Opinie, Nieuws, Europa, Cultuur, Cultuurbeleid, Kunstendecreet, Neoliberaal cultuurbeleid, Marktconcurrerend cultuurbeleid -

Naar een marktconcurrerend cultuurbeleid

Volgens cultuurpolitici hervormen zij met de volle instemming van de sector. Is dat zo? Er is vooral veel nood aan discussie en een cultuurpolitieke oppositie.

maandag 16 september 2013 15:30

Hoewel men zou verwachten dat de cultuursector toch enig verbeeldingsvermogen in petto heeft, is het opmerkelijk hoe heel wat sectorleden als een koe naar een aanstormende trein staan te kijken. Het is nochtans overduidelijk dat de volgende regering nog rechtser zal zijn, en dus een besparingsbeleid zal doorvoeren. Toch kijkt men intussen helaas liever wat de andere kant op: geen collectieve mobilisatie in zicht.

In het nieuwe Kunstendecreet wordt de vermarkting alvast als nieuwe standaard ingeschreven, maar niemand die protesteert. Nog snel, snel laten goedkeuren door deze regering dan maar? Want er staan toch ook een paar goede dingen in?

En met het Europees cultuurbeleid Creative Europe dat voor de deur staat, kan de hersenspoeling pas goed beginnen: kunst moet renderen en de verdiensten van de kunstensector moeten integraal ten dienste worden gesteld ter meerdere eer en glorie van onze economische regio.

“Kunst moet renderen en de verdiensten van de kunstensector moeten integraal ten dienste worden gesteld ter meerdere eer en glorie van onze economische regio”

Desondanks blijft elk cultuurhuis vandaag beduusd voor de eigen deur vegen: de opbouw van een gezamenlijk en belangenbehartigend middenveld is vrijwel onbestaande. Hoog tijd dus voor een discussie over een marktconcurrerend cultuurbeleid. Hierbij een voorzet.

Besparingen: een voorspelbaar feit

De feiten. Los van het resultaat van de verkiezingen in 2014 weten we nu al dat de Grote Recessie alleen maar groter zal worden. Onder meer vanwege het besparingsbeleid dat de EU dit voorjaar opstelde en dat de nationale overheden, ongeacht wie de verkiezingen wint, vanaf volgend jaar moeten doorvoeren. Nu Merkel zondag zo succesvol herverkozen is, zal dat met Duitse gestrengheid opgevolgd worden.

Onder meer ook vanwege het feit dat er in de financiële sector sinds de crisis van 2008 inzake deregulatie gewoonweg niets is veranderd. Integendeel: zij die er verantwoordelijk voor zijn, hebben dankzij de crisis hun greep op de publieke en private macht enorm versterkt. Het is met andere woorden aftellen tot de volgende crash.

De cultuursector leeft nu al in de veronderstelling dat de kaalslag onderweg is, maar lijkt in een catatonische kramp vast te zitten. Het subsidiebudget van het Vlaamse Kunstendecreet bleef in de vorige ronde weliswaar stabiel, dankzij ongezien politiek stunt- en vliegwerk.

Maar na de lokale verkiezingen van 2012 blijkt dat steden en gemeenten, ondanks hun verkiezingsbeloftes en goede voornemens in bestuursakkoorden, overal de riem noodgedwongen aanhalen. Cultuur is hierbij doorgaans een van de eerste slachtoffers.

Daarmee zet zich in Europa, met zijn grootse traditie aan cultuurbeschavingen, een angstaanjagende trend voort: Spanje schrapte in 2012 bijna veertig procent van zijn cultuurbudget. In Portugal werd het ministerie van Cultuur simpelweg afgeschaft.

In Italië en Griekenland slaagt men er niet meer in hun onschatbare erfgoed te onderhouden. In Nederland ging 26 procent van het cultuurbudget in één keer voor de bijl. Politici pretenderen zeer bezorgd te zijn, maar niets te kunnen doen, want de crisis dwingt ons zogezegd tot een permanente uitzonderingstoestand.

