Het monument voor de martelaars van de strijd voor onafhankelijkheid in Algerije, of maqam e-shahid (Foto: Open Democracy)
Opinie, Nieuws, Afrika, Samenleving, Politiek, Islam, Algerije, Fundamentalisme, Moorden op intellectuelen -

Algerije twintig jaar later: woorden sterven niet

Dit jaar is het twintig jaar geleden dat de oorlog plaatsvond van Algerijnse jihadisten tegen de intellectuelen die strijd voerden tegen fundamentalisme in Algerije, in de jaren 90. Karima Bennoune brengt een ode aan degenen die hier slachtoffer van werden: "De gebeurtenissen moeten ons eraan herinneren dat mensen met een moslimachtergrond altijd de meest frequente doelwitten van moslimfundamentalisten zijn geweest – alsook hun belangrijkste tegenstanders"

vrijdag 12 juli 2013 15:33

Mijn vader, Algerijns antropoloog Mahfoud Bennoune, noemde deze systematische moorden op intellectuelen door de fundamentalistische gewapende groepen van Algerije in de jaren 90 genocide. Ik, toen student rechten, legde hem uit dat de VN Genocide Conventie geen politieke of sociale groepen beschermt. Maar in mijn onderzoek naar de niet aflatende aanvallen op intelligentsia van Algerije die begin 1993 begonnen, leerde ik begrijpen waarom mijn vader de term ‘genocide’ gebruikte.

Het was inderdaad een poging van radicale islamisten die strijden tegen de Algerijnse staat, om de cultuur van het Noord-Afrikaanse land weg te drukken en degenen die deze cultuur vormden uit te roeien. Het was, zoals de Algerijnse schrijver en artiest Mustapha Benfodil het beschrijft, een “intellectocide”. Benfodil, wiens meest recente installatie ‘Headless’ deze moorden herdenkt, beweert het volgende: “nooit, bij mijn weten, zijn zoveel intellectuelen in zo een korte tijd vermoord”.

Op 26 mei 1993 werd een van Algerije’s grootste schrijvers, Tahar Djaout, neergeschoten terwijl hij zijn appartement in Bainem verliet, een westerse buitenwijk van de hoofdstad Algiers waar ik als kind woonde. Het land duizelde.

Djaout, een Berber die in het Frans schreef en wiskunde studeerde, die verschillende boeken en poëziebundels had geschreven, die de publicatie Ruptures oprichtte, en die een eloquente criticus van zowel de regering van het land als van zijn wrede fundamentalisten was, stierf een week later na een coma.

“Algiers denkt aan het lichaam in haar handen”, schreef J.E.B. op 31 mei in een gedicht dat in Ruptures gepubliceerd werd. Tijdens deze zeven dagen wachtten we om te zien of Djaout, en wijzelf, wakker zou worden uit deze nieuwe nachtmerrie. Dat deed hij niet, en het land zou dat niet doen gedurende tien lange jaren. “Tahar werd vermoord door de inquisitie”, verkondigde een kop in Ruptures na zijn dood op 2 juni.

Deze tragedie werd recent herdacht door een sombere conferentie in Algiers, georganiseerd door de krant El Watan (De Natie) op 1 juni, getiteld ‘Presence(s) of Djaout’ (Omar Belhouchet, hoofd van El Watan, overleefde zelf een poging tot moord in 1993 door de Gewapende Islamitische Groep (GIA)).

Zoals de dichter Amine Khene zei in de herdenkingsconferentie, was de moord op Tahar Djaout “een moord op Algerije en zijn toekomst. Djaout behoorde tot de minderheid van intellectuelen die de kern van een democratisch alternatief had kunnen vormen”.

