Foto: Ng Sauw Tjhoi
Nieuws, Corruptie, China, Tmd, UNDP, Groeilanden, Sociale onrust, Analyse, China armoedebestrijding, Mileniumdoelen, Kloof tussen arm en rijk, Sociale situatie china -

Tikt een sociale tijdbom in China?

In Brazilië, Turkije en Egypte komen jongeren en middeninkomens massaal en langdurig op straat. In India gebeurde hetzelfde naar aanleiding van een verkrachting. Is China binnenkort aan de beurt? Marc Vandepitte maakt een grondige analyse van de sociale situatie in het land.*

woensdag 3 juli 2013 12:27

Industrialiseren is geen pretje

“Het heden in China wijzigt constant
en bovendien steeds sneller.
Een Europeaan zou 400 jaar moeten leven
om zo’n ingrijpende verandering te kunnen ervaren.”

Yu Hua, romanschrijver[1]
 

Tussen realiteit en perceptie gaapt vaak een brede kloof. Dat is zeker het geval voor China. Het minste wat je over dat land kan zeggen, is dat het in het Westen een serieus imagoprobleem heeft. Wanneer de mainstream media berichten over de sociale situatie in China, dan is dat gewoonlijk allesbehalve flatterend. Favoriete onderwerpen zijn rampen, gaande van treinaccidenten tot ingestorte gebouwen, allerhande schandalen zoals voedselvergiftigingen en mijnaccidenten, verschrikkelijke werkomstandigheden, enorme milieuproblemen, sociale onrust, verplichte abortussen, een baby die terechtkomt in de wc-afvoer, enzovoort, enzovoort.

Berichtgeving in de kapitalistische wereld zoekt spektakel en focust vaak op het negatieve. Ook andere landen, vooral uit het Zuiden, worden doorgaans in een slecht daglicht gesteld. Maar in het geval van China, in contrast met bijvoorbeeld India, is de bashing overheersend en systematisch, als het al niet georganiseerd is.

De industrialisatie in West-Europa was een brutaal en zeer ingrijpend proces. Het creëerde ongeziene sociale en ecologische problemen. In China gaat het om vijf keer zoveel mensen en om een proces dat vier keer zo snel gaat.[2] Deze moderniseringsspurt kan dan ook niet anders dan reusachtige problemen en uitdagingen met zich meebrengen. Het zou onverstandig zijn dit te ontkennen of te minimaliseren. Zo bijvoorbeeld eist de psychische en existentiële ontwrichting als gevolg van deze historische turbulentie een zware tol. Volgens het prestigieus medisch tijdschrift Lancet lijdt één op acht Chinezen aan een mentale ziekte.[3] De zelfmoordcijfers in China behoren tot de hoogste van de wereld.[4]

De industrialisatie in China gaat om vijf keer zoveel mensen en om een proces dat vier keer zo snel gaat.

Maar in het licht van onze eigen industrialisering of de actuele modernisering in de rest van de Derde Wereld, en de daarmee gepaard gaande problemen, is het nodig om de zaken in een juist perspectief te plaatsen. Dat is wat we in het eerste deel van dit artikel zullen doen. In het tweede deel staan we stil bij een drietal belangrijke uitdagingen.

1. Globale situatie (in ware proporties) 

“Veel ontwikkelingslanden zouden een moord begaan
om China’s problemen te mogen hebben”.

Financial Times[5]

1.1 Grote verschillen

China is een natiestaat, maar eigenlijk is het een land met de proporties en de diversiteit van een groot continent. Er wonen evenveel inwoners als in West-Europa, Oost-Europa, de Arabische landen, Rusland en Centraal-Azië samen. Bovendien heeft het dezelfde verschillen qua levensstandaard als de opgesomde regio’s. In de kustprovincies hebben de bewoners een gemiddeld inkomen vergelijkbaar met Roemenië. Sommige deelgewesten komen daar zelfs in de buurt van België of Frankrijk. In het centrum van het land hebben ze een levensstandaard te vergelijken met Albanië en in het westen, toch nog met een bevolking van meer dan 200 miljoen, zakt dat peil tot op het niveau van Egypte.[6] In China kan je soms op een afstand van 100 km ook honderd jaar reizen in de tijd. En dan hebben we het nog niet over de meer dan vijftig etniëen en tientallen talen.
 

DeWereldMorgen.be

China is dus allesbehalve een homogeen land, het is eigenlijk een geheel van heel sterk verschillende deelgebieden. Net zoals ‘de’ Euraziaat niet bestaat, zo bestaat ‘de’ Chinees niet echt. Veralgemenen is dan ook volkomen uit den boze.

In China kan je soms op een afstand van 100 km ook honderd jaar reizen in de tijd.

