Nieuws, Politiek, Iran, Analyse, Iraanse presidentsverkiezingen, Hassan Rouhani - Kevan Harris

Een ‘electorale opstand’ in Iran

"Gisterenavond zat ik met mijn vrouw en kinderen 3 uur vast in het verkeer", vertelt een kantoormanager uit Teheran, “de auto geraakte geen meter vooruit”. De dag ervoor (14 juni 2013) hadden de Iraniërs de hervormingsgezinde Hassan Rouhani verkozen als de zevende president van de Islamitische Republiek. “Alle auto's toeterden en mensen dansten en vierden rondom ons op straat.”

dinsdag 17 september 2013 14:40

De laatste keer dat de manager iets gelijkaardigs zag, was in juni 2009. “4 jaar geleden zat ik ook in mijn auto met mijn vrouw en dochters, en het verkeer stond toen ook stil terwijl de auto’s luid toeterden. Maar toen reden er veiligheidsagenten rond op motoren, die ruiten insloegen met hun knuppels.”

De mensen waren toen op straat gekomen omdat ze geloofden dat de gematigde presidentskandidaat Mir-Hossein Mousavi de verkiezingen verloren had ten gevolge van fraude. De controversiële gebeurtenissen van 2009 verzekerden niet alleen 4 jaar langer Mahmoud Ahmadinejad als president, maar werden ook onthaald als de dood van de hervormingsgezinde politiek in Iran. 
 
Een week voor de presidentsverkiezingen van 14 juni 2013 stond Rouhani er volgens de peilingen zeker niet beter voor dan de andere kandidaten. Het zag er naar uit dat niemand een meerderheid van de stemmen zou bemachtigen.

Hassan Rouhani is een ex-nationale veiligheidsadviseur en voormalig toponderhandelaar in het nucleaire dossier. Hij voerde zijn electorale campagne rond de slogan ‘hoop en omzichtigheid’. Op minder dan een week voor de verkiezingen sprak een coalitie van centristische en hervormingsgezinde politici, onder wie de voormalige presidenten Akbar Hashemi-Rafsanjani en Mohammad Khatami, haar steun uit voor Rouhani.

De enige andere gematigde kandidaat Mohammad Reza Aref, de voormalige vicepresident onder Khatami, trok zich terug uit de verkiezingsrace om zijn gewicht voor Rouhani in de schaal te werpen. Op extreem korte tijd klom Rouhani zo op tot een van de favorieten in de peilingen, maar veel kiezers beslisten pas op de dag van de verkiezingen zelf om te gaan stemmen.

Terwijl de resultaten op 15 juni 2013 binnendruppelden, kreeg de definitieve uitslag geleidelijk aan vorm. Rouhani won uiteindelijk met 50,8 procent van de meer dan 36 miljoen uitgebrachte stemmen, in een verkiezing met een opkomst van maar liefst 72,7 procent.

De tweede plaats in de presidentsverkiezingen ging naar de burgemeester van Teheran, Mohammad Baqer Qalibaf, met slechts 16,6 procent. Een tweede ronde was dus overbodig. De omvang van de overwinning werd snel duidelijk. Rouhani had in alle grote provinciesteden, waaronder de woonplaatsen van sommige rivalen, gewonnen. Hij kon ook op de massale steun van de Iraanse etnische minderheden rekenen.

Hij verzamelde 81 procent van de stemmen in Baneh, het kleine Koerdische district aan de Iraakse grens, en 86 procent in het aan Pakistan grenzende Baluchi-district Sarbaz. Op zijn verkiezingsmeetings had hij het regelmatig over etnisch pluralisme en dat was duidelijk in goede aarde gevallen.

Rouhani was de enige islamitische geestelijke die deelnam aan de verkiezingen, maar in de sjiitische seminariestad Qom deed hij het relatief slecht – hij haalde er 38 procent van de stemmen. Als zijn overwinning “een terugkeer naar de geestelijke macht symboliseert”, zoals sommige Amerikaanse analisten na de verkiezingen beweerden, dan is het een terugkeer waar het theologische centrum van het land niet bepaald enthousiast over is.

Op de avond van 15 juni veranderden de straten van de Iraanse steden in ware carnavals waarin de slogans ter ondersteuning van Rouhani zich vermengden met lofliederen aan het adres van Mir-Hossein Mousavi, de presidentskandidaat die het in de verkiezingen van 2009 tegen Ahmadinejad opnam en sinds 2011 onder huisarrest leeft.

De weinige politieagenten die zich ook op straat bevonden, beperkten hun activiteiten tot het aanmanen van het verkeer om in beweging te blijven. 

Nederlaag van de conservatieven

“De Iraanse maatschappij heeft zichzelf verrast”, verklaarde de socioloog en vertrouwenspersoon van Khatami, Hamid Reza Jalaeipour een week nadat de stemmen geteld waren. “Het mobiliserende potentieel veranderde in een electorale opstand”, aldus Jalaeipour.

“Na deze verkiezing was iedereen verrast. Zelfs Amerikaanse analisten die Iran op de voet volgen, stonden met hun mond vol tanden.” De afgelopen 8 jaar werden voortdurend Amerikaanse opiniestukken geschreven over ‘het Perzische gevaar’, waarin gesuggereerd werd dat de Islamitische Republiek alleen maar nog conservatiever kon worden.

Een hele reeks zogenaamde experts hadden vooraf bepaald dat maar één stem echt zou tellen in deze verkiezingen: die van de Hoogste Leider, ayatollah Ali Khamenei. De meeste observatoren voorspelden bijgevolg de overwinning van zijn protégé: Saeed Jalili, de conservatieve en zeer onbuigzame huidige onderhandelaar in het nucleair dossier.

Jalili werd bestempeld als de nieuwe Ahmadinejad – die volgens de Iraanse grondwet na twee opeenvolgende termijnen zelf niet meer mocht deelnemen aan de verkiezingen – en had een vermeend ‘leger aan kiezers’ ter beschikking, dat zogezegd klaar stond om de bevelen van de leidende fundamentalistische kliek op te volgen.

Ook de aanhangers van Saeed Jalili in Iran zelf waren ervan overtuigd dat ze afstevenden op een zekere overwinning en ze citeerden zelfs Amerikaanse krantenartikels om dit te staven. Maar op het laatste nippertje bleek een aanzienlijk deel van de Iraanse maatschappij beslist te hebben te gaan stemmen om een overwinning van Jalili te vermijden.

Zoals een man in de rij voor een stemlokaal het verwoordde: “Het kan me niet schelen wie er wint, zolang het maar niet Jalili is!” Westerse observatoren kwamen na de verkiezingen vlug aandraven met een nieuwe misleidende verklaring voor de verrassende uitslag.

De verkiezingen waren blijkbaar vrij (of zelfs eerlijk) geweest, en de minst conservatieve kandidaat lijkt zelfs gewonnen te hebben, maar deze uitslag was duidelijk een verwezenlijking van de sancties die opgelegd worden aan Iran voor zijn nucleair onderzoeksprogramma. Westerse waanideeën!  

De Ahmadinejad-jaren

Tegen het midden van de jaren 1990 had conservatief-rechts in Iran duidelijk met een ernstig imagoprobleem te kampen. De eerste generatie van revolutionaire conservatieven, spottend omschreven als ‘traditionelen’ door hun tegenstanders, moest lijdzaam toezien hoe de meerderheid van de bevolking zich geleidelijk aan van hen afkeerde.

De oude garde had zich ondertussen wel genesteld in de niet-verkozen organen van de staat, zoals de Raad der Hoeders van de Grondwet, maar sprak de nieuwe generatie kiezers totaal niet aan. Tijdens de presidentsverkiezingen van 1997 moest de conservatieve kandidaat dan ook een nederlaag incasseren.

De klinkende overwinning van Mohammad Khatami (met 70 procent van de stemmen), luidde de komst in van een nieuw type van publieke figuren in de Iran. Khatami en zijn medestanders maten zichzelf een nieuw imago aan, niet als liberalen – dat is immers een taboe in Iran – maar als ‘reformisten’. Khatami werd herverkozen voor een tweede ambtstermijn in 2001.

De ontluikende ‘civiele maatschappij’ in het land speelde een belangrijke rol bij Khatami’s verkiezingsoverwinningen, maar het oncomfortabele feit is dat gelijkaardige krachten Ahmadinejad in 2005 aan het presidentschap hielpen. De reformistische overwinningen van 1997 en 2001 maakten de weg vrij voor nieuwe vormen van politieke, culturele en sociale participatie.

Ze creëerden ook ruimte voor de uiting van opgekropte eisen rond economische herverdeling en rechtvaardigheid. De liberale elite slaagde er niet in de controle te verwerven over het staatsapparaat, de democratische krachten verbrokkelden en de ruimte gecreëerd voor het verenigingsleven stelde ook de rechtse bewegingen in staat om volop te groeien.

Net zoals religieuze en seculiere liberalen in de jaren 1990 filmclubs, filosofieverenigingen en ontelbare kranten en tijdschriften oprichtten, verenigden de conservatieve Iraniërs zich in groepen die de Iraans-Iraakse oorlog van de jaren 1980 herdachten, in gildes gewijd aan de religieuze feestdagen, in Koran-leesgroepen, enzovoort. Er ontstond zelfs een nieuwe muzikale folkcultuur waarin de cassettes en CD’s van religieuze crooners enthousiast werden uitgewisseld.

Al deze conservatieve verenigingen kwamen er niet in opdracht van de staat, maar gewoon omdat het uitingen waren van het dagelijks leven van een groot deel van de bevolking. Nadat de conservatieve Ahmadinejad de presidentsverkiezingen van 2005 gewonnen had, werd vaak gewezen op de rol van staatsmilities, zoals de basij, die hun netwerken gebruikt hadden om ervoor te zorgen dat de mensen in de eerste ronde op Ahmadinejad zouden stemmen.

Maar de basij alleen kan de opkomst van Ahmadinejad zeker niet verklaren, want de militie telde maar 300.000 leden in die tijd. De man appelleerde simpelweg aan een conservatief deel van de bevolking. Hij speelde met zijn campagneboodschap bovendien handig in op de latente frustratie over bepaalde onvervulde beloftes.

Ahmadinejad en de zijnen noemden zichzelf ‘principisten’. De conservatieven kwamen voor het eerst met dit neologisme op de proppen op het einde van de jaren 1990. Het moest in vergelijking met de oude garde een meer toekomstgericht en aanlokkelijker rechts voorstellen, en een alternatief bieden voor de ‘reformisten’.

Ahmadinejad speelde in de aanloop naar de verkiezingen van 2005 vakkundig in op het klassenressentiment en zwaaide met zijn antiklerikale geloofsbrieven als ingenieur, professor en stedelijk beheerder. Hij was meer een kameleon dan een ideoloog. Traditioneel rechtse politici wisten niet goed hoe ze hem moesten inschatten, maar uiteindelijk haakten ze hun karretje toch vast aan zijn rijzende ster.

De reformisten die ondertussen versplinterd waren geraakt, participeerden aan de presidentsverkiezingen van 2005 met drie verschillende kandidaten. Ook de voormalige president Hashemi-Rafsanjani (1989-1997) waagde zich aan een comeback. Toen Ahmadinejad in de eerste ronde op de tweede plaats eindigde na Rafsanjani, klaagden de verslagen reformistische kandidaten over fraude. Maar waarom hadden ze zich niet achter een enkele reformistische kandidaat geschaard?

De afstraffing van Rafsanjani in de tweede ronde van de verkiezingen, bevestigde dat de reformisten het spel slecht gespeeld hadden. In hun campagnes waren ze fel te keer gegaan tegen de centristische Rafsanjani, dus ze konden hun electoraat na de uitschakeling van al hun eigen kandidaten nu onmogelijk wijsmaken dat ze voor hem moesten stemmen.

Ahmadinejad moest dus alleen een aantal reformistische slagzinnen overnemen om te winnen. De conservatieven van de oude garde hadden kunnen profiteren van een opleving in de Iraanse civiele maatschappij om hun politiek project nieuw leven in te blazen. Ze dachten zich gemakkelijk van Ahmadinejad te kunnen ontdoen zodra hij hun doelen gediend had.

Maar de nieuwkomer dacht daar echter anders over en besliste om een revolutie binnen de revolutie door te voeren. Hij gebruikte de uitvoerende macht daarbij als een bureaucratische hamer. Hij holde de instituties waarin de oude rechtse politici zetelden uit en verving 10.000 of meer staatsambtenaren over heel het land. In hun plaats kwam een tweede generatie van post-revolutionaire bureaucraten.

De hoge prijzen voor grondstoffen op de wereldmarkt van het midden van de jaren 2000 stelde de regering in staat om een cyclisch beleid te voeren van kredietcreatie en uitgaven. Als de inflatie steeg, verwijderde Ahmadinejad de protectionistische barrières voor import. Iraniërs genoten een nooit eerder ervaren toegang tot de mondiale markt en de sociale basis van de reformisten deelde in de goede tijden, hoewel ze de populistische president verachtten voor zijn arrivistische pretenties.

Zowel de reformisten als de centristische kringen rond Rafsanjani, waren volledig buiten spel gezet. Prominente conservatieven van de oude garde probeerden vanuit het parlement de ministeriële overnames en het ombouwen van de staat te blokkeren, maar de nieuwe president negeerde hen en richtte zijn eigen instituties op om hen te omzeilen.

Hij ontdeed bedrijven in de openbare sector van hun overbeladen pensioenfondsen en dirigeerde de overheidsbedrijven via een nieuwe laag van militaire en civiele onderaannemers. Deze stappen werden in het Westen beschouwd als een militarisering van de economie, wat perfect paste in het beeld van een monolitische pretoriaanse staat. Maar deze analisten hebben het bij het verkeerde eind.

Rechts was verre van verenigd. De politieke heropleving van rechts via een tweede generatie revolutionairen vertaalde zich economisch in de verrijking van deze groep. Alleen al de patronage-praktijken (sociaal ongelijke betrekkingen waarbij de hogergeplaatste gunsten verleent aan een lagergeplaatste in ruil voor trouw of diensten) voorzag een materiële basis voor de versplintering van de conservatieven in kliekjes.

Ook de Iraanse Revolutionaire Garde (een speciale tak van het leger, ter verdediging van het islamitisch systeem en loyaal aan ayatollah Khamenei) viel ten prooi aan facties. De kloven verdiepten nog na het autoritaire intermezzo vlak na de presidentsverkiezingen van 2009, waarbij de Groene Beweging (de protestbeweging die de nietigverklaring van de frauduleuze verkiezingen en het aftreden van Ahmadinejad eiste) de kop werd ingedrukt.

Deze post-electorale opstanden verplichtten de rechterzijde om voor de camera’s te glimlachen in een show van eenheid, maar er kwam zeker geen geconsolideerde junta voort uit de strijd. Het enige wat voortsproot uit dit nationale trauma was een ideologische dwangbuis voor een superstructuur die geen basis meer had.

Slechter nog, de hele episode die uitgebreid in de internationale media kwam, stelde de VS en de EU in 2010 in staat om buiten de VN om, unilaterale sancties door te drukken tegen Iran. In plaats van zich te verenigen in strategische defensie begonnen de conservatieve figuren nu ruzie te maken over wie het meest ‘principistisch’ was. Daarbij werd Ahmadinejad er systematisch van beschuldigd van het pad af te wijken.

Zelfs voor de burgers die vonden dat de protesten van 2009 voor meer chaos dan helderheid gezorgd hadden, had het vernieuwde conservatieve merk zijn glans nu wel verloren. Zowel de westerse observatoren als Irans regerende elite geloofden dat er na 2009 maar één functionerende zijde van het politieke spectrum overschoot: traditioneel rechts.

Bijgevolg werd aangenomen dat de oude conservatieve uitdagers gewoon moesten wachten tot Ahmadinejads tweede termijn eropzat om de macht van hem te kunnen overnemen. Ondertussen bleven ze voortdurend hameren op de verschrikkelijke incompetentie van de president en op de nood aan orde en vooruitgang.

Maar de conservatieven zouden in de presidentsverkiezingen van 2013 onbewust dezelfde fout maken als de reformisten in 2005: aannemend dat ze de politieke wind in de zeilen hadden, lieten ze te veel bootjes te water.

Slimme gok

De reformistische en centristische politici waagden zich voor de recente verkiezingen aan misschien wel de snuggerste gok in de geschiedenis van de Islamitische Republiek. Een van de vele voordelen in handen van Irans conservatieven is hun controle over de doorlichting van de kandidaten die uitgevoerd wordt door de Raad der Hoeders van de Grondwet.

Al sinds de jaren 1990 keurt deze Raad de meest populaire reformistische verkiezingskandidaten af, maar liet wel een aantal minder bekende reformisten meedingen. Khatami dacht waarschijnlijk dat hij niet goedgekeurd zou worden door de Raad, maar hij liet zeer lang in het midden of hij zich al dan niet kandidaat zou stellen.

Andere reformisten dienden hun kandidatuur wel in, maar lieten stuk voor stuk weten dat ze die zouden intrekken indien Khatami zou meedingen voor het presidentschap. Op 11 mei 2013, de laatste dag dat men zich kandidaat kon stellen, daagde Khatami niet op, maar in plaats daarvan diende de centrist Rafsanjani zich op het allerlaatste moment aan.

De verrassende kandidatuur van zo’n revolutionair zwaargewicht, die sinds 2009 op de zwarte lijst staat van de conservatieven, deed rechts bevriezen. De Raad van Hoeders deed er 10 dagen over om de lijst van goedgekeurde kandidaten samen te stellen.

Ondertussen probeerde rechts de vijandige relatie van de jaren 1990 tussen Rafsanjani en de reformisten opnieuw op te rakelen. Door de oppositie te versplinteren, hoopten ze de formule van 2005 nog eens te herhalen. Maar Khatami’s reformisten en Rafsanjani’s centristen lieten zich niet vangen. Ze stelden dat hun onenigheden definitief in het verleden lagen en Khatami verleende Rafsanjani zijn ‘alomvattende steun’.

Op die manier beloofde Rafsanjani een reële uitdaging te worden voor het conservatieve project. Een gerespecteerd politicus als Rafsanjani diskwalificeren, zou elk vertoon van eerlijkheid dat nog restte binnen de revolutionaire orde wegvegen. Maar de Raad van Hoeders keurde zijn kandidatuur toch af. Als reden werd zijn ouderdom opgegeven.

Uiteindelijk werden er 8 kandidaten geschikt bevonden om te participeren aan de verkiezingen van juni 2013. De kandidatuur van Rafsanjani was er in geslaagd een golf van interesse op te wekken bij de gedepolotiseerde en cynische burgers. Zijn diskwalificatie verbrijzelde de hoop van velen. Het was onwaarschijnlijk dat de twee overblijvende kandidaten van centrum-links – Rouhani en Aref – het electorale enthousiasme zouden kunnen inspireren dat nodig was om de conservatieven te verslaan.

Velen dachten dat stemmen geen nut meer had. Zelfs Khatami en een aantal van zijn medewerkers kwamen naar verluidt dicht bij een oproep om de verkiezingen te boycotten. Maar Rafsanjani speelde het slim: hij moedigde de natie aan om alsnog te gaan stemmen.