Toch vreemd dat wij na een halve eeuw intensieve wederopbouw van Europa het ons vandaag blijkbaar steeds minder kunnen permitteren om serieus met kunst en erfgoed bezig te zijn. Het zal er niet op verbeteren zolang we niet onder ogen durven te zien dat er iets fundamenteels scheelt aan de manier waarop wij ons sociaal-economisch organiseren.

Hersenspoeling: een voldongen feit

Daar moet de cultuursector ook niet op hopen, aangezien de Europese en nationale politiek momenteel samen maximaal inzetten op ‘innovatie’ en ‘economische groei’, waarbij dezelfde recepten die ons in de problemen brachten krampachtig als remedie worden opgedrongen.

Erger nog: het EU-cultuurbeleid Creative Europe heeft kunst en creativiteit tot offerdier uitgeroepen. De EU zet volop in op wat de ‘creatieve economie’ heet en stuurt er zo op aan dat de nefaste mythe van de creatieve industrie ook in het nationale en lokale cultuurbeleid alomtegenwoordig wordt.

Het kan overigens niet voldoende worden herhaald: wat ‘creatieve industrie’ heet, bestaat gewoon niet. Het is een verpakkingsoperatie, bedrieglijke conceptuele acrobatie, met als doel de marktlogica als een westers fundamentalisme te laten oprukken.

Adorno en Horkheimer riepen decennia geleden de term ‘cultuurindustrie’ in het leven om hun tijdgenoten (in die tijd van de zich ontwikkelende massaproductie) duidelijk te maken dat er zoiets als de entertainmentbusiness in de maak was. Die term was nodig om iets te kunnen benoemen en zo zichtbaar te maken. Vandaag weten wij natuurlijk maar al te goed dat er zoiets als vermaakindustrie bestaat (waar entertainment doorgaans verward wordt met geweld en militarisme).

Terwijl de samentrekking van ‘cultuur’ en ‘industrie’ in één woord als een schrikbeeld was bedoeld, merken we vandaag hoe neoliberale lakeien deze maatschappijkritiek trachten te recupereren: met de zelfverzonnen term ‘creatieve industrieën’ wil men ons nu doen geloven dat er een heel nieuwe en vrolijke tijd is aangebroken, dat daarom een nieuw beleid noodzakelijk is en vooral dat oude referentiekaders niet meer van deze tijd zouden zijn: één grote leugen.

“Met de zelfverzonnen term ‘creatieve industrieën’ wil men ons nu doen geloven dat er een heel nieuwe en vrolijke tijd is aangebroken, dat daarom een nieuw beleid noodzakelijk is en vooral dat oude referentiekaders niet meer van deze tijd zouden zijn: één grote leugen”

De toekomst: veelzijdige vermarkting

Het geroemde Nederlandse poldermodel inzake cultuurbeleid kan ook vandaag nog, na de kaalslag, een voorbeeld zijn. Maar dan om te leren uit de fouten die daar nu worden gemaakt. In hoog tempo verdwenen er dit jaar plotsklaps tal van organisaties, dikwijls samen met een kostbare traditie waar decennialang aan was gebouwd met veel inzet en gemeenschapsgeld.

Bij onze noorderburen heerst momenteel blijkbaar een algemene toestand van culturele amnesie: murwgeslagen door de saneringsklappen tracht men de verliezen zo snel mogelijk te vergeten. Doe-het-zelf-alzheimer: men wil nu vooral ‘pragmatisch’ zijn en vooruitkijken.

Nochtans voltrekt de grootste ravage zich net bij die organisaties die gespaard bleven. Sommige instituten behielden bijvoorbeeld wel hun naam en imago, maar werden vanwege de aderlatingen intern dermate hervormd dat het eigenlijk om andere organisaties gaat.

