Arbeidsflexibiliteit nu en vroeger

Arbeidsflexibiliteit nu en vroeger

maandag 9 september 2013 09:45

Arbeidsflexibiliteit nu en vroeger

De laatste vijf jaar moet de samenleving een bombardement aan voorstellen betreffende arbeidsflexibiliteit ondergaan. Onze loonkosten zijn te hoog. We verliezen gestaag een relatief aandeel in de exportmarkten. Bedrijven weigeren te investeren in onze sectoren. Kortom, onze arbeidsmarkt is disfunctioneel en veroorzaakt problemen in de goederen- en kapitaalmarkten. Deze retoriek gericht tegen de naoorlogse welvaartstaat is niet nieuw. Omdat de huidige crisis in wezen niet nieuw is. Begin jaren 1970 is de gemiddelde winstvoet gevoelig gedaald. Het antwoord kwam in de vorm van een loskoppeling tussen arbeid- en kapitaalproductiviteit en de stagnatie van de relatieve lonen. Sindsdien moet het kapitaal ook minder bijdragen aan de collectieve voorzieningen.

De herschikking van de kaarten betreffende inkomensverdeling kreeg ook een staartje op de werkvloer. Het oude industriële model was gestoeld op een doorgedreven arbeidsdeling en deskilling van de arbeidstaken, terwijl een stabiele output was gewaarborgd door vaste tewerkstelling. Sociale vrede was tevens belangrijk, gewaarborgd door een overlegmodel tussen de staat en sociale partners.  

In de huidige newspeak is dit model achterhaald. Productie moet zich efficiënter afstellen tegenover de onzekerheden van de marktvraag. Het drukken van de productiekost vereist een just-in-time management. Het nieuwe axioma van optimale integratie van vraag en aanbod vereist een grotere precisie van de inzet van arbeid om overproductie te vermijden. De input van arbeid hangt af van de fluctuaties in de output. Met als gevolg een ondergebruik van de infrastructuur.

De huidige dominante gedachte aanziet arbeidsflexibiliteit als heilzaam middel om de gepercipieerde economische stilstand om te turnen naar de idee van creatieve groei. Het magische woord flexibiliteit staat synoniem aan een hoog innovatief antwoord op een slepend verleden vol gebrekkige onwetendheid. De huidige term flexibiliteit mag alleszins 30 kaarsjes uitblazen. Sinds begin jaren 1980 hebben arbeidseconomen en managementgoeroes ons een papierberg aan recepten voorgeschoteld. Volgens het nieuwe orthodoxe model zorgt loonrigiditeit voor marktinstabiliteit en werkloosheid. Verloning wordt gekoppeld aan de aanpassingsmogelijkheden van een bedrijf bij wisselende marktomstandigheden. Werkzekerheid wordt vervangen door de mogelijkheid tot snelle afvloeiing van personeel. Arbeid wordt ook een just-in-time waar net zoals het geleverd eindproduct.

Bedrijven opereren dan ook in een structuur van onderaannemingen en een kern aan vaste werknemers omringd door een bataljon aan onmiddellijk inzetbare interim-krachten. De wortel voor de veelal hoogopgeleide vaste staf bestaat uit de belofte dat technologische vernieuwingen meer autonomie en variatie van taken met zich meebrengen. Targets worden niet alleen opgelegd, targets zijn ook deel van de zingeving van arbeid. Functional flexibility, creative teamwork en quality of life programmes zijn hun deel. Geen nood aan antidepressiva! De onderaannemingen en losse laaggeschoolde krachten verkeren in een permanente staat van onzekerheid met weinig sociale rechten. Voor deze groep arbeiders wacht een hoger werkritme en een batterij aan controlemechanismen. Lichamelijke slijtage is niet meer dan een ingebeelde ziekte!

Het ideologisch offensief van arbeidsflexibiliteit in de jaren 1970 is niet bepaald nieuw. Een eeuw eerder verpakte het patronaat loonverlaging als een daad van benevolentie om niemand te hoeven ontslaan. Een stortvloed aan traktaten, verhandelingen en opiniestukken werden verspreid om dit idee te ondersteunen. Alleen “de verharde geest van het werkvolk” weigerde in te zien dat hogere lonen het gemeenschappelijke belang van arbeid en kapitaal ondermijnden. Tegelijkertijd “beletten hoogere eischen van loon de ondernemer de vereischte maatregelen te nemen”. Regulering van aantal arbeidsuren leidde tot de “belemmering van de opleiding en groote benadeling op financieel vlak”. Het vrij afdanken van het laaggeschoold personeel kende geen contractuele of ethische belemmeringen, vermits elke arbeider als KMO zijn arbeid aan de man bracht via het systeem van stukloon. Archaïsche taal, verdacht moderne vormen van flexibiliteit.

Helaas voor de huidige opiniemakers zou blijken dat een naoorlogs sociaal gereguleerd systeem  voor hogere groei en meer welvaart zou zorgen. Masahiko Aoki, economisch wonder aan Stanford University, bewees dat historisch gezien werkzekerheid en degelijk loon de integratie tussen de tegengestelde belangen van arbeiders en management bevorderde. Bovendien moet dit management andere methodes zoeken om competitief te blijven: snelle technologische toepassing van productietechnieken en doelmatige inzet van werknemers volgens leeftijd en kunde. Externe crisisschokken veroorzaakten niet een wilde paniek om af te slanken, omdat het bedrijf verplicht was een langetermijnvisie op na te houden.    

Arbeidsflexibiliteit: oude wijn in nieuwe zakken. Hoop op beterschap?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!