1.2 Derde Wereld

Binnen China zijn er regio’s die de vergelijking met de rijke landen best kunnen doorstaan. Maar als we het land in zijn geheel beschouwen, dan is het tot nader order een derdewereldland. Om een land zo te benoemen worden doorgaans drie criteria gehanteerd: de Human Development Index (HDI), het bnp per inwoner en het gemiddeld salaris. De drie criteria laten er geen twijfel over bestaan dat China nog steeds een ‘ontwikkelingsland’ land is.

Als je naar de HDI kijkt, dan staat het land op de 104[de] plaats op een totaal van 186 landen. Dat is beduidend hoger dan Afrika, maar toch noch onder Latijns-Amerika. Voor het bnp per capita staat het op de 91[ste] plaats. Het bnp per inwoner van België is negen maal hoger dan dat van China[7] en de gemiddelde lonen zijn ook negen maal zo hoog.[8]

DeWereldMorgen.be

Het heeft dan ook weinig zin om China te vergelijken met de landen van het Noorden. Nochtans gebeurt dit constant. China wordt bekeken door een Westerse bril en afgemeten aan de prestaties van rijke landen. Dat is alsof je de sportieve prestaties van een beginnende amateur zou afmeten aan die van een geoefende topatleet. Als je China wil vergelijken, dan moet dit gebeuren met vergelijkbare landen, d.w.z. met landen uit het Zuiden. Dat doen we in de volgende paragraaf.

1.3 Vergelijking met vergelijkbare landen

Om de sociale situatie van China in kaart te brengen gebruiken we een aantal criteria die indicatief zijn voor een minimale sociale ontwikkeling: huisvesting, infrastructuur en meer bepaald elektriciteit, geweld, voedselzekerheid, geletterdheid, kindersterfte, armoede, arbeid en de situatie van kinderen en vrouwen.

Huisvesting
Een van de opvallendste littekens van de landen uit het Zuiden, zijn de sloppenwijken (mega-bidonvilles). In steden als Manilla, Mumbai, Lagos, Buenos Aires, … leven miljoenen en miljoenen mensen op elkaar gepakt in mensonwaardige omstandigheden. Geen spoor daarvan in China. Dit is het gevolg van het veelbesproken hukousysteem.[9] Tussen 2005 en 2015 zullen naar schatting een derde van alle Chinezen een nieuwe woning betrekken. Dat is bijna zoveel als de gehele bevolking van Europa.[10]

In steden als Manilla, Mumbai, Lagos, Buenos Aires, … leven miljoenen en miljoenen mensen op elkaar gepakt in mensonwaardige omstandigheden. Geen spoor daarvan in China.

Elektriciteit
Zonder elektriciteit geen koelkast, verlichting, ventilatoren, televisie, wasmachine en andere huishoudtoestellen. Ongeveer 27% van de mensen uit de ontwikkelingslanden moet het nochtans stellen zonder deze elementaire voorziening. In China geldt dat voor 0,6%.[11]

Geweld
De meeste landen uit het Zuiden worden geplaagd door een hoge graad van geweld. Op dat vlak scoort China uitstekend. De rijke landen hebben dubbel zoveel moorden per inwoner als China. In Azië is dat vier tot zes maal zoveel en in Latijns-Amerika zelfs twintig maal zoveel.[12] Een gelijkaardig beeld bij het aantal vermoordde journalisten. Europeanen kunnen op dat vlak maar beter bescheidenheid tonen.[13]

DeWereldMorgen.be

DeWereldMorgen.be

Voedselzekerheid
In China kampt nog 5,5% van de bevolking met ondervoeding. Het aantal neemt gestaag af. In India daarentegen gaat het over 24%. Daar is het aantal hongerende mensen de afgelopen tien jaar zelfs opnieuw toegenomen met bijna een vijfde.[14]

DeWereldMorgen.be

Kindersterfte, analfabetisme en armoede
De kindersterfte geeft misschien nog het best de sociale ontwikkeling van een land weer, omdat in deze indicator een hele reeks factoren samenkomen: gezondheidszorg, voeding en drinkbaar water, scholingsgraad moeder, huisvesting, hygiëne. Op dit vlak scoort China beduidend beter. In Pakistan sterven 5 maal zoveel kinderen en in India 3,5 maal zo veel.[15] Het analfabetisme is in India zes maal hoger en in Pakistan zeven maal. Het percentage extreem armen is in Pakistan ongeveer 2 maal zo hoog en in India 3 maal.[16]

In Pakistan sterven 5 maal zoveel kinderen en in India 3,5 maal zo veel.UNDP, Human Development Report 2013, p. 167-8. Het analfabetisme is in India zes maal hoger en in Pakistan zeven maal.

DeWereldMorgen.be

Arbeid
De arbeidsomstandigheden zijn in China verre van ideaal, meer in het bijzonder voor de 150 miljoen interne migranten. Maar opnieuw is het goed om deze kwestie af te meten aan de situatie in de regio en in andere derdewereldlanden.