Sommige instituten veranderden ook zichtbaar aan de buitenkant. Via een doorstart in een nieuwe structuur of fusie werkt met zo aan de illusie dat wat goed functioneerde of waardevol was sowieso blijft voortbestaan.

Het belangrijkste: in vrijwel alle resterende organisaties zijn cultuurmanagers in overdrive om, in afwachting van nieuw onheil, de eigen werking alvast om te bouwen. Daarmee voltrekt het verknechten aan het markconformisme zich razendsnel en grotendeels onderhuids, met de noodzaak aan ‘zelfbestuur’ als excuus.

Onder het eufemisme ‘cultureel ondernemerschap in de 21ste eeuw’ slaat de vermarkting (die als een kwestie van gezonde realiteitszin, zelfs professionaliteit wordt verkocht) van alle kanten tegelijk toe.

Het gaat allang niet meer alleen om het vermarkten van het cultuurproduct als output (het numeriek verhogen van ‘de participatie’, de merchandising, commerciële koppelverkoop, cultuur als glijmiddel voor toerisme, horeca of middenstand, etc.).

De creatieve collaboratie voltrekt zich nu volop op andere vlakken. Ook de productie zelf wordt bijvoorbeeld vermarkt: de kunstliefhebber moet vandaag naast consument via crowdfunding ook aandeelhouder worden. Beleggen in dat wat de zich terugtrekkende overheid niet meer wil bekostigen, is al een tijdje dé nieuwe vorm van cultuurparticipatie.

“Beleggen in dat wat de zich terugtrekkende overheid niet meer wil bekostigen, is al een tijdje dé nieuwe vorm van cultuurparticipatie”

Daar is ook vraag naar, want vanwege het hoge risico en onvoldoende rendement zijn banken en beleggers niet happig op cultuurinvesteringen.

Het ideologische effect hiervan mag niet worden onderschat: deze vermarkting op maat van de sponsorende massa wordt als democratiseringsproces verkocht en stimuleert de misvatting dat betekenisvolle cultuur zich sowieso op een of andere manier kan beredderen via privé-initiatief.

Het zou zelfs wat overbodig is efficiënt wegfilteren. Kunst wordt zo een zaak van individueel en financieel ‘engagement’.

Ons neoliberaal cultuurbeleid

De vanzelfsprekendheid dat cultuureducatie vooral een publieke verantwoordelijkheid is, iets wat overigens ook heel wat liberale denkvaders zoals bijvoorbeeld Adam Smith benadrukten, wordt daarmee gaandeweg afgevoerd. Sterker nog: is het niet elitair, zelfs ‘asociaal’ om dit van ‘goed bestuur’ te verwachten? [1]

Verder is het in crisistijd blijkbaar noodzakelijk dat de waarde van het ‘instituut kunst’ rechtstreeks voor de economie wordt ingezet. Kunstenaars moeten geen kunst maken, maar zich via hun bekendheid of creatieve input ten dienste stellen van ondernemers.

Het symbolisch kapitaal van cultuurhuizen en erfgoed (de reputatie, creatieve strategieën, de publiekswerking, etc.) moet dienen voor de groei van Voka Vlaanderen.

Om dat te faciliteren, maakt de overheid, via riant gesubsidieerde ondernemersplatforms zoals Flanders DC of iMinds, wél opvallend veel middelen vrij. Afgaande op de marktgerichte propaganda die deze instituten met een overdaad aan communiqués verspreiden (waarin zij overigens massaal worden geholpen door steunpunten zoals BAM en gesubsidieerde nieuwsbrieven) maken ze zich vooral ‘nuttig’ als neoliberale Reichskulturkammern die de instrumentalisering (alsook de maatschappijkritische neutralisering) van kunst via het rolmodel van de kunstenaar-ondernemer en de copyright industry promoten.

