"Geen burgers voor militaire rechtbanken", eist deze betoger in Caïro op 2 september 2011. "Hoe dan ook heeft het Egyptische leger de aanval ingezet op de doelstellingen van de oorspronkelijke Egyptische revolutionaire beweging", schrijft Bill Fletcher, Jr. (foto: Connection e.V.).
Opinie, Midden-oosten, Nieuws, Afrika, Politiek, Democratie, Egypte, Tmd, Nationalisten, Burgeroorlog, President Hosni Moebarak, Moslimbroederschap, Egyptisch leger, Arabische lente, Islamisten, Koptische minderheid, Militaire staatsgreep, Bloedige repressie, President Mohamed Morsi, President Nasser, President Sadat, Bill Fletcher, Jr., The Progressive, Egyptische linkerzijde, Nationaal populisme, Anti-imperialistische beweging -

Wat je moet weten over de Egyptische crisis, maar de media je niet vertellen

Een van de meest saillante aspecten van de huidige crisis in Egypte is het antwoord hierop van de linkerzijde en progressieven in de VS (en in algemeen in het Westen). Niet dat er geen belangstelling is voor Egypte, maar men is kennelijk niet in staat in dialoog te treden met de Egyptische linkerzijde, die nochtans heel wat analyses van de situatie uitbracht. Alleen verschillen die analyses vaak sterk van de westerse inzichten.

donderdag 5 september 2013 14:50

De huidige politieke situatie in Egypte kan gerust tot de meest complexe en contradictorische van onze tijd gerekend worden, maar de zienswijze van de Egyptische linkerzijde en progressieven wordt in de VS grotendeels genegeerd. Of men beschouwt hen als spreekbuis van het leger, toen zij zich uitspraken tegen de regering-Morsi.

Om in de VS een beter beeld te krijgen van de complicaties en tragedies achter de onrust in Egypte, moeten we beseffen dat er bijna de hele 20ste eeuw een constante strijd woedde tussen twee zeer uiteenlopende ‘projecten’. Het zijn die botsende projecten, en de uitingen ervan, die de achtergrond uitmaken van de huidige situatie.

“Achter de onrust in Egypte: we moeten beseffen dat bijna de hele 20ste eeuw een constante strijd woedde tussen twee zeer uiteenlopende ‘projecten'”

Nationaal populisme versus islamisme

Met de Egyptische Revolutie van 1952, waarmee de monarchie werd omvergeworpen en Gamal Abdel Nasser president werd, ontstond een nieuwe stroming die de Egyptische marxistische theoreticus Samir Amin omschreef als een ‘nationaal-populistisch project’.

Het was gegroeid uit de Egyptische antimonarchistische, nationalistische beweging die al veel eerder was ontstaan als een nationalistisch initiatief voor progressieve verandering, met als doel de klassen en organisaties opzij te schuiven die door het kolonialisme waren gecompromitteerd.

Het was een progressieve, anti-imperialistische beweging, wat niet hetzelfde is als ‘socialisme’. In nationaal-populistische projecten zoals in Egypte onder Nasser bestond maar een heel beperkte politieke democratie, het kapitalisme als zodanig werd niet in vraag gesteld, en het veranderingsproces was het werk van een beperkte groep.

Hoewel Nasser door brede lagen van de bevolking werd gesteund, was er nauwelijks ruimte voor verandering van onderuit. Gelijkaardige veranderingsprocessen ontstonden in andere staten van het Zuiden zoals Irak, Syrië, Jemen, Soedan en veel later, Libië.

De politieke linkerzijde was doorgaans actief binnen die nationaal-populistische coalities, hoewel de relaties meestal erg gespannen waren. Zo had Nasser sterke banden met de Sovjet-Unie, maar keerde hij zich van tijd tot tijd tegen de eigen Egyptische linkerzijde.

Deze spanning leidde bij de hele Arabische linkerzijde tot voortdurende discussies en krachtmetingen over de vraag welke houding aan te nemen tegenover deze nationalistische leiders zoals Nasser in Egypte, of Qassem in Irak, die doorgingen voor anti-imperialisten, maar tegelijk binnenlandse hervormingen nauwelijks accepteerden of soms niet konden steunen.

Het resultaat: historische misrekeningen door de linkerzijde, met name in Irak en Soedan, waar de linkerzijde wel sterk stond, maar nauwelijks kritiek uitte op de nationalistische leiders.

