Hugo Claus - Een hommage
Nieuws, Cultuur, Recensie, Boekrecensie, Hugo claus, Marc didden -

Marc Didden over Hugo Claus: Tussen verwondering en bewondering

Vijf jaar na het overlijden van schrijver en rebel Hugo Claus, en dertig jaar na de publicatie van diens meesterwerk 'Het verdriet van België', schreef regisseur en journalist Marc Didden 'Een hommage aan Hugo Claus'. Geen biografie of auteursanalyse maar een liefdesbrief. Een persoonlijke ode die hij altijd had willen schrijven maar nooit op papier kreeg. Tot nu.

woensdag 17 juli 2013 11:00

De gulzig levende man van woorden Hugo Claus (1929-2008) is niet meer. Alzheimer beroofde Claus van zijn woorden en duwde hem richting dood. Maar vergeten is de veelzijdige kunstenaar – schrijver, dichter, regisseur, schilder – niet. Getuige de artikelen en boeken die verschenen om zijn overlijden vijf jaar geleden te herdenken.

Nu is er iets vreemds aan dit collectief eerbetoon. Het lijkt sterk te kaderen in het marketingdenken dat uitgevers en media aanzet om publicaties telkens weer te koppelen aan (vaak kunstmatige) evenementen. Want Vlaanderen en België lijken nog niet klaar om helder en kritisch terug te kijken op deze larger than life figuur, deze tegelijk uitzonderlijke kunstenaar en gewone man van vlees en bloed. De reden daarvoor is juist die moeilijk te vatten combinatie van het spirituele en het fysieke.

Op de ultieme biografie van Piet Piryns, de door Claus zelf aangezochte biograaf, is het nog wat wachten. Als ze er al komt. En de bijeengesprokkelde teksten en beelden van ‘De plicht van de dichter; Hugo Claus en de politiek’ (red. Kevin Absillis, Sarah Beeks, Kris Lemberechts & Georges Wildemeersch; De Bezige Bij, 2013, 349 pag.) laten heel wat blinde vlekken achter. Zoveel dat het beeld dat geschetst wordt, vertekend is.

Dat typeert natuurlijk het fenomeen Claus want ook met zijn populariteit was er iets vreemd aan de hand. Met de regelmaat van een klok schalden de loftrompetten, maar de naar een ‘publieke literatuur’ verlangende schrijver (die vooral “verstaanbaar weerstaanbaar” wilde zijn) kende niet de bijval die journalisten en vrienden hem toedichten.

De verkoop van zijn boeken daalde immers sterk in de laatste jaren van zijn leven en de omzet werd ook niet meteen de hoogte ingekrikt door zijn met veel media-aandacht gepaard gaande overlijden. De vloed aan herdenkingspublicaties lijkt eerder averechts te werken. In tijden dat mensen cultuur zelf willen ontdekken – in plaats van haar door de strot geramd te krijgen – wordt het pad naar aversie geplaveid met hommages.

Daarom is het nog niet zo slecht dat de rockster onder de narcisten – regisseur, journalist, schrijver en Humo-legende Marc Didden – hulde brengt aan het leven en werk van Hugo Claus door nadrukkelijk zichzelf en zijn liefde/bewondering voor Claus in beeld te brengen. Hoe onbescheiden en navelstaardiger ‘Hugo Claus, een hommage’ (De Bezige Bij, 2013, 126 pag.), soms ook is.

Door niet te focussen op de superlatieven maar op de man die de superlatieven hanteert, wordt het geheel minder een promotietekst of een academische les. We kijken naar een man wiens enorme bewondering omsloeg in een verlammende verwondering. Waardoor de auteur en zijn onderwerp zoveel menselijker worden. En er geen boodschap zich lijkt op te dringen.

Didden schrijft dingen die je kan verwachten in een ode. “Een groot schrijver met het charisma van een rockster,” lezen we als omschrijving van Claus, “een Vlaming die Vlaanderen niet nodig had om te zijn wie hij was”. En Claus en Jacques Brel waren “twee Vlaamse Reuzen die uit de moeilijke relatie met hun heimat weliswaar prachtige liederen, gedichten en romans gesmeed hadden, maar daarvoor door het moederland soms met de nek werden aangekeken”.