Uitvoering van een vonnis

In 1993, dertien dagen na het overlijden van Djaout, kwam een van Afrikas meest vooraanstaande psychiaters, de geleerde Dr. Mahfoud Boucebsi, nog een speler in een potentieel “democratisch alternatief”, in het vizier van obscurante moordenaars. In de voormiddag van dinsdag 15 juni 1993 werd de 57-jarige vice-voorzitter van de Internationale Organisatie voor Kinder- en Adolescentenpsychiatrie neergestoken bij de ingang van zijn ziekenhuis in Algiers.

Boucebci schreef baanbrekende werken over alleenstaande moeders, en won de Maghrebprijs voor de Geneeskunde. In een interview in 1991 beschreef hij de fundamentalistische overname van het Mustapha Ziekenhuis in Algiers: “Ik voelde oneindige pijn bij het zien van deze jonge mannen die dachten dat ze machtig waren, opeens hoge bazen werden en dokters konden commanderen en vernederen”.

Anouar Haddam, de weerzinwekkende woordvoerder van Algerijes Islamitisch Verlossingsfront (FIS) die asiel kreeg in de Verenigde Staten, zei dat de moord op Boucebsi “geen misdaad was maar de uitvoering van een vonnis”.

Het volgende theocratische “vonnis” werd een week later uitgevoerd in de voormiddag van dinsdag 22 juni, twintig jaar geleden. Mohamed Boukhobza, 52 jaar, een prominente socioloog en de directeur van het Nationaal Instituut voor Wereldwijde Strategische Studies, werd vastgebonden en de keel doorgesneden voor het oog van zijn dochter in de Telemly-wijk in Algiers. Die dag kwam ik thuis bij mijn vader en zag hem woedender dan ik ooit gezien had over de moord op zijn voormalig collega aan de universiteit.

Op dinsdag 29 juni 1993, precies een week later, werd ik wakker van een onophoudelijk gebons op de stevige metalen voordeur die mijn vader recent had geïnstalleerd. Toentertijd, zoals El Watan het later beschreef, “werd elke dinsdag een wetenschapper geraakt door een kogel van fundamentalistische moordenaars”.

Mahfoud Bennoune was een politiek uitgesproken professor wiens antropologieles – waarin hij het lef had om Darwin te onderwijzen – al bezocht was door het hoofd van de FIS, die hem ervan beschuldigde een aanhanger van het ‘biologisme’ te zijn totdat – zoals een voormalig student in die les me recent had verteld – mijn vader hem buitensmeet.

Op 29 juni 1993 wilde degene die op onze deur bonsde noch zichzelf identificeren, noch vertrekken. Mijn vader probeerde herhaaldelijk om de politie aan de telefoon te krijgen. Het politiebureau nam niet eens op, wellicht uit eigen angst voor de toename van gewapend extremisme dat al de levens van vele Algerijnse agenten had geëist. We hadden echter geluk die dag.

De ongewenste en onbekende bezoekers gingen uiteindelijk uit zichzelf weg. We hebben nooit geweten waarom, of wie ze precies waren. Een paar maanden later kwam er iemand terug, die een briefje op de keukentafel achterliet: “Beschouw jezelf als dood”. De bezoeker schreef “dood aan” voor onze naam op de brievenbus.

Vervolgens plaatsten Algerijnse fundamentalisten de naam van Mahfoud Bennoune op de lijst van degenen die vermoord zouden worden in door extremisten gecontroleerde moskeeën in Algiers, tezamen met de namen van vele anderen – journalisten, intellectuelen, vakbondsmensen, vrouwenrechtenactivisten.

Ze zouden nog meer van mijn vaders collega’s vermoorden, zijn vrienden en familie, en 200.000 Algerijnen in wat bekend kwam te staan als ‘het donkere decennium’. Ongeacht hoe vreselijk de situatie werd, de internationale gemeenschap heeft de gebeurtenissen vooral genegeerd. De wereld zou al deze slachtoffers van fundamentalisme voor zichzelf laten zorgen.