Tegenover de nationaal-populistisch projecten stonden twee grote blokken. Het meest voor de hand liggende blok was extern, met name de imperiale belangen van het Noorden. Met de hulp van hun binnenlandse bondgenoten trachtten zij voortdurend elk onafhankelijk beleid te ondermijnen, en de nieuwe natiestaten terug te brengen tot neokolonies.

Het andere oppositieblok bestond uit elementen die men later islamisten is gaan noemen. Deze beweging is ontstaan in de 19de, begin 20ste eeuw, toen een intellectuele stroming opkwam die zich keerde tegen zowel het westerse imperialisme als het republikeinse nationalisme (en het imperialisme van het Ottomaanse Rijk).

De islamisten van de 21ste eeuw, onder leiding van organisaties zoals de Moslimbroederschap, hadden een totaal ander project: panislamitisch, en in wezen volstrekt reactionair. De beweging predikt de terugkeer van een mythisch soort kalifaat.

Binnen het islamitische kamp bestond, en bestaat, een hele waaier opinies en politieke tendensen, gaande van stromingen zoals de regerende islamitische partij in Turkije (Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling – een proneoliberale partij die binnen de Turkse republiek ageert) tot de klerikale fascisten van al-Qaeda.

Van meet af aan beschouwden de islamisten zich in staat van oorlog – letterlijk en figuurlijk – met het nationaal-populistisch project. In Egypte leidde dit tot een moordpoging op Nasser in de jaren vijftig, met als gevolg een groeiende repressie tegen de Moslimbroederschap.

“Van meet af aan beschouwden de islamisten zich in staat van oorlog – letterlijk en figuurlijk – met het nationaal-populistisch project”

Tijdens de Nasser-jaren was het Egyptisch militair establishment minstens in naam progressief-nationalistisch, en steunde het de regerende partij (de Arabische Socialistische Unie). Het onderschreef al die tijd een nationalistisch project, hoewel men nooit van een ‘volksleger’ kon spreken.

Met de dood van Nasser en de komst van Anwar al-Sadat veranderde alles. Sadat zette Egypte internationaal op een ander spoor: hij brak met de USSR, en keerde zich naar de VS. Het Egyptische politieke establishment werd omgevormd, en daartoe moest de linkerzijde gemarginaliseerd worden, of zelfs helemaal uitgeschakeld.

Men kan gerust stellen dat het Egyptische politiek establishment vanaf het Sadat-regime, en verder onder Moebarak, een bizarre politieke dans opende met de islamisten. Men beschouwde hen als een nuttig instrument tegen de Egyptische linkerzijde, die onder Sadat en Moebarak al zwaar had geleden onder de repressie.

Zodra de linkerzijde geneutraliseerd was, of wanneer de islamisten te sterk werden, keerde het Egyptische politiek establishment zich tegen hen. Toch was de repressie tegen de Moslimbroederschap vele malen zachter dan tegen de linkerzijde.

“Zodra de linkerzijde geneutraliseerd was, of wanneer de islamisten te sterk werden, keerde het Egyptische politiek establishment zich tegen hen”

Bovendien wist de Broederschap, deels vanwege de ‘dans’ met het establishment en deels door haar aanhang bij kleine middenstanders en ondernemers, voldoende middelen te vergaren om haar basisorganisatie intact te houden (met name de dienstverlening aan de armste bevolkingslagen).

We moeten hier wel meteen aan toevoegen dat de Moslimbroederschap misschien een organisatie van de Egyptische armen lijkt, maar dat de leiding afkomstig was uit de landadel in de Sadat-periode. In combinatie met haar machtsbasis bij kleine ondernemers zegt dit veel meer over haar politieke oriëntatie dan de sociale programma’s die zij verzorgt.

De vijand van mijn vijand is niet noodzakelijk mijn vriend

De gebeurtenissen van januari 2011 die leidden tot de omverwerping van het Moebarak-regime werden niet op gang gebracht door de formele politieke oppositie tegen Moebarak.

Ironisch genoeg nam de Moslimbroederschap, tenminste aanvankelijk, een zeer passieve houding aan in de beweging. De opstand was manifest niet-religieus van inspiratie. Een van de prachtigste episodes in de opstand van 2011 speelde zich af toen het Moebarak-regime moslims en Koptische christenen tegen elkaar probeerde op te zetten: de moslims kwamen de Kopten ter hulp en weigerden in de val van de provocateurs te trappen.