Cultuur wordt dus opgevat als een grondstof voor de economie en moet opbrengen. Ook de bestaande cultuursubsidies dienen op termijn zoveel mogelijk omgeleid te worden naar ‘onderzoek en ontwikkeling’. Bedrijven kunnen deze O&O nog amper betalen en outsourcen dit daarom via de overheid naar ‘onderwijs’ en ‘cultuur’.

Privaat-publieke samenwerking zou daarom een must zijn, met een voorspelbaar resultaat: de collectivisering van schuld en risico’s, de privatisering van winst en prestige.

“Cultuur wordt dus opgevat als een grondstof voor de economie en moet opbrengen”

Ten slotte neemt ook in ideologisch opzicht de vermarkting van de cultuursector zelf toe. Kunstenaars worden aangepord zich als een sterk merk te profileren, grossierend in formats, een huisstijl en natuurlijk: kunst als koopwaar. Cultuurhuizen gedragen zich steeds meer als concurrerende bedrijven die gepreoccupeerd zijn met hun uitstraling, bekendheid en marktaandeel als instituut, waardoor de zorg voor kunstenaars opvallend dikwijls verwaarloosd wordt.

Zelfontbinding op kosten van de gemeenschap

Daarmee mag het duidelijk zijn dat de cultuursector zichzelf de das omdoet: opgejaagd door de schaduw van een saneringspolitiek en onder druk van nieuwrechtse politici (bijvoorbeeld Geert Wilders (PVV) en Bart De Wever (N-VA)) die de cultuursector voortdurend een kloof met de burger verwijten (hoewel de cultuurparticipatie alsook het aantal georganiseerde activiteiten jaar na jaar exponentieel stijgt), doet men er alles aan om zich zo marktconform mogelijk op te stellen.

Als liberale marketeers dan uithalen met het verwijt dat de overheid via de gesubsidieerde cultuursector aan regelrechte concurrentievervalsing doet, dan kan men hen op termijn nog moeilijk ongelijk geven. Waarom moet er immers gemeenschapsgeld gepompt worden in iets wat de markt ook aanbiedt?

“Waarom moet er immers gemeenschapsgeld gepompt worden in iets wat de markt ook aanbiedt?”

Kijk bijvoorbeeld naar de openbare omroep: door in de tijd van Siegfried Bracke diep te knielen voor de kijkcijferliturgie, steekt men vandaag inzake reclame, het aanbod in pulp en het gebrek aan onderzoeksjournalistiek of stichtende duiding, de commerciële zenders voortdurend naar de kroon.

De enige, flinterdunne verantwoording die dan nog rest, is onderstrepen dat men veel middelen uitbesteedt aan privaat initiatief en dus via het overpompen van overheidsmiddelen de economie wat mee draaiende houdt. 

Oppositie vanuit politiek en middenveld

Hoewel de cultuursector momenteel verstrikt zit in een verdeel-en-heerspolitiek en een partijpolitieke lobbycultuur die vooral de grote spelers vooruithelpt, is de situatie allesbehalve uitzichtloos. Want het ongenoegen is groot en het verzet zit klaar. Er staat dan ook bijzonder veel op het spel.

Als de juiste vonk overslaat – enkelen die het voortouw nemen en publieke bijval krijgen – is een fundamentele omslag in de huidige beleidscultuur misschien slechts een kwestie van tijd. Desondanks moet de strijd op meerdere fronten worden gevoerd.

Een eerste uitdaging bestaat erin een politiek draagvlak te vinden voor een cultuurbeleid dat de concurrentie met de markt durft aan te gaan. Afgaande op de verkiezingsstrijd in 2012 bleek echter niet alleen dat cultuur geen strijdpunt was, maar ook dat de traditionele partijen een vrij gelijklopend programma aanbieden (zie hier).

Een keuze tussen Pepsi en Cola, zeg maar, waarbij ook SP.A en Groen een marktondersteunend en marktcorrigerend cultuurbeleid vooropstelden, veeleer dan bijvoorbeeld het belang van de publieke sector te benadrukken, los van de markt, uitgaande van een analyse van wat de rol van kunst in onze maatschappij zou moeten zijn.