Een grote, zoniet de grootste kwaal voor werkers is informele arbeid. Die biedt niet de minste rechtszekerheid of sociale zekerheid, maar gegarandeerd een bijzonder laag en onzeker inkomen. Op dat vlak doet China het beduidend beter dan de landen van de regio.[17] Er moet bovendien aan toegevoegd worden dat de informele arbeid in China in veel gevallen semi-formele arbeid betreft, met een zekere vorm van rechtszekerheid en sociale zekerheid.[18]

DeWereldMorgen.be

Dit jaar is het doel om collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten in 80% van de bedrijven waar een vakbond is.[19] In de meeste grote bedrijven, ook die met buitenlands kapitaal, is er een vakbondsvertegenwoordiging. Wereldwijd werken slechts 15% van de arbeiders onder een CAO.[19]

Tot voor kort stond China bekend als een land met zeer lage lonen. Dat is verleden tijd. In 2009 was het Chinese minimumloon ongeveer het dubbele van het Indische.[21] Het gemiddelde loon was er viermaal hoger dan in Vietnam, driemaal hoger dan in de Filippijnen, tweemaal zo hoog als in Indonesië en anderhalve keer het gemiddelde loon van Thailand.[22]

Tot voor kort stond China bekend als een land met zeer lage lonen. Dat is verleden tijd.

DeWereldMorgen.be

Kinderen
In China tref je geen massa’s bedelende kinderen aan die een vast onderdeel zijn van het straatbeeld in veel derdewereldsteden. De kinderarbeid is er zo goed als uitgeroeid. Op dit terrein schuift de Internationale Arbeidsorganisatie China en Brazilië naar voor als modellanden.[23] Dat staat in schril contrast met India bijvoorbeeld, waar 17 miljoen kinderen niet ontsnappen aan kinderarbeid en 1,2 miljoen niet aan kinderprostitutie.[24]

Vrouwen
Een fatsoenlijke job in het leven is niet alles, maar voor vrouwen vaak een basisvoorwaarde voor emancipatie en financiële autonomie. In China heeft 70% van de vrouwen een job of zoekt er een, in India is dat slechts een kwart. 81% van de gediplomeerde vrouwen in China heeft in job tegenover 34% in India.[25] In de rest van Azië verschilt de situatie niet zoveel van India.[26]

1.4 Evolutie

Dat is de situatie op dit moment. Maar in het geval van China evolueert de situatie razendsnel. Vooreerst op het vlak van de economie. Een jaarlijkse groei van 10% betekent een verdubbeling om de zeven jaar en dus 4 maal zo groot na 14 jaar, 8 maal na 21 jaar en 16 maal na 28 jaar. Tussen 1980 en 2015 zal het bnp per inwoner in Brazilië gegroeid zijn met ongeveer 50%, in India met 300% en in China met 1850%.[27]

Bij het begin van de Chinese revolutie was China een van de armste en achterlijkste landen ter wereld. Het bnp per inwoner was de helft van zwart Afrika en een zesde van Latijns-Amerika. Met die cijfers voor ogen is het niet moeilijk te begrijpen waarom ‘rijk worden’ zo een obsessie is voor de Chinezen. Ze komen werkelijk van heel ver. Zestig jaar later is die situatie drastisch veranderd. China zit nu op het niveau van Latijns-Amerika en heeft Afrika ver achter zich gelaten.

DeWereldMorgen.be

DeWereldMorgen.be

Economische groei vertaalt zich in veel landen niet in (een evenredige) vermindering van armoede. In China is dat wel het geval. De verschillen met twee andere BRIC landen springen in het oog.[28]

DeWereldMorgen.be

De afgelopen twintig jaar was er wereldwijd een sterke afname van de extreme armoede ($1,25). Die was echter voor het overgroot gedeelte te danken aan de inspanningen van China op dat vlak.[29] Een dergelijke massale uitroeiing van de armoede als in China is in elk geval ongezien in de wereldgeschiedenis.

Een dergelijke massale uitroeiing van de armoede als in China is in elk geval ongezien in de wereldgeschiedenis.

DeWereldMorgen.be

Die sterke terugloop van armoede is vooral het gevolg van de stijgende lonen. Momenteel verdubbelt het loon in China om de zes jaar.[30] Geen enkel land komt hier in de buurt. China is zijn statuut van lagelonenland in snel tempo aan het verliezen. Een mooie illustratie hiervan is die loonevolutie vergeleken met die van Mexico.[31] Vooral de snelheid waarmee dit gebeurt in combinatie met het bijzonder groot aantal werknemers waarover het gaat, is verbazingwekkend.

DeWereldMorgen.be

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat het aantal middeninkomens in China heel sterk is gestegen. Op twintig jaar tijd zijn er ongeveer 800 miljoen Chinezen in de categorie van ‘middeninkomens’ ($2-13) terechtgekomen. Dat is zowat de hele bevolking van zwart Afrika en bijna vier maal zoveel als in India.[32]

DeWereldMorgen.be

De gemiddelde Chinees heeft zeker nog niet onze levensstandaard. Maar aan dat groeitempo is dit een kwestie van tijd en zelfs van niet al teveel tijd. Indien we de groei van bnp per inwoner van de periode 1970-2004 extrapoleren, dan halen de Chinezen ons binnen de 25 jaar in.[33] Op dat moment zal China inderdaad geen derdewereldland meer zijn. Als gevolg van de huidige crisis kan dat moment zelfs vroeger bereikt worden. Omgekeerd kan een ‘groeivertraging’ van de Chinese economie tot 7% per jaar, dat tijdstip met ongeveer tien jaar vertragen.

 

DeWereldMorgen.be

De versnelde toename van het bnp per inwoner ging in China ook gepaard met een snelle toename van zijn Human Development Index (HDI). Die index meet de sociale vooruitgang van een land. De afgelopen dertig jaar was de toename van de HDI van China de hoogste van de hele wereld, driemaal zoveel als het wereldgemiddelde.[34]

De afgelopen dertig jaar was de toename van de HDI van China de hoogste van de hele wereld.

DeWereldMorgen.be

China zal vervroegd de meeste van de millenniumdoelstellingen halen. Een VN-rapport schrijft daarover het volgende: “Globaal genomen heeft China grote vooruitgang geboekt in het bereiken van de millenniumdoelstellingen. De meeste doelstellingen zijn zeven jaar op voorhand bereikt of overschreden. Het gaat over armoede, honger, analfabetisme en kindersterfte. China is ook op weg om de moedersterfte te verlagen en om HIV, aids en tuberculose onder controle te brengen, met goede hoop om de MDG doelstellingen tegen 2015 te bereiken.”[35]

2. Belangrijke uitdagingen

“Een van de grootste bedreigingen voor ons welzijn in de 21ste eeuw
is het falen van China
, niet zijn succes.”
Ian Bremmer[36]

2.1 Groeiende sociale onrust

Je kunt er onmogelijk om heen, in China neemt de sociale onrust snel toe, of minstens de uitingen ervan. In 2002 waren er ongeveer 40.000 betogingen of sociale conflicten. In 2010 waren dat er al 180.000.[37] Alleen al in de parelrivierdelta (provincie Guangdong) zijn er 10.000 conflicten per jaar.[38] De redenen daarvoor zijn divers: slechte arbeidsomstandigheden, milieuvervuiling, corruptie, interne migranten die niet of te laat worden uitbetaald, boeren die hun land kwijtspelen en niet of veel te weinig worden vergoed, enz.

Zoals we hierboven zagen is de groep middeninkomens exponentieel toegenomen. Deze groep heeft grotere verwachtingen, stelt meer eisen dan voorheen en stelt zich ook assertiever op. Het groter aantal manifestaties wordt bovendien in de hand gewerkt door de nieuwe sociale media. Pogingen om die te censureren werken maar gedeeltelijk.

Opvallend is wel dat die manifestaties in de regel spontaan zijn en altijd gaan over lokale problemen, met uitzondering van nationalistische oprispingen tegen Japan.[39] Ze richten zich m.a.w. niet tegen de overheid in Beijing en tasten de legitimiteit van de communistische partij en de nationale leiding niet aan. Cross-nationale opiniepeilingen tonen aan dat de tevredenheid van de bevolking alsook het vertrouwen in de regering met kop en schouders (blijven) uitsteken boven het gemiddelde van de wereld.[40]

Cross-nationale opiniepeilingen tonen aan dat de tevredenheid van de bevolking alsook het vertrouwen in de regering met kop en schouders (blijven) uitsteken boven het gemiddelde van de wereld.

DeWereldMorgen.be

DeWereldMorgen.be

Het stijgend aantal straatprotesten is niet zozeer een bedreiging voor het bestel maar kan zelfs eerder als een teken van normalisering beschouwd worden. The Economist merkt laconiek op: “Bijna altijd worden ze [de protesten] aangewakkerd door lokale grieven in plaats van antipathie tegen het bewind van de partij. Door deze onrust lijkt China in bepaalde opzichten een stuk meer op een normaal ontwikkelingsland dan het strikt gecontroleerde systeem dat het was tot in de vroege jaren negentig. Kleinschalige protesten in Chinese steden komen steeds vaker voor. Tot voor enkele jaren zouden die de door orde geobsedeerde kaders met afschuw vervuld hebben.”[41]

