the State of the Art’

Er is hoop! Er zal begin november weliswaar een EU-cultuurforum in Bozar plaatsvinden met een absoluut dieptepunt aan eenzijdige cultuurpolitieke reflectie. Men focust naar eigen zeggen op ‘the hottest topics of the sector at the moment’.

Met name: (1) het ‘meten’ van de waarde van cultuur, zodat politici vervolgens het beleid, zogezegd op basis van ‘onderzoek’, naar hun hand kunnen zetten (… als misdienaars van de Geldgod met de onzichtbare hand), (2) de ontwikkeling van ‘alternatieve’ financiering en (3) klantenbinding.  

Maar gelukkig organiseren een groep artiesten (op initiatief van Einat Tuchman en Gosie Vervloessem) tegelijkertijd in de Beurschouwburg op 7 november een avond waarin zij de ‘The state of the art’ terugclaimen.

De Vlaamse minister-president Kris Peeters (CD&V) wil met dit nieuwe logo voor Vlaanderen (overigens geplagieerd van een kunstenaarsinitiatief in New York) de kunsten o zo graag voor het karretje van zijn innovatieve topregio spannen. Geen culturele of sociale, maar marktgerichte innovatie wel te verstaan.

Op die avond brengen cultuurliefhebbers ‘statements of the art’ ter voorbereiding van een eigen ‘staatsorde’, inclusief een ‘onafhankelijkheidsstrijd’ van de verbeelding. Immers, cultuur eindigt waar nationalisme begint.

“Immers, cultuur eindigt waar nationalisme begint”

En waarom zouden we die dagen niet gewoon voor een ‘Occupy Bozar’ gaan, tegen de EU-putsch in?

Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!