Uiteindelijk zou mijn vader gedwongen worden om zijn appartement te ontvluchten en om lesgeven op de universiteit op te geven. Dat was wanneer ik begreep dat de strijd tegen moslimfundamentalisme en terrorisme gevoerd door talloze mensen met een moslimachtergrond in vele landen, een van de belangrijkste – en meest over het hoofd geziene – mensenrechtengevechten in de wereld is. Helaas is dit nu, twintig jaar later, nog meer waar.

Algerijes 1984

De intellectuelen die het eerst vermoord werden door extremisten in Algerije, waren vooral degenen die het snelst en duidelijk de aard van het beestje begrepen. Mijn vaders vriend Salah Chouaki, een linkse schoolinspecteur en gewaardeerde onderwijshervormer, waarschuwde in een van zijn laatste artikelen die hij publiceerde voor hij werd neergeschoten op 14 september 1994 door de GIA, dat “de gevaarlijkste en dodelijkste illusie.. is om fundamentalisme te onderschatten, de dodelijke vijand van ons volk”.

Het laatste boek van Tahar Djaout, De Laatste Zomer van de Rede – Algerijes ‘1984’ –, dat gepubliceerd werd na zijn dood, beschrijft de opkomst van extremisme in griezelig detail, en verbeeldt hoe het land eruit zou zien als de fundamentalisten overnamen – via verkiezingen of met brute kracht.

In de theocratische hel van Djaout worden vrouwen die onfatsoenlijk gekleed zijn gepakt via wegblokkades. Jonge mannen worden gehersenspoeld en opgezet tegen hun meer liberale vaders. Gedachten worden afgestompt, families vernietigd. Maar sommigen weigeren om zich over te geven.

De held van het boek, Boualem Yekker – wiens familienaam ‘stond op’ of ‘werd wakker’ betekent in Tamazight (Berber) – is een vrijdenkende boekenverkoper. Zoals Djaour Yekker beschreef, “[hij] was een van die mensen die besloten om weerstand te bieden, die zich bewust waren dat wanneer de massa tegen hen erin slaagde angst te verspreiden en stilte op te leggen, ze gewonnen zouden hebben”.

Djaout zelf, Boucebsi, Boukhobza, Chouaki en vele van de andere geviseerde intellectuelen waren zoals Boualem Yekker, en de moorden op hen waren bedoeld om hun verzet te verdrukken, en om de uitdrukking ervan het zwijgen op te leggen.

Anderen bleven echter weerstand bieden. Zelfs nadat mijn vader uit zijn huis gedreven was, bleef hij in het land, en ging verder met het publiceren van krachtige kritiek op zowel de gewapende fundamentalisten als de regering waar zij tegen vechtten.

In een driedelige serie geplaatst in El Watan in november 1994, genaamd ‘Hoe fundamentalisme een terrorisme zonder precedenten produceerde’, veroordeelde hij de “radicale breuk met de ware islam zoals die door onze voorouders werd beleefd” van de terroristen.

De linkse vrouwengroep RAFD (weiger) ontstond na de begrafenis van een van de vermoorde wetenschappers; haar leden kwamen de straat op met hun hoofden onbedekt, met foto’s van de doden en schietschijven van stof dragend uit protest. Hun filosofie was zoals die van Djaout: “Als je je uitspreekt, zullen ze je vermoorden. Als je stil blijft, zullen ze je vermoorden. Dus spreek je uit, en sterf”.

Geen internationale steun

Degenen die de intellectuele strijd voerden tegen fundamentalisme in Algerije begin jaren 90, die zich uitspraken en stierven – of leefden – ontvingen bijna geen internationale steun. Algerijnse psychologe en voorvechtster van vrouwenrechten Cherifa Bouatta zegt dat er nog steeds enorme woede is op degenen die internationaal de bondgenoten van de progressieve anti-fundamentalisten hadden kunnen zijn, maar dat niet waren: “Niemand zei ‘we staan aan jullie kant’ ”.