In de heftige periode van de revolutie van 2011 waren vele organisatoren een basisrecept van de strijd uit het oog verloren, eentje dat nochtans 500 jaar eerder al duidelijk was gemaakt door Machiavelli: een gedisciplineerde groep is uiteindelijk sterker dan een grote menigte. In het geval van 2011, werd het Moebarak-regime weliswaar omvergeworpen door de volkswil, terwijl het leger weigerde de volksbeweging te verpletteren.

Maar in de daarop volgende maanden wisten de islamisten toch de verkiezingen te winnen (al was de marge niet zeer groot), dankzij de efficiënte organisatie en structuur van de Moslimbroederschap. Het gebrek aan effectief organisatievermogen van de Egyptische linkse en progressieve krachten bleek een manifest nadeel, in vergelijking met de Moslimbroederschap, de salafisten, en uiteindelijk ook het leger.

“Het gebrek aan effectief organisatievermogen van de Egyptische linkse en progressieve krachten bleek een manifest nadeel, in vergelijking met de Moslimbroederschap, de salafisten, en uiteindelijk ook het leger”

Commentatoren in de Amerikaanse media betreuren geregeld de verbrokkeling van de anti-Moebarak-alliantie, maar dergelijke overwegingen missen meestal de historische context. De anti-Moebarak-alliantie was altijd al erg broos. Er stond geen duidelijke organisatie of eenvormige ideologie achter.

Er was geen nationaal democratisch front of nationaal bevrijdingsfront dat de oppositie verenigde en zich klaarmaakte om de macht over te nemen via een effectieve regering van nationale eenheid. De doelstellingen van de achterban van de anti-Moebarak-alliantie waren hopeloos uiteenlopend, hetgeen bijna meteen duidelijk werd toen Mohamed Morsi president werd.

In het centrum van deze maalstroom stond het Egyptische leger, goed gefinancierd en uitgerust, en vastbesloten om opnieuw een rol te spelen. Het Egyptische leger ziet zichzelf, tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het Turkse leger, als de erfgenaam en ‘behoeder’ van een bijzonder nationalistisch project. De militairen beschouwen zichzelf weliswaar als moslims, maar niet geïnteresseerd in de vestiging van een kalifaat.

“In het centrum van deze maalstroom stond het Egyptische leger, goed gefinancierd en uitgerust, en vastbesloten om opnieuw een rol te spelen”

Ze zijn naar rechts opgeschoven, van een leger in een nationaal-populistisch project naar een leger ten dienste van een neokoloniaal project (onder Sadat en Moebarak), maar hoe dan zien ze zichzelf als een pronationalistisch leger.

Nog een ander belangrijk kenmerk van het Egyptische leger: het is ook een economische organisatie, in zekere zin een staatsbourgeoisie of kapitalistische klasse. Het leger, of minstens toch de hogere officieren, controleren ondernemingen (zoals dat ook het geval is met het Chinese Volksbevrijdingsleger). Niet alleen dient en bedient het Egyptische leger andere elementen van de heersende elite, het speelt ook een onafhankelijke politieke en economische rol in de Egyptische machtsstructuur.

Morsi en de grote misrekening

Morsi en de Moslimbroederschap werden overmoedig door hun verkiezingssucces. Het komt wel vaker voor na een stembuszege: een onvermogen om het verkregen mandaat correct in te schatten. Men gaat op de duur geloven dat de overwinning het hele partijprogramma betreft. En dat is blijkbaar het geval geweest bij Morsi en de Broederschap.

In plaats van een bredere regeringscoalitie te smeden, gaf de regering-Morsi vele Egyptenaren het gevoel dat ze voor voldongen feiten werden geplaatst. Tijdens het jaar van de regering-Morsi voerde de Broederschap een neoliberale economische agenda, hoewel de opstand tegen Moebarak evenzeer een economische als een politieke revolte was.

En toen Koptische christenen werden aangevallen, kwam er van de regering-Morsi een weinig kordaat optreden. Er waren toenemende aanvallen op vrouwen – tot en met verkrachtingen – als middel van politieke repressie tegen het anti-Morsi-kamp.

“Tijdens het jaar van de regering-Morsi voerde de Broederschap een neoliberale economische agenda, hoewel de opstand tegen Moebarak evenzeer een economische als een politieke revolte was”

Wat voorts zelden het nieuws haalde, was de voortdurende onderdrukking van de arbeiders, en de ondermijning van vakbondsrechten. En tot overmaat van ramp voerde de regering-Morsi een autoritaire machtsgreep uit. Hoewel die nadien werd ongedaan gemaakt, raakten velen ervan overtuigd dat deze regering niet de minste democratische bedoelingen had.

Het is belangrijk deze aspecten te overwegen om een beter begrip te krijgen van enerzijds de factoren die hebben geleid tot de gebeurtenissen van juni 2013 (met als resultaat de verwijdering van Morsi), maar anderzijds ook van het feit dat de islamisten door een breed spectrum van de Egyptische progressieve krachten worden beschouwd als ‘fascistoïde’, zoal niet regelrecht als ‘fascistisch’.

Dit is een vaststelling die, ondanks de mogelijke implicaties ervan, vrijwel onopgemerkt is gebleven in de progressieve Amerikaanse media. Wellicht heeft een aantal mensen deze analyses nooit gehoord.

Maar misschien is het ook omdat dit soort beschuldigingen werd genegeerd: progressieven in de VS gebruiken de term ‘fascist’ vaak om elk soort ongewenst rechts politiek manoeuvre te kapittelen. Maar hoe dan ook is het fout dit niet onder ogen te zien, omdat we dan de latere gebeurtenissen en de reacties erop niet kunnen begrijpen.

Juni 2013: bijna-opstand, militaire coup, …

De gebeurtenissen van juni 2013 vormden de culminatie van een reeks kwesties en contradicties die de laatste twee jaar waren gegroeid (zelfs nog voor de regering-Morsi aan de macht kwam). De draagwijdte van een petitie van 25 miljoen mensen, met de eis tot vervroegde verkiezingen, werd in de VS nauwelijks beseft.

De nadruk werd meestal gelegd op het feit dat Morsi democratisch was verkozen, terwijl anderzijds toch ook miljoenen zijn vertrek eisten. Als dit in Latijns-Amerika was gebeurd tegen een duidelijke pro-VS-regering (en het is gebeurd!), dan is het zeer de vraag of het dan in progressieve en linkse middens in de VS even stil zou zijn gebleven. Hoe dan ook, miljoenen kwamen op de been om het einde van de regering-Morsi te eisen.

Morsi had waarschijnlijk een konijn uit zijn hoed kunnen te voorschijn toveren door een aantal concessies te doen aan de protestbeweging, maar de reactie van zijn regering was arrogant en afwijzend. Eerdere protesten tegen zijn regering waren beantwoord met repressie en het zag ernaar uit dat dit opnieuw het geval zou zijn.

De interventie door het Egyptisch leger was een klassiek ‘bonapartistisch’ manoeuvre. Er was een volksopstand tegen een fractie van het establishment (de islamisten), maar zonder collectieve organisatie of leiding. De islamisten waren bereid om via hun paramilitaire eenheden de volksbeweging te onderdrukken.

Het leger zag zijn kans schoon om de macht te grijpen, en dat is precies wat het deed. Hoewel vele Egyptische progressieven van oordeel waren of suggereerden dat het Egyptische leger ‘de wil van het volk’ respecteerde, is het waarschijnlijk juister om te stellen dat het Egyptische leger grote instabiliteit vreesde, met een machtsvacuüm dat de militaire top het beste kon invullen.

“Het leger zag zijn kans schoon om de macht te grijpen, en dat is precies wat het deed”

Hoewel het leger effectief enkele burgers aanstelde op belangrijke posten, had het van meet af aan duidelijk moeten zijn dat het leger ondanks de retoriek niet de intentie had om een stap opzij te zetten, tenminste niet in de nabije toekomst.

De Tiananmen-optie

Het lag voor de hand dat de omverwerping van Morsi op weerstand zou stuiten. Hoewel miljoenen op straat kwamen om zijn vertrek te eisen (onder wie ook enkele islamitische groepen), vormen de islamisten zelf ook een sterke machtsfactor in Egypte.

De pro-Morsi-protesten, vooral de tentenkampen, en het besef dat de pro-Morsi-krachten paramilitair getraind waren, stelden het leger voor een dilemma. Men had kunnen ijveren voor een regering van nationale eenheid, en verkiezingen voorbereiden, waarbij sommige elementen van de islamitische groepen bij het proces konden worden betrokken. Dat was blijkbaar het scenario waarvoor gepleit werd door diverse buitenlandse regeringen en adviseurs.

De andere optie is het scenario dat we kennen: een Tiananmen-achtige stormloop, zodat de Morsi-aanhangers zich niet opnieuw konden organiseren om zo de crisis te rekken.

De keuze voor het Tiananmen-scenario is allicht terug te voeren op zowel de ambitie van het leger om opnieuw de hegemonie te verwerven met een agenda van Egyptisch kapitalisme, als zijn conclusie dat men toch geen duurzame vrede kon bereiken met de Broederschap, gezien de decennialange spanningen en kleinschalige conflicten (meer bepaald militaire acties, uitgaande van beide zijden).

“De keuze voor het Tiananmen-scenario is allicht terug te voeren op zowel de ambitie van het leger om opnieuw de hegemonie te verwerven met een agenda van Egyptisch kapitalisme”

De stormloop was niet alleen barbaars, maar heeft ook het Egyptische leger gediskwalificeerd als factor van nationale eenheid. Het leger beweert de steun van het volk te hebben, en uit een aantal mediaberichten blijkt een zekere mate van volkssteun voor de stormloop, maar we kunnen op dit ogenblik niet uitmaken hoe ver die steun reikt.

Kortom, het Egyptische leger heeft, analoog met de situatie in de nasleep van de Franse opstanden van 1848, blijkbaar besloten dat het de lijnen moet uitzetten voor de toekomst van de (kapitalistische) ontwikkeling van Egypte. De civiele geledingen die normaal een dergelijk proces zouden leiden, zijn ofwel geabsorbeerd door de islamisten (hoewel die geen nationalistisch project hebben) of zijn verzwakt en gefragmenteerd.

Het leger speelt dan de rol van een politieke partij en wil de rekeningen vereffenen met zijn rivalen.

Of dit zal lukken, dan wel of Egypte afglijdt naar een burgeroorlog, is nu onzeker. Maar hoe dan ook heeft het Egyptische leger de aanval ingezet op de doelstellingen van de oorspronkelijke Egyptische revolutionaire beweging.

“Hoe dan ook heeft het Egyptische leger de aanval ingezet op de doelstellingen van de oorspronkelijke Egyptische revolutionaire beweging”

De kans om dit te keren, en Egypte opnieuw op het spoor van sociale rechtvaardigheid en democratie van de revolutie van 2011 te zetten, zal grotendeels afhangen van het vermogen van de Egyptische linkerzijde en progressieve krachten om een brede democratische alliantie te smeden en het leger te verdelen.

Implicaties

De gebeurtenissen in Egypte hebben een aantal implicaties die we wat nader moeten bekijken.

Ten eerste is het de belangrijkste taak van de linkerzijde in de VS om aan te dringen op niet-inmenging in de interne aangelegenheden van Egypte. Dit houdt de stopzetting van de Amerikaanse militaire assistentie in.

Hoewel het zeker denkbaar is dat progressieve krachten in het Egyptische leger aandrongen op een actieve interventie om Morsi aan de kant te schuiven, is dit nu een bijna overbodig debat geworden. De aard en omvang van deze stormloop gaan verder dan het verwijderen van een corrupte of tirannieke leider, en heeft meer weg van een zuivering die momenteel misschien op de islamisten is gericht, maar in de nabije toekomst net zo goed kan toegepast worden tegen progressieve tegenstanders van het leger.

“Een zuivering die momenteel misschien op de islamisten is gericht, maar in de nabije toekomst net zo goed kan toegepast worden tegen progressieve tegenstanders van het leger”

Ten tweede, en in tegenstelling tot de conclusies van professor Mahmood Mamdani van de Columbia University, die kort geleden suggereerde dat er veel gelijkenissen waren tussen de aanloop naar de genocide in Rwanda en de omstandigheden in Egypte, is wat we nu zien een heel ander soort strijd. Hier gaat het niet om een strijd tussen etnische groepen, maar om een – weliswaar onzuivere – strijd tussen twee projecten, tussen twee grote protagonisten binnen het spectrum van het kapitalisme.

In tegenstelling tot Rwanda of Darfur (Soedan) is dit een politiek conflict, dat weliswaar bloedig verloopt, maar wellicht meer lijkt de Algerijnse crisis die in de jaren 1990 leidde tot een burgeroorlog.

Ten derde is in het Zuiden opnieuw meer aandacht voor wat men ‘rechts anti-imperialisme’ zou kunnen noemen. Rechts populisme is in vele vormen opnieuw opgedoken in bijna de hele wereld. Maar in het Zuiden ontstaan politieke trends en organisaties met een heel apart kenmerk, ietwat analoog met het keizerlijke Japan ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, meer bepaald het listig gebruik van anti-westerse en anti-imperialistische retoriek om daarmee een afschuwelijk reactionaire agenda te promoten (bijvoorbeeld het terugschroeven van vrouwen- en vakbondsrechten; irrationalisme; intolerantie).

Het is van het grootste belang dat de progressieve linkerzijde in het Noorden waakzaam is voor deze ontwikkelingen, en dat men er niet van uitgaat dat een organisatie, individu of tendens progressief is, alleen omdat deze overhoop ligt met het wereldkapitalisme.

“Het is van het grootste belang dat de progressieve linkerzijde in het Noorden waakzaam is voor deze ontwikkelingen, en dat men er niet van uitgaat dat een organisatie, individu of tendens progressief is, alleen omdat deze overhoop ligt met het wereldkapitalisme”

Ten vierde, ook tegen verkozen regeringen kunnen opstanden ontstaan. Het feit dat een regering verkozen was, betekent niet dat zij haar mandaat om te regeren niet kan verspelen. De omstandigheden waarin zoiets gebeurt zijn volkomen onvoorspelbaar, maar in situaties waarin de massa’s beseffen dat er een machtsgreep gaande is, betekent het feit dat een regering democratisch is verkozen niet dat de linkerzijde en progressieve krachten afzijdig moeten blijven.

In het Egypte van juni 2013 groeide de eis om de revolutie van 2011 te voltooien. Het feit dat het leger tussenbeide kwam, doet niets af aan het legitieme karakter van die oorspronkelijke eis.

Ten vijfde, is het nog niet te laat om een politieke oplossing te zoeken voor het conflict. Zoals we op dit moment zien in Syrië, kunnen de omstandigheden een andere wending nemen dan oorspronkelijk was voorzien, en een optimale uitkomst misschien onmogelijk maken. Zowel het Egyptische leger als de Moslimbroederschap moeten de militaire optie verlaten.

Dit kan onoverkomelijk lijken – misschien verkiest men te ‘vechten tot de laatste snik’. Maar hier is ook een taak weggelegd voor de Egyptische volksbeweging, om zich op te stellen tégen zowel het leger als tégen de Moslimbroederschap.

Ten slotte, en daarmee is de cirkel rond, moeten wij in de VS meer aandacht schenken aan de visie van linkse en progressieve krachten in landen zoals Egypte, en geen voorbarige conclusies trekken.

“Wij moeten in de VS meer aandacht schenken aan de visie van linkse en progressieve krachten in landen zoals Egypte, en geen voorbarige conclusies trekken”

“De waarheid steunt op feiten”, wordt wel eens gezegd, maar ook de analyses van de plaatselijke groepen zijn van belang. Zij voeren immers de strijd. Misschien zijn we het niet altijd eens met hun conclusies – we hoeven die ook niet slaafs over te nemen. Maar laten we om te beginnen hun ervaring waarderen, en waar mogelijk een constructieve dialoog aangaan om zo onze eigen analyses te verrijken.

Zo niet zouden we objectief gezien een imperialistisch referentiekader hanteren, al is het dan rood of roze gekleurd.

Bill Fletcher, Jr.

Bill Fletcher, Jr. is als hoofdonderzoeker verbonden aan het Institute for Policy Studies, en was tot voor kort voorzitter van het TransAfrica Forum, columnist voor The Progressive en auteur van ‘They’re Bankrupting Us – And Twenty Other Myths about Unions’.

Het originele stuk verscheen op 24 augustus 2013 op de website van The Progressive: http://www.progressive.org/egyptian-crisis

(Vertaling uit het Engels door Roby Vandoren)

take down
the paywall
steun ons nu!