Clichés die eerder tot geeuwen aanzetten. Maar gelukkig zijn de getuigenissen genietbaarder. Zo vertelt Didden over hoe hij, tijdens het voorbereidingsproces van de opvoering van ‘De vossenjacht’ in Amsterdam, het voorrecht had “als een vlieg op de muur vele dagen lang van tien tot vier getuige te mogen zijn van hoe een groot schrijver ook een groot theatermaker kon zijn”. Diddens observaties zeggen daarbij meer over het talent van Claus dan menige universitaire studie.

Hetzelfde geldt voor de dankwoorden die Didden rechtstreeks aan Claus richt. “Je hebt me namelijk ook geleerd, beste Hugo, dat serieuze mensen het niet altijd over serieuze dingen hoeven te hebben en dat artiesten op feestjes even weinig over kunst spreken als bankiers dat doen over geld”. Bijna een taboe-uitspraak gezien de ernst die steeds met Claus verbonden wordt (zie ook het politieke imago dat ‘De plicht van de dichter’ Claus wat geforceerd wil aanmeten, terwijl humor, fantasie en speelsheid juist sleutels zijn voor zijn oeuvre.

Sporadisch ontwaakt de journalist in Didden en wil hij ook duiden en oordelen. Gelukkig gebeurt dit gevat.  ‘Vrijdag’ roept een portie verwondering op: “Hoe je de ziel van de versplinterde twintigste-eeuwse mens kon vatten, de pijn van het zijn, het permanente menselijke drama, dat er altijd over gaat dat een man en een vrouw niet samen kunnen leven en ook niet apart”.

Via een oud Humo-vraaggesprek laat Didden ook Claus zelf aan het woord en dat levert interessante uitspraken op. Zoals “ik heb in mijn hele leven niet één realistisch toneelstuk geschreven. Ik bedien me van het realisme als een stijlmiddel, dat ik de volgende keer dan weer helemaal verlaat”.

En over het verschil tussen toneel en film: “Theaterdialoog moet de verbeelding van de mensen aanwakkeren door het woord, door wat je probeert te formuleren. In een film moet je die verbeelding stimuleren. Je moet dus opletten als je iets vertelt wat ook aangevuld wordt, of tegengesproken, of verminderd door je beeld. Je moet niet dubbel werken en alles wat je laat zien ook nog eens laten zeggen. Je moet dus meer elementaire taal gebruiken”.

Over zichzelf zegt Claus “ik ben geen schrijver, ik ben iemand die toevallig ook schrijft. Ik wil geen schrijversleven leiden, ik wil alleen maar goeie boeken schrijven”. Persoonlijk hoeven die goeie boeken niet te zijn: “ik ben niet een van die mensen die naar zijn diepste ik delft. Soms kom ik mezelf wel eens tegen in wat ik schrijf, maar dat schrap ik dan heel gauw”. Al verraadt hij zich soms en “duik ik op in de gedaante van een twaalfjarige, kromme, eenogige dwerg”.

‘Hugo Claus, een hommage’ waagt zich niet aan het wikken en wegen van het oeuvre van Claus. Dat laat Didden over aan de geschiedenis. “Wat later Kunst zal worden, wordt niet door ons bepaald,” zegt Claus, “dat doet de geschiedenis voor ons. Kleine walsjes die langs de neus gecomponeerd zijn, blijken later veel belangrijker te zijn dan grote symfonieën”.

Wat Didden wel doet is vragen stellen: “Ik vraag me soms af, Hugo, wat er gebeurd zou zijn als jij nooit één letter geschreven zou hebben en jij je creativiteit en daarbij behorende gedachtenwereld alleen op ons overgebracht zou hebben via de schilderkunst”. Het antwoord blijft uit: “het is natuurlijk koffiedik kijken op olympisch niveau hoe jouw en ons leven dan verlopen zou zijn”. Maar onbeantwoorde vragen zijn interessanter dan met stelligheid geponeerde halve waarheden of hele leugens.

‘Hugo Claus, een hommage’ is te koop in onze shop.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!