Bovendien hadden regeringen zoals die van de VS en Groot-Brittannië de zaken enkel erger gemaakt door geld in de anti-Sovjet jihad te pompen in Afghanistan. Dit had direct effect op Algerije; de ergste moordenaars in het jaren 90-conflict stonden bekend als ‘Afghanen’, vanwege hun ervaring als buitenlandse strijders in die ‘jihad’.

De Algerijnse staat moordde ook, maar in veel kleinere aantallen, gebruikte wijdverspreide marteling tegen terreurverdachten, en liet maar liefst 8.000 mensen verdwijnen, maar het conflict in de jaren 90 ging bovenal over de fundamentalistische aanval op de Algerijnse maatschappij. Daarenboven waren de intellectuelen die het doelwit werden van fundamentalistische gewapende groepen sterk onafhankelijke figuren, die kritiek leverden op zowel de staat als het extremisme.

De golf van fundamentalistisch bloedvergieten bij intellectuelen begon in maart 1993 met het neerschieten van Djilali Liabes, een socioloog en voormalig minister van Onderwijs, door mijn vader beschreven als “een van de meest toegewijde leraren van zijn generatie”, het neersteken van de dokter die romanschrijver werd Laadi Flici, en de moord op politiek wetenschapper Hafid Senhadri.

Na de slachting in juni van Djaout en de anderen, begon een langdurige golf van moorden op journalisten en persmedewerkers in augustus 1993 met het ombrengen van de Arabische sprekende televisieverslaggever Rabah Zenati. In de daaropvolgende jaren werden hoofdredacteurs zoals Omar Ouartilane die de in Arabisch geschreven krant El Khabar leidde, prominente columnisten zoals de onvervangbare Saïd Mekbel, journalisten zoals Naima Hamaouda van Révolution Normal 0 Africaine, en zelfs technisch personeel zoals redacteur van Le Soir d’Algérie Yasmine Drissi, allen ‘geëlimineerd’.

FIS-woordvoerder Anouar Haddam vertelde de Franse krant Libération openlijk dat ze aan hun “broeder-jihadisten” hadden gesuggereerd om zich onder andere op journalisten te richten. Toen moorden niet voldoende werden geacht om het lastige journaille uit te roeien, bliezen de Islamisten herhaaldelijk krantenredacties op, waarbij mensen als cultuurredacteur van Le Soir Allaoua Aït Mebarek en columnist Mohamed Dorbane, die net klaar was met inkopen doen voor een Ramadan avondmaaltijd, werden gedood.

In totaal zijn er 100 persmedewerkers, inclusief 60 journalisten, vermoord door fundamentalistische gewapende groepen tussen 1993 en 1997, volgens het toepasselijk getitelde boek ‘Rode Inkt’ van Ahmed Ancer van El Watan.

Vele journalisten moesten hun huis verlaten als gevolg. Rachida Hammadi, 32, een gewaardeerde correspondente die ik bij een Ramadandiner ontmoette op haar onderduikadres, ging naar huis om met haar familie te zijn voor een avond.

Toen ze bij zonsondergang het onderduikadres verliet op 20 maart 1995, werd ze opgewacht door een auto vol met gewapende fundamentalisten. Een van hen opende het vuur met een automatisch wapen. Zijn kogels raakten Rachida en haar zus Meriem, die haar probeerde te beschermen. Beiden stierven in het ziekenhuis.

Veel beroepscategoriën

De aanval van fundamentalistische gewapende groepen op kennis en intellectuelen raakte veel beroepscategoriën. Ze vermoordden advocaten als Leila Kheddar, die thuis werd neergeschoten voor het oog van haar familie, en voorzitter van Human Rights League Youssef Fathallah, die de kogel kreeg in zijn kantoor.