Rafsanjani’s openlijke gehoorzaamheid aan het systeem, ondanks zijn diskwalificatie, nam alle twijfels weg bij de conservatieven. Als de tegenstanders zo geïntimideerd waren, dan was de overwinning verzekerd, dachten ze. Volgens de leden van het adviescomité van Khatami stroomden er de volgende dagen ontelbare vragen binnen vanuit de verschillende provincies over welke kandidaat ze moesten steunen.

Oude en jonge activisten riepen via het internet op om een consensus-kandidaat te steunen. De reformisten beseften dat de vraag naar electorale participatie niet verschrompeld was bij de bevolking, maar dat ze gekanaliseerd moest worden. Ze richtten in alle stilte twee comités op met vertegenwoordigers van Khatami, Rafsanjani en een paar gematigde conservatieve leiders.

Het ene comité organiseerde enquêtes in negen grote steden verspreid over het land om te achterhalen wie van de 2 overgebleven reformistische kandidaten (Rouhani of Aref) het beter deed. Het andere comité startte onderhandelingen op tussen de campagnes van de twee kandidaten.

Khatami en Rafsanjani zouden dan openlijk hun steun uitspreken voor de kandidaat die het meeste kans had om te winnen. De enquêtes toonden aan dat de steun van deze grote namen het zeer waarschijnlijk maakte dat hun kandidaat naar de tweede ronde gekatapulteerd zou worden. Rouhani bleek de beste kansen te hebben en iedereen ging akkoord om zich achter hem te verenigen.

Aref trok zich op 11 juni terug uit de race om het presidentschap. Gelukkig onderscheidde Rouhani zich in de debatten als een gematigde man, die zijn politieke standpunten – net als vele van zijn collega-reformisten – getemperd had de afgelopen twee decennia.

Rouhani, met zijn diplomatieke ervaring met het Westen, was voor velen de kandidaat die vrede vertegenwoordigde. Gedurende de week voor de verkiezingen besloten miljoenen mensen blijkbaar om toch te gaan stemmen. En om te kiezen voor Hassan Rouhani. Tegen de tijd dat de conservatieven beseften wat er aan het gebeuren was, was het al te laat.

Er stonden uiteindelijk vier conservatieve kandidaten tegenover een minder bekende kandidaat en Rouhani. Ayatollah Khamenei’s oproep van de afgelopen 4 jaar voor conservatieve eenheid, had tot niets geleid. Knoeien met de stembiljetten was geen optie, want dat riskeerde te leiden tot een herhaling van de onrust van 2009, maar dan in een veel onzekerdere omstandigheden.

Rouhani werd uiteindelijk over de 50%-drempel geduwd met een paar honderdduizend stemmen. Achteraf bekeken fungeerde de opkomst en de diskwalificatie van Rafsanjani als een soort van Trojaans paard. Zoals een vriend van mij halfspottend zei: “Hashemi is de enige Iraanse politicus die gediskwalificeerd kan worden als verkiezingskandidaat en toch nog kan winnen!”

Maar dit zou nooit gebeurd zijn zonder de interventie van de populaire Khatami, die nu gevierd wordt als een slimme tacticus. 

Rouhani zal worden geconfronteerd met een conservatief parlement en rechts zal zich niet zonder slag of stoot gewonnen geven. Zoals zijn aanhangers weten, is de overwinning van Rouhani fragiel. “Het enige wat de verkiezing gedaan heeft”, fluistert een journalist, “is het creëren van een hele kleine opening voor ons.”

De VS zou de weg vooruit glad kunnen strijken of nog moeilijker kunnen maken. De schade aangebracht door Ahmadinejads uitzinnigheid is immens, zowel op bureacratisch als op sociaal en economisch vlak. Als de regering-Obama vasthoudt aan de sancties, dan kan het momentum verloren gaan. 

Kevan Harris

Deze bijdrage werd eerder al gepubliceerd in het nummer 423 van het tijdschrift van Vrede vzw ‘Vrede – Tijdschrift voor internationale politiek’ (september-oktober 2013).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!