Toch reageert de overheid nog regelmatig overspannen op maatschappelijke onrust en uitingen van protest. Dat bleek bijvoorbeeld naar aanleiding van de Arabische lente in 2011. Elke manifestatie, hoe klein ook, werd toen met veel machtsvertoon in de kiem gesmoord.[42] Deze nervositeit kadert in de wijdverbreide en cultureel diep verankerde afkeer voor snelle verandering en de associatie ervan met chaos. De ingrijpende sociale veranderingen in de vijftig jaar vóór de communisten aan de macht kwamen en in de periode onder Mao (Grote Sprong Voorwaarts en Culturele Revolutie), waren traumatisch en werden niet als een vooruitgang ervaren. Ook de gebeurtenissen van Tienanmen in 1989 hebben diepe sporen nagelaten.[43]

De ingrijpende sociale veranderingen in de vijftig jaar vóór de communisten aan de macht kwamen en in de periode onder Mao (Grote Sprong Voorwaarts en Culturele Revolutie), waren traumatisch en werden niet als een vooruitgang ervaren.

De conflicten op de werkvloer zijn van een andere orde en vormen op termijn een grotere bedreiging. In het verleden was de vakbonden niet veel meer dan een transmissieriem van het management en de partij. Zolang de overheid de werkgever was, was die situatie misschien niet ideaal, maar wel hanteerbaar. Nu een toenemend aantal ondernemingen in privéhanden is en de winstlogica ook de overheidsbedrijven heeft veroverd, is die situatie niet langer houdbaar. Voorbije sociale conflicten en stakingen voltrokken zich naast en zelfs tegen de officiële vakbond. Dat is een gevaarlijke situatie. Zowel de partij als de officiële vakbond hebben dit begrepen. De vakbond moet in de toekomst meer autonomie verwerven en de belangen van de werknemers rechtstreeks kunnen verdedigen, zonder inmenging van bovenaf. Er wordt nu geëxperimenteerd met rechtstreekse verkiezingen van de vakbondsleiders door de arbeiders. Dat gebeurde voor het eerst in mei 2012 in een filiaal van Panasonic en het werd overgedaan in het bedrijf Foxconn in februari 2013. Het ging daar wel over een groep van 1,2 miljoen arbeiders.[44] De toekomst zal uitwijzen of die experimenten ver genoeg gaan om de sociale rust op de werkvloer in de toekomst te verzekeren.

De vakbond moet in de toekomst meer autonomie verwerven en de belangen van de werknemers rechtstreeks kunnen verdedigen.

2.2 De kloof tussen rijk en arm

En ander opvallend aspect van de Chinese moderniseringsspurt is de toegenomen kloof tussen rijk en arm. De bewoners van de kustprovincies verdienen meer dan het dubbele van de inlanders en de consumptie van een boer is minder dan een vierde dan die van een stadsbewoner.[45] In de grafiek hieronder zie je de evolutie van de laatste twintig jaar.[46]

DeWereldMorgen.be

Tussen 1990 en 2010 werd de kloof steeds groter. Maar – en het is een grote maar – in tegenstelling tot wat je in de meeste landen aantreft, gaat de verrijking van de ene niet ten koste van de andere. In China profiteert de hele bevolking van de toegenomen welvaart, zij het niet in gelijke mate. De afgelopen dertig jaar is het reële inkomen van de boeren meer dan vervijfvoudigd.[47] Dat is ronduit spectaculair en de 2,5 miljard boeren die ontwikkelingslanden leven kunnen daar alleen maar van dromen.  

In China profiteert de hele bevolking van de toegenomen welvaart, zij het niet in gelijke mate.

Om de kloof te becijferen wordt meestal de Gini-coëfficiënt gebruikt. Maar het is heel de vraag of die coëfficiënt wel zo geschikt is. In het algemeen gesproken hebben grotere landen een hogere Gini-coëfficiënt omwille van de grotere diversiteit qua natuurlijke rijkdommen en qua toegankelijkheid tot de wereldmarkt. Etnisch meer heterogene landen hebben ook een hogere score dan homogene landen. Daarnaast hebben landen met een laag- en midden inkomen in de regel een hogere coëfficiënt dan landen met een hoog inkomen.[48] Bovendien verschilt de wijze waarop de coëfficiënt wordt berekend vaak van land tot land. Officieel is China’s Gini-coëfficiënt 0,48 en die van India 0,33. Maar die van China meet de ongelijkheid op het vlak van het inkomen, terwijl die van India die van de consumptie meet. Indien de coëfficiënt van India op dezelfde wijze als die van China wordt berekend, dan kom je uit op 0,54, een stuk hoger dan China en in de buurt van Brazilië.[49] België heeft een coëfficiënt van 0,26 en Frankrijk 0,29. Maar als je alle inkomens meetelt, d.w.z. ook die uit vermogens en kapitaal, dan stijgen de coëfficiënten resp. naar 0,41 en 0,43.[50] De Gini-coëfficiënt is m.a.w. weinig betrouwbaar om te vergelijken tussen landen maar wel nuttig om de evolutie van een bepaald land te bekijken.[51]

De toegenomen kloof is vooral het gevolg van het gegeven dat de productiviteit in de industrie en dienstensector veel sneller steeg dan in de landbouw. Dat is geen ijzeren economische wet, maar een politieke keuze van de Chinese overheid. Hoewel, veel keuze was er eigenlijk niet. De afgelopen dertig jaren was een groeivoet van 10% nodig om jaarlijks minstens 10 miljoen jobs te creëren. Indien de productiviteit in de landbouw aan hetzelfde tempo was gestegen als in de industrie, dan zouden er daarbovenop jaarlijks nog eens enkele miljoenen boeren overtallig geworden zijn. Om dat reserveleger aan een job te helpen zou er een groei van misschien wel 15% nodig zijn geweest, wat zo goed als uitgesloten was en is. Had men dus de productiviteit in de landbouw even snel verhoogd als in de industrie, dan hadden we wellicht te maken gekregen met de grootste plattelandsvlucht uit de wereldgeschiedenis, met alle noodlottige gevolgen van dien. We spreken hier potentieel van een paar honderd miljoen mensen. Het is overigens om zo’n plattelandsvlucht te voorkomen dat aan de interne migranten (tijdelijk) minder rechten worden toegekend zoals sociale zekerheid en onderwijs.

Het is om zo’n plattelandsvlucht te voorkomen dat aan de interne migranten (tijdelijk) minder rechten worden toegekend.

Meer algemeen hebben we hier wellicht te maken met de zogenaamde Kuznet hypothese die stelt dat de inkomensongelijkheid in een land toeneemt tijdens de industrialisering en naderhand terug afneemt.[52] Deze hypothese schijnt in elk geval grotendeels te kloppen voor de regio van Oost-Azië. In de grafiek hieronder zie je van links naar rechts de toename van het bnp per inwoner en van onder naar boven de toename van de ongelijkheid volgens de Theil index.[53] (Het bolletje is de positie van het jaar 1990 en het driehoekje van het jaar 2002.) In de beginfase zie je bij alle landen van de regio een gelijktijdige stijging van beide parameters. Eenmaal een bepaald bnp per inwoner bereikt te hebben, lijkt de ongelijkheid te stagneren of te dalen in de richting van Zuid Korea, dat een hele voorsprong heeft op de rest van de regio. Merk ook op dat alle landen ongeveer een even snelle toename van de ongelijkheid kennen in vergelijking met hun economische groei (zelfde hellingsgraad) en dat China op dat vlak m.a.w. niet uitzonderlijk is.

DeWereldMorgen.be

Deze gegevens lijken de Kuznet hypothese te staven. Als ze klopt, dan mogen we verwachten dat in de nabije toekomst de kloof in China mogelijks zal dalen. Een aantal tekenen wijzen daar inderdaad op. De afgelopen twee jaar is het rurale inkomen voor het eerst in decennia sneller gestegen dan dat van de steden[54] en sinds 2008 is de Gini-coëfficiënt lichtjes beginnen dalen.[55]

Opmerkelijk ook is dat de toenemende ongelijkheid in China geen reden is voor grote ontevredenheid. Veel Chinezen vinden dat de kloof in eigen land te groot is, namelijk 72%. 89% vindt dat die kloof zelfs een ‘groot probleem is’. In de VS vindt 65% dat de kloof te groot is en in Oost-Europa 85 tot 95%. Maar in China is er blijkbaar een grotere tolerantie voor die ongelijkheid, of minstens, de oorzaken ervan worden anders geduid dan bij ons. Als je peilt naar de oorzaken van sociale ongelijkheid dan luidt het antwoord in Westerse landen dat dit een gevolg is van onrechtvaardigheid, corruptie of oneerlijkheid. In China daarentegen wijt men de ongelijkheid eerder aan al dan niet hard werken, het al dan niet beschikken over talenten, of de opvoeding die je genoot.[56] Volgens Whyte van de Harvard universiteit is het “een vergissing te denken dat de stijgende inkomensverschillen de belangrijkste of zelfs de hoofdoorzaak zijn van ontevredenheid bij Chinese bevolking”. Die liggen volgens hem eerder bij machtsmisbruik en de gebrekkige werking van het gerechtsapparaat.[57]

“Het is een vergissing te denken dat de stijgende inkomensverschillen de belangrijkste of zelfs de hoofdoorzaak zijn van ontevredenheid bij Chinese bevolking”.

Dat de koopkracht van de bevolking met sprongen vooruitgaat, zal ook wel een belangrijke reden zijn waarom men de kloof tolereert. We zagen het hierboven al, de kloof ontstaat niet op de rug van de armsten, niemand valt uit de boot. Tussen 2001 en 2012 is het reële inkomen in China gestegen met 350%.[58] Dat is met kop en schouders boven de landen uit de regio (zie grafiek).[59] Van zoiets word je niet direct ongelukkig.

