Sterk middenveld meer dan ideologie, het is vooral een bestuursmodel
Nieuws, België -

Sterk middenveld meer dan ideologie, het is vooral een bestuursmodel

Het ‘Moedige Midden’ van Wouter Beke kan op verschillende manieren gelezen worden. Wanneer je het boek enkel met een ideologische lens bekijkt, dreig je te snel tot de conclusie te komen, dat het vernieuwde profiel van CD&V misschien minder scherp is dan dat van andere partijen zoals Open-VLD of SP.A, die ‘blauwer’ en ‘roder’ worden (zegt men toch). Het beeld wordt veel scherper, wanneer je een andere, meer bestuurlijke bril opzet.

dinsdag 25 juni 2013 15:15

Dan word je bij het lezen ook gedwongen om na te denken over meer fundamentele vragen, die verder gaan dan politieke marketing. Dan doemen vragen op die minder sexy, maar wel essentiëel te beantwoorden zijn in een democratie: hoeveel en welke diensten moet een overheid zijn burgers aanbieden? En moet de overheid dat doen? Wat is de rol van de burger in de samenleving en in relatie tot die overheid? Op dergelijke vragen zijn verschillende antwoorden te geven.

Welke actoren produceren publieke diensten?

Publieke diensten (zoals openbaar vervoer, veiligheid, onderwijs) kunnen in verschillende ‘sferen’ geproduceerd worden. Voor een deel neemt de overheid dit via haar eigen organisaties en administraties zelf in handen; (denk aan de bussen van De Lijn, de patrouilles van de politie en de scholen in het Gemeenschapsonderwijs). Dit zijn voorbeelden van hoe de overheid zelf diensten produceert. Vele diensten die we als ‘publiek’ bestempelen, zoals openbaar vervoer of veiligheid, worden echter ook door andere actoren geleverd.

Dat kan via bedrijven: bijvoorbeeld treinverkeer op een geliberaliseerd spoorwegennet of veiligheidsvoorzieningen door private bewakingsfirma’s. Maar het kan ook, dat burgers zichzelf organiseren, of dat private non-profit organisaties het heft van de publieke dienstverlening in handen nemen: ziekenvervoer van mutualiteiten, carpooling met collega’s, buurtinformatienetwerken, of scholen in het Vrij onderwijs. Zo zie je in de praktijk, dat verschillende actoren of organisaties samen verantwoordelijk zijn voor de totaliteit aan publieke diensten. Veiligheid is een zaak van zowel politie (overheid), als bewakingsfirma’s (private markt), als buurtinformatienetwerken (middenveld), liefst in nauw overleg en samenwerking met elkaar.

Wat is de rol van de burger bij de publieke dienstverlening?

Hoe een burger zich verhoudt tot de overheid kan ook verschillen: hij of zij kan een eerder passieve houding aannemen en de publieke diensten enkel consumeren. De groendienst van de stad onderhoudt het park (een publiek goed) en de burger geniet ervan op zonnige dagen. De overheid verwacht van dit ‘type’ burger niks meer dan dat hij zich beperkt tot het betalen van belastingen en het op geregelde tijdstippen verkiezen van vertegenwoordigers.

Overheden kunnen de burger echter ook als een ‘klant’ beschouwen door feedback te vragen over de kwaliteit van de diensten en daar desgevallend rekening mee te houden. Of de burger kan zelf actief de rol van kritische klant opnemen. Hij kan suggesties doen aan het stadsbestuur – gevraagd of ongevraagd – om het park nog aangenamer te maken: b.v. speeltuigen, een petanqueveld, zitbankjes. Dit is een iets actievere, op inspraak gebaseerde, rol die burgers spelen.

Tenslotte is er de burger als coproducent. De coproducent produceert de dienstverlening voor een stuk zelf: het actief zijn als mantelzorger of als lid van een buurtinformatienetwerk is complementair aan de diensten, die de thuiszorgdienst of de politie levert. Samen wordt ‘zorg’ of ‘veiligheid’ gemaakt. Of nog: de mensen, die in de omgeving van het park wonen, onderhouden zelf het groen (met materiaal, dat hen door de stad ter beschikking werd gesteld). Dit is de meest actieve en verantwoordelijke vorm van burgerschap: het mee produceren van publieke diensten.

Het middenveld als bestuursmodel

Deze ietwat lange inleiding is nodig om de uitgangspunten van het ‘Moedige Midden’ te kunnen plaatsen. Wie een sterke rol voor het middenveld bepleit, zoals Beke doet, bekijkt de burger eerder als coproducent. Er wordt – in de mate van het mogelijke – van de burger verwacht, dat hij of zij enige verantwoordelijkheid opneemt voor de publieke zaak. En dat gaat verder dan het betalen van belastingen of het invullen van een enquête of een klachtenformulier. Met andere woorden: actiever burgerschap. En er is uiteraard ook een grote(re) rol in het publieke dienstverleningsproces voor het middenveld en de non-profit sector. Op dat vlak kent ons land een rijke traditie. Denk maar aan de vele vzw’s in de welzijns-, gezondheids- en socio-culturele sector.

De ondubbelzinnige keuze van Beke voor het middenveld is niet zo onlogisch. Er zijn ideologische redenen die meespelen, uiteraard. Maar er zit ook een bestuurlijke logica achter. Er zijn immers steeds meer indicaties, dat de modellen van publieke dienstverlening via een grote overheid of via marktwerking hun limieten hebben.

Ten eerste moet de overheid het met steeds minder middelen doen. De lokale besturen, die via heel concrete dienstverlening zeer dicht bij hun burgers staan, hebben financiële problemen en moeten besparen. De EU legt lidstaten drastische besparingen op. De ruimte om als overheid zelf publieke diensten te verlenen krimpt. Daarnaast worden de uitdagingen, waarmee de overheid wordt geconfronteerd, steeds complexer. De (effecten van de) klimaatproblematiek, armoede en integratie van nieuwkomers zijn voorbeelden van maatschappelijke uitdagingen, die je als overheid alleen niet aanpakt. Daarvoor is samenwerking vereist met andere overheden, met burgers, met verenigingen en met bedrijven.

Ten tweede wordt het ook steeds duidelijker, dat de private markt met haar spel van vraag en aanbod, en haar op winst gerichte karakter, in vele gevallen niet optimaal is om publieke diensten te leveren; deze diensten moeten immers per definitie toegankelijk zijn voor iedereen die ze nodig heeft. Terwijl markten de neiging hebben om zich op bepaalde niches te richten, waar er winst te halen valt. Zal b.v. een private busmaatschappij bereid zijn om op het platteland te rijden, waar er weinig vraag is naar openbaar vervoer? Tenslotte zou het van onbehoorlijk bestuur getuigen mochten we als samenleving geen gebruik maken van de expertise en het vakmanschap, dat gedurende decennia is gegroeid in de vele vzw’s in vele sectoren.

Als we vandaag de dag in Vlaanderen goed onderwijs hebben of kwaliteitsvolle opvang voor zorgbehoevenden (zoals bejaarden, personen met een beperking of jongeren in problematische opvoedingssituaties), dan is dat ook dankzij de vele vzