Nieuws, Europa, België, Europa, Besparingen, Analyse, Jeanineuropa - Daniel Zamora

Werklozen demoniseren als bezuinigingsexcuus

In grote delen van Europa pieken de werkloosheidscijfers, en voeren regeringen radicale bezuinigingsmaatregelen door. Daniel Zamora vraagt zich af waarom dat niet meer sociaal protest uitlokt.

vrijdag 19 juli 2013 13:39

Terwijl de werkloosheidsgraad in Europa een recordhoogte van 12% heeft bereikt, noemde Bart De Wever in een uitgebreid interview in De Standaard de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid niet langer relevant. De nieuwe breuklijn, zo zegt hij, loopt tussen productieven en niet-productieven. Voor De Wever is “de staat een monster dat geld opzuigt en uitspuwt. Wie brengt dat geld op? Mensen die toegevoegde waarde creëren. Wie consumeert dat geld? De niet-productieven, maar die zijn electoraal zo belangrijk geworden dat ze het staatsbestel continueren.”[i]

In Frankrijk diende de extreemrechtse politicus Jacques Bompard een wetsvoorstel in om van uitkeringsgerechtigde werklozen gratis arbeidskrachten te maken. Nieuw is die gedachte niet. Nicolas Sarkozy formuleerde al in zijn programma van 2007 dat wie een leefloon krijgt, een activiteit van algemeen belang moet uitoefenen. Zo zou iedereen aangemoedigd worden om een job te zoeken, in plaats van te teren op financiële bijstand. Iets gelijkaardigs zien we in Groot-Brittannië. Om een nieuwe hervorming van het sociale systeem te rechtvaardigen – gericht op het terugschroeven van werkloosheidsuitkeringen – betoogde David Cameron dat het huidige systeem voor sommige mensen “een keuze voor een bepaalde levensstijl is geworden”.

De veranderingen die deze politici voorstaan, moeten terug ‘rechtvaardigheid’ brengen in een systeem dat ‘harde werkers’ bestraft, en beloont wie geniet van zijn of haar ‘afhankelijkheid’. Dit discours is vandaag allesoverheersend. Het belichaamt in dit deel van de wereld een algemene neiging om ‘vroege opstaanders’ op te hemelen en tegenover ‘bijstandtrekkers’ te plaatsen. De ‘productieven’ tegenover de ‘niet-productieven’. Om zo de bezuinigingsmaatregelen en de groeiende ongelijkheid beter te legitimeren.

Het Duitse model

Die gedachte brengt ons bij het ‘Duitse model’, en meer bepaald bij de befaamde één-euro-jobs, waarbij langdurig werklozen moeten werken in het kader van het algemeen belang om in aanmerking te komen voor sociale bijstand. Dit model werd ontwikkeld onder de regering Schröder, tussen 2003 en 2005, en hangt samen met radicale aanpassingen op het vlak van werkgelegenheid: de Hartz-hervormingen. Het mikt op een diepgaande herstructurering van het sociale bijstands- en werkloosheidssysteem.

Door deze herstructurering van zowel de Duitse welvaartstaat als de arbeidsmarkt kunnen werklozen nu gedwongen worden een job te aanvaarden, zelfs als het loon ervan minder bedraagt dan een werkloosheidsuitkering – waardoor het aantal working poor exponentieel stijgt. Het Duitse model houdt het dus niet zomaar bij een politiek van loonmatiging. Het centrale kenmerk ervan is dat het net niet focust op de ‘vaste’ werknemers, maar op de ‘surnumerairs’ (nvdr: personen – vaak mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie – die worden tewerkgesteld naast het eigenlijke aantal werknemers, om zich in een dienst te bekwamen). Dat heeft de gehele arbeidsmarkt grondig gedestabiliseerd, zonder enige confrontatie met de best gesyndikeerde en meest strijdlustige arbeidssectoren.

Amper verontwaardiging

Deze hervormingen beperken zich niet tot Duitsland. Ze verspreiden zich overal in Europa. Eén vraag dringt zich daarbij op: hoe verklaren we de relatief passieve reactie van vakbonden en arbeidersbewegingen op de grondige veranderingen? In België stuitte de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen nauwelijks op protest. In Duitsland werden de radicale Hartz-hervormingen zelfs grotendeels gesteund door werknemersorganisaties. Hoe kunnen we die minimale mobilisatie van de ‘actieve’ werknemers verklaren, wanneer het lot van de ‘niet-actieven’ op het spel staat?

Het antwoord schuilt precies in de tweedeling van werknemers in ‘actieven’ en ‘niet-actieven’ sinds de werkloosheidstoename vanaf de jaren zeventig. Deze evolutie gaat sterk in tegen het beginsel van een populaire visie op de wereld: de scheiding tussen ‘zij’ (de bazen) en ‘wij’ (de arbeiders) – zoals Richard Hoggart zo goed heeft bestudeerd. Deze visie was geworteld in de dagelijkse ervaring van de arbeiders. Nog voor er sprake was van eender welke politieke praktijk, stond ze een culturele solidariteit tussen de werkende klassen toe. Het was deze visie die aan de basis lag van de doeltreffendheid van het linkse politieke discours.[ii]

Het uiteenvallen van de arbeidersmilieus heeft de solidariteit aanzienlijk uit evenwicht gebracht. Er kwam een nieuwe ‘zij’, een trapje onder de ‘wij’. Een deel van het ‘gewone volk’ kreeg zo het gevoel dat de ‘zij’ van boven niets doen aan het wangedrag van de ‘zij’ van beneden. In zijn studie over de arbeiderswereld schrijft Olivier Schwartz dat “we hier te maken hebben met een type gemeenzaam bewustzijn dat (…) zich tegelijk tegen de hoogsten en de laagsten richt”.[iii] Die dubbele gerichtheid zie je ook in het nieuwe profiel dat vele extreemrechtse bewegingen zich aanmeten om de stem van het gewone volk te winnen. Het lijkt zich te verzetten tegen ‘het systeem’ en ‘de elite’, terwijl het tegelijk die andere ‘zij’ aanvalt, die bestaat uit werklozen, migranten, sans-papiers of ‘bijstandtrekkers’. We mogen niet vergeten dat de politieke logica van links deze dynamiek niet hoort te versterken, maar net moet overstijgen. Zowel theoretisch als praktisch.

Nood aan solidariteit

Op een theoretisch niveau moeten we breken met de naoorlogse strekking die de focus op de arbeiderskwestie heeft vervangen door een problematiek van ‘uitsluiting’. Hoewel deze problematiek zich in elk land anders uit, gaat de kwestie van de ‘surnumerairs’ in alle mogelijke varianten (werklozen, mensen in armoede, migranten, outcasts …) het publieke en wetenschappelijke debat van de komende decennia domineren. We maken, zoals Xavier Vigna[iv] opmerkt, een verschuiving mee van “de kern van de arbeidswereld naar exclusie, naar de armen of de werkloosheid”. Paradoxaal genoeg heeft deze verschuiving bijgedragen aan het vormgeven van de tweedeling in het publieke debat. Wanneer de categorie van ‘werklozen’, ‘armen’, ‘kwetsbaren’ geïsoleerd wordt, verwijst ze niet langer naar ‘uitbuiting’ als deel van het economische bestel, maar naar machtsverhoudingen, naar situaties met een relatief sociaal, psychologisch of financieel gebrek.

Het is interessant om te kijken naar hoe Marx het probleem van zijn tijd verwoordde. Hij schrijft dat “het concept van de vrije arbeider een misdeelde arbeider impliceert: virtueel armoedig”. De notie van pauperisme (nvdr: algemene armoede als gevolg van maatschappelijke omstandigheden) beschouwt hij als “latent aanwezig in (de notie van) de loonarbeid”. Dit pauperisme is het tegenstrijdige resultaat van een en dezelfde ontwikkeling die “een onvermijdelijk verband creëert tussen de opeenstapeling van kapitaal en de opeenstapeling van ellende”.[v]

Fredric Jameson benadrukt trouwens dat we moeten uitgaan van de structuur van een productiewijze en dus van de structuur van de uitbuiting, en niet van haar directe of zichtbare vormen. Overheersing, en zelfs uitsluiting, is voor hem niet enkel “het resultaat van deze structuur, maar ook de manier waarop ze zich reproduceert”, en niet omgekeerd.[vi] Bijgevolg spoort hij ons aan om “werkloosheid te zien als een categorie van exploitatie”, en niet slechts als een ‘precair’ statuut of een situatie die losstaat van de uitbuiting.[vii]

Op een praktisch niveau moeten we constateren dat de organisaties die opkomen voor werklozen en mensen in armoede, deze problematiek al te vaak loskoppelen van de arbeidswereld. Nochtans faciliteert precies deze opdeling de hervormingen die zo meedogenloos zijn voor de ‘surnumerairs’ en zo weinig sociaal protest kennen. Deze onverschilligheid – en de soms conservatieve standpunten van de arbeidersklasse – tegenover ‘bijstandtrekkers’ zal de centrale inzet worden van de sociale bewegingen van de volgende jaren in de strijd tegen de bezuinigingen. Het slagen of falen van de komende sociale strijd zal afhangen van het vermogen van politieke en syndicale organisaties om te sensibiliseren. Om wat op het spel staat voor de ‘surnumerairs’ te verbinden met wat op het spel staat voor de ‘stabiele’ arbeidersklasse.

Al aan het begin van de industrialisatie merkte Marx op dat een cruciale fase van de sociale strijd precies ligt in het moment waarop de arbeiders “ontdekken dat de hevigheid van hun onderlinge concurrentie volledig afhangt van de druk van de surnumerairs”. Dit besef is nodig om “eendracht te bewerkstelligen en gezamenlijke acties te organiseren tussen de onderdrukten en de niet-onderdrukten”.[viii]

[i] De Standaard 2/2/2013. (http://www.standaard.be/cnt/dmf20130201_00454147)

[ii] Zie Robert Castel, La montée des incertitudes, Seuil, Parijs, 2009, p. 370-371.

[iii] Olivier Schwartz, Le monde privé des ouvriers, PUF, Parijs, 2002, p. 56.

[iv] Xavier Vigna, Histoire des ouvriers en France au XXe siècle, Perrin, Parijs, 2012, p. 282.

[v] Karl Marx, Oeuvres. Economie II, La Pléiade, Gallimard, Parijs, 1968, p. 255.

[vi] Fredric Jameson, Representing Capital, Verso, Londen, 2011, p. 150.

[vii] Ibid, p. 151.

[viii] Karl Marx, Oeuvres. Economie I, La Pléiade, Gallimard, Parijs, 1965, p. 1157.

Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Heleen Mercelis.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!