Ze vermoordden rechters als Lakhdar Rouaz en zelfs rechtenstudenten die weigerden met hun studie te stoppen, zoals de 22-jarige Amel Zenoune-Zouani. Ze vermoordden economen als Abderrahmane Fardeheb, leraren (vaak voor de klas) als de 33-jarige Abdelaziz Chelighem, en directrices van vrouwenscholen als Meziane Zhor, 54 jaar oud. Ze slachtten studentes als Naima Kar Ali, 19 en Raziqa Meloudjemi, 18, af, die het lef hadden geen hoofddoek te dragen.

Ze schakelden Algerijes belangrijkste gebarentaalspecialist Nacer Ouari uit, die net terug was gekeerd van de pelgrimstocht naar Mekka, en de meest vooraanstaande kinderarts van het land, activist tegen marteling Dr. Djilali Belkhenchir.

Ze waren interdisciplinair in het vermoorden van zowel de directeur van de School voor de Fijne Kunsten Ahmed Asselah als Salah Djebaïli, de rector van de Faculteit voor de Wetenschap, in de lente van 1994. Kort voor zijn dood zei Djabaïli: “Nu is exact het moment om de problemen te herkennen en om dingen anders te doen. Het is nu of nooit, er mogen geen taboes meer zijn”.

Zoals Amel, de dochter van professor Fardeheb, schreef over haar vermoorde vader in een pleidooi om deze moorden niet te vergeten: “Weten ze hoeveel jij van je land hield? Weten ze dat je het beste wilde voor de jeugd van Algerije?”. Mensen van dit niveau van opleiding, vaardigheid, belofte en toewijding te vermoorden in een ontwikkelend land dat slechts 30 jaar onafhankelijk is – veel meer mensen dan in dit artikel vernoemd kunnen worden – staat gelijk aan het land zelf te vermoorden.

Ongeveer 71.500 afgestudeerden aan de universiteit zijn geweten de fundamentalistische slachtpartijen te hebben ontvlucht tussen 1992 en 1996 alleen al, een brain drain waarvan de consequenties nu nog voelbaar zijn. Hoewel het veel grotere aantal moorden op gewone mensen in Algerije ook herdacht moet worden, en iedereen even belangrijk is naar menselijke maatstaven, zetten de moorden op intellectuelen het mes op de keel van de gehele maatschappij. Elke moord had veel, heel veel, slachtoffers.

Om de intellectuelen die twee decennia geleden ten prooi vielen aan fundamentalisme in Algerije te eren, moeten we luisteren naar de Boualem Yekkers van vandaag en ze steunen – of tenminste opmerken. Ze zijn er nog steeds, van Afghanistan via Mali naar het Taksimplein in Turkije, vreedzaam opstaand tegen extremisme, vaak alleen en zonder internationale steun of publiciteit. Ze gaan door met het uitspreken van hun gedachten, soms op straffe van de dood.

In Noordwest-Pakistan zijn in het laatste decennium duizenden intellectuelen en politieke activisten vermoord door militanten, een patroon van vernietiging dat bij lange na niet de ophef bij progressieven in het Westen uitlokt zoals die ontstond over aanvallen door drones.

Ik denk aan Zarteef Afridi, een leraar in Jamrud, Kyber Agency (nvdr: een van de acht stammenregio’s in Pakistan), die campagne voerde voor stemrecht voor vrouwen van stammen en die ouderenraden organiseerde tegen terrorisme, en werd neergeschoten terwijl hij naar zijn school liep op 8 december 2011. Zoals zijn vriend Salman Rashid over hem schreef: “Hij stond voor de bevrijding van de menselijke ziel door onderwijs en verlichting”.

Zelfs Tunesië, de geboorteplaats van de Arabische Lente, heeft nu de eerste fundamentalistische moord op een intellectueel meegemaakt: de linkse advocaat Chokri Belaid die neergehaald werd in februari van dit jaar, een man die zoals de eerdere Algerijnse martelaars het gevaar zag dat de opkomende Islam vormde voor zijn land, en zijn medeburgers aansprak om zich te verzetten.

Ode

Ik schrijf dit artikel om een ode te brengen aan degenen die vielen in de oorlog tegen cultuur van de Algerijnse jihadisten twintig jaar geleden, en om aan hun families te zeggen, en hun collega’s die doorgaan met hun werk, dat progressieven op andere plekken hen niet zullen vergeten.

Hoewel mannen en vrouwen neergeschoten worden, sterven woorden niet, en ik blijf elke dag van hun woorden leren. Ze hebben ons geleerd dat men volledig helder en eenduidig moet zijn in kritiek op extreem-rechts, waar men ook woont, en dat degenen die ertegen vechten enkel gewapend met een pen of stem steun nodig hebben.

“Degenen die tegen ons vechten met een pen moeten sterven door het zwaard”, beval Algerijes Gewapende Islamitische Groep in 1992, volgens het boek ‘Rode Inkt’. “Pen tegen Kalashnikov. Is er een ongelijkere strijd?”, vroeg Ghania Oukazi zich af op de de avond dat haar krantenredactie gebombardeerd werd door de GIA in Algiers, in 1996.

Zij en haar collega-journalisten waren door de restanten van het gebouw gekropen om de kranten van de volgende dag ondanks alles buiten te krijgen. Zoals haar ondertekende stuk in die heroïsche editie van 12 februari 1996 concludeerde: “Een ding is zeker: de pen zal niet ophouden…”.

Deze moed vereist solidariteit en verdient opgemerkt te worden. “Je opoffering zal zinloos zijn geweest”, schreef Cherifa Kheddar onlangs in een open brief aan haar zus Leila, advocate, die vermoord werd door de GIA zeventien jaar geleden, op 24 juni 1996, “als we geen moment nemen om de herinnering aan jou te eren, en daarbij ook je opoffering voor een modern Algerije dat vooruit gaat in plaats van achteruit”.

Vandaag, twintig jaar later, is er een dringende nood om te herinneren – en te leren van – wat er gebeurde in het donkere decennium van Algerije. Op de allereerste plaats moeten deze gebeurtenissen ons eraan herinneren dat de mensen met een moslimachtergrond – vooral degenen aan de linkerzijde – altijd de meest frequente doelwitten van moslimfundamentalisten zijn geweest – alsook hun belangrijkste tegenstanders.

Fundamentalisme is nu in opkomst, van Jemen tot Tunesië en verder. Een Tunesische universiteitsprofessor die altijd erg uitgesproken was, vertelde me recent hoe bang ze is sinds de moord op Belaid, en hoe ze haar dagelijkse routines heeft aangepast om zichzelf te beschermen. De ervaring van Algerije zou vandaag als een waarschuwing moeten dienen voor hoe gevaarlijk zulke ontwikkelingen zijn, en helpen om de beste manier te vinden om het gevaar te bestrijden.

In een artikel getiteld ‘Een compromis met politieke islam is onmogelijk’ – dat net zo relevant is op dit moment als toen het werd geschreven in 1993, een jaar voor de moord op de auteur – legde Salah Chouaki uit dat “de beste manier om de islam te beschermen is om het buiten bereik van alle politieke manipulatie te houden… De beste manier om de moderne staat te beschermen is om het buiten bereik van alle uitbuiting door religie voor politieke doelen te houden”.

Wat er twintig jaar geleden in Algerije gebeurde laat zien dat de uitdaging voor locale culturen en manieren van leven geboden door fundamentalisme in feite existentieel is. Het is geen toeval dat de laatste woorden van Tahar Djaouts laatste werk een vraag stellen: “Zal er nog een lente komen?”.

Karima Bennoune

Karima Bennoune is een professor in de rechten aan de universiteit van Californië, Davis School of Law, voormalig juridisch adviseur van Amnesty International, en auteur van het boek Your Fatwa Does Not Apply Here: Untold Stories from the Fight Against Muslim Fundamentalism, dat in de loop van dit jaar verschijnt.

De vertaling van deze tekst is verzorgd door Leonie Hogervorst.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!