DeWereldMorgen.be

De kloof is vooral een probleem op ideologisch vlak. Socialisme betekent heel zeker het uitroeien van miserie en armoede, en het bereiken van voldoende materiële welvaart. Maar de fundamentele waarden van het socialisme zijn sociale rechtvaardigheid, gelijkheid en solidariteit. Die vallen niet te rijmen met buitensporige rijkdom van een toplaag aan de ene kant en de 160 miljoen Chinezen die het nog steeds moet doen met minder dan 1,25 dollar per dag aan de andere kant.[60] Op die manier ontdoe je het begrip socialisme van zijn substantiële inhoud en werk je de depolitisering in de hand van zowel de partijleden als van de modale Chinees.[61]

Socialisme valt niet te rijmen met buitensporige rijkdom van een toplaag aan de ene kant en de 160 miljoen Chinezen die het nog steeds moet doen met minder dan 1,25 dollar per dag aan de andere kant.

2.3 Corruptie

Corruptie is wijdverbreid in China. De afgelopen vijf jaar alleen al werden 660.000 partijleden gestraft omdat ze de regels niet naleefden.[62] Corruptie loert steeds om de hoek wanneer er aan de ene kant heel veel geld begint te circuleren en er aan de andere kant weinig regels zijn en de instellingen niet aangepast zijn om een en ander te controleren.[63] Dat was in China het geval met de hervormingen vanaf 1978. Bovendien werkt de guanxi de corruptie er in de hand.[64]

Corruptie is moreel verwerpelijk, maar kan economisch gesproken ook functioneel zijn. Wellicht heeft de corruptie ‘met Chinese karakteristieken’ bijgedragen tot de hoge groeicijfers van de voorbij dertig jaar.[65]

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is de corruptie in China de laatste jaren niet verder toegenomen en is ze ook niet uitzonderlijk hoog.[66] Volgens de Corruption Perception Index staat China op de 80[ste] plaats, dat is 11 plaatsen boven zijn ranking qua bnp per capita en 24 plaatsen hoger dan zijn ranking op het vlak van de Human Development Index.[67] De corruptie in China valt in elk geval niet te vergelijken met de ‘stereotiepe kleptocratie’ van heel wat derdewereldlanden waar corruptie is toegelaten, systematisch wordt georganiseerd en nefast is voor de economische ontwikkeling.[68] De straffen tegen corruptie zijn in China ook veel zwaarder dan in het Westen. Topkaders kunnen er zelfs de doodstraf krijgen. De financiële crisis in het Westen werd mee veroorzaakt door onverantwoord en zelfs crimineel gedrag van bankiers, traders met medeweten en steun van toppolitici. Geen enkele daarvan is tot op heden veroordeeld en achter de tralies gevlogen.[69] Zoiets is in China ondenkbaar.

Dat alles betekent echter niet dat het geen ernstig probleem is. Corruptie van ambtenaren en partijleden versterkt het gevoel van onrechtvaardigheid en machtsmisbruik. Dat ondermijnt de legitimiteit van de partij en de regering, zeker als het om hooggeplaatste figuren gaat. Op de grafiek zie je dat Chinezen corruptie zien als één van de hoofdproblemen van hun land.[70] Slechts een kwart van de Chinezen gelooft dat de politieke leiding de waarheid vertelt.[71] De partijleden worden te veel gedreven door opportunistische belangen en te weinig door ideologische motieven. Er ontbreekt ‘esprit’ in de partij en zolang dat het geval is zal men de corruptie niet klein krijgen.[72]

Corruptie ondermijnt de legitimiteit van de partij en de regering, zeker als het om hooggeplaatste figuren gaat.

DeWereldMorgen.be

Maar het probleem reikt veel verder. Om de productiekrachten versneld te laten ontwikkelen heeft China in zijn economie opengegooid en belangrijke marktrelaties geïntroduceerd, zij het onder strikt politiek toezicht. Die controle is van velerlei aard en gaat veel verder dan doorgaans wordt aangenomen.[73] Zolang de economische belangen ondergeschikt blijven aan de politieke en sociale prioriteiten, kan China zijn tocht verder zetten in de richting van het socialisme.[74] Maar als de corruptie van dien aard wordt dat ze die controle uitholt, dan mag de communistische partij de socialistische koers vergeten en zal ze vroeg of laat overwoekerd worden door een kapitalistische klasse. Ze zal dan ongetwijfeld afstevenen op een ‘perestrojka met Chinese karakteristieken’. In die zin is de bestrijding van corruptie een kwestie van leven of dood.

De politieke leiding beseft dit heel goed. In het rapport van Hu Jintao voor het 18[de] Congres staat: “De bestrijding van corruptie en het bevorderen van politieke integriteit, is een belangrijke politieke kwestie en een grote bezorgdheid van de mensen.” Indien men er niet in slaagt om de corruptie in te dijken dan kan dat “fataal worden voor de partij”. Al diegenen die de partij discipline en staatswetten overtreden “moeten zonder pardon voor het gerecht worden gebracht”, ongeacht hun hiërarchische rang.[75] In juni 2013 maande president Xi zijn partijgenoten aan om opnieuw aan te sluiten bij de fameuze ‘massalijn’[76] en te breken met formalisme, bureaucratie, hedonisme en extravagantie. Volgens waarnemers is deze campagne veel ingrijpender en ernstiger dan de anticorruptiecampagnes van zijn voorgangers Hu Jintao en Jiang Zemin.[77] Ook hier zal de toekomst uitwijzen of ze ver genoeg zullen gaan.

Enkele conclusies

De toenemende sociale onrust, de kloof en de corruptie zijn ernstig maar niet hopeloos. Op korte termijn vormen ze geen directe levensbedreiging voor het Chinese bestel. Maar op langere termijn ondermijnen ze wel de levensvatbaarheid van het socialistisch project. Ze versterken het ideologisch vacuüm en de depolitisering. Daarnaast ondermijnen ze de legitimiteit en de hegemonie van de partij. Beide worden overigens ook ondergraven door een gebrek aan participatie, machtsmisbruik en een gebrekkige werking van justitie.[78] De tijdbom is niet zozeer sociaal, maar eerder politiek-ideologisch.

De tijdbom is niet zozeer sociaal, maar eerder politiek-ideologisch.

In elk geval is er veel werk aan de winkel. Maar dat kan ook niet anders, gezien de gigantische omwenteling waarin de Chinese samenleving zich bevindt.

China heeft drie grote troefkaarten om die uitdagingen aan te gaan. Een eerste troefkaart is het gegeven dat de problemen expliciet erkend en benoemd worden. Zwakheden en probleemkwesties worden niet verzwegen of verbloemd. Dat is niet evident maar wel heel belangrijk, omdat het een voorwaarde is om de heikele punten effectief aan te pakken. Naar aanleiding van het achttiende Congres bijvoorbeeld werden de belangrijkste problemen van het land een voor een overlopen.[79] Dat is heel wat anders dan een goednieuwsshow zoals we dat in het Westen meestal gewoon zijn.

Een tweede troefkaart is de slagkracht. Francis Fukuyama, die je moeilijk kan verdenken van linkse of Chinese sympathieën, zegt daarover: “De belangrijkste sterkte van het Chinese politieke systeem is de mogelijkheid om snel grote, complexe beslissingen te nemen, en om die ook relatief goed te nemen, althans in de economie. China past zich snel aan, neemt moeilijke beslissingen en voert ze efficiënt uit.”[80] De Chinese slagkracht staat in schril contrast met de eindeloze discussies en patstelling in de VS over de goedkeuring van het budget, de aanpak van de Europese Unie van de eurocrisis en de lethargie en het gebrek aan samenhang van de Indische regering de afgelopen jaren.[81]

“De Chinese Communistische Partij is erin geslaagd om een regelsysteem te creëren dat sterk en duurzaam is. Dit regelsysteem heeft misschien wel de beste set van leiders naar voor gebracht dat China ooit had kunnen produceren.”

Een derde troef is de communistische partij zelf. Elk politiek stelsel is het resultaat van een historisch proces en is organisch gegroeid uit de concrete omstandigheden. Het huidige bestel in China heeft zijn wortels in de strijd tegen de Japanse bezetting van het land, tegen de reactionaire Guomindang en tegen de verschrikkelijke miserie en achterlijkheid waarin het land was ondergedompeld. Uit die strijd is de communistische partij als leider van het land naar voor gekomen, die zich als taak heeft gesteld het land uit de onderontwikkeling te halen, de soevereiniteit ervan te vrijwaren en te streven naar een humane, socialistische samenleving. Over dit politiek stelsel kan men van mening verschillen, maar het heeft in elk geval zijn doeltreffendheid bewezen. De gekende schrijver Mahbubani daarover: “Verre van een arbitrair dictatoriaal systeem te zijn, is de Chinese Communistische Partij erin geslaagd om een regelsysteem te creëren dat sterk en duurzaam is, noch fragiel noch kwetsbaar. Nog indrukwekkender, dit regelsysteem heeft misschien wel de beste set van leiders naar voor gebracht dat China ooit had kunnen produceren.”[82]

* Lezing gehouden voor een seminarie in het Europees Parlement met als titel: ‘China in de 21[ste] eeuw: heden en toekomst’; 6-7 juni 2013. Andere deelnemers aan het seminarie waren o.a. Samir Amin, Hairong Lai , Remy Herrera, Ng Sauw Tjhoi en Jean-Claude Delaunay.

Voetnoten

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!