Het nieuwe Kunstendecreet werd overigens door regering en oppositie samen gekookt en omdat heel wat volk wat in de keuken mocht helpen, is er de verleiding om in een klein koortje te roepen dat er zeker géén haar in de soep zit.

De rol van oppositie werd verlaten, elk agonisme verdween. Zogezegd in het belang van de compromiscultuur, maar de ware reden is dat men verbazend genoeg geen reden meer zag om oppositie te voeren. De oppositierol wordt daarbij soms weggezet alsof het zou samenvallen met contraproductief obstructie voeren.

Groen overweegt evenwel een koerswijziging: Bart Caron verdedigt vandaag de stelling dat de creatieve industrie het maar zonder de publieke middelen uit het Kunstendecreet moet doen en dat het fout is de artistieke sector zover te drijven dat die commerciële technieken (o.a. fondsenwerving) moet ontwikkelen om rond te komen, omdat de overheid zich (deels) terugtrekt.

Dat stemt erg hoopvol, want ook na de verkiezingen van 2014 zal de PVDA te klein zijn om alleen voor een omslag in het cultuurbeleid te zorgen.

“Ook na de verkiezingen van 2014 zal de PVDA te klein zijn om alleen voor een omslag in het cultuurbeleid te zorgen”

Wat cultuurbeleid betreft, zijn de volgende verkiezingen voor ‘links’ dus een lakmoesproef: opteert men opnieuw voor een links-liberale of eerder een socialistische koers, i.e. een verdere ‘liberalisering’ of een consolidatie van onze publieke cultuursector?

Vakbonden aan zet

Een tweede cruciale uitdaging is de uitbouw van een overkoepelend middenveld, gesteund door politici. Bij de discussie die dit voorjaar over de onderwijshervormingen werd gevoerd, bijvoorbeeld, speelden de vakbonden een doorslaggevende rol. Zoiets is nu helaas ondenkbaar in de cultuursector.

Voor zover sprake van een cultuurmiddenveld, gaat het om gildes en belangenbehartigers van subsectoren die, los van hun nijpend gebrek aan daadkracht en de overtrokken focus op het eigen voortbestaan, simpelweg te klein en te corporatistisch zijn om het verschil te maken. Daardoor dreigt de trivialiteit, ondanks de goede intenties en menig symbolisch gebaar.

“Voor zover sprake van een cultuurmiddenveld, gaat het om gildes en belangenbehartigers van subsectoren die, los van hun nijpend gebrek aan daadkracht en de overtrokken focus op het eigen voortbestaan, simpelweg te klein en te corporatistisch zijn om het verschil te maken”

De vakbonden kampen daarentegen met de onderlinge verdeeldheid in politieke ‘kleuren’, en intern tussen vakcentrales die hun macht onderling meten in het aantal aangesloten leden (zowel in de private als publieke sector). Dat bemoeilijkt hun democratisch overlegmodel en vertraagt bijgevolg de opbouw van een tegenmacht via nieuwe formules waarbij de vakbonden opkomen voor de publieke organisaties op zich (los van hun werknemers).

Bijvoorbeeld door de oprichting van een gezamenlijk cultuurplatform waarbij verenigingen zich als organisatie kunnen aansluiten. Ook op dit punt is er hoop: via Rekto:Verso vernemen we dat er in Campo Gent in de debatreeks ‘4×4, Kiezen is een kunst’, een avond rond dit thema zal worden georganiseerd. Dat is al een begin.

Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof.

[1] Fundraising genereert ook een nieuwe ‘economie’ binnen de cultuursector: voor ‘slechts’ 750 euro inschrijvingsgeld kan men in december als gesubsidieerde cultuurmanager op cursus om zich te informeren over de nieuwste tools: http://www.iugte.com/projects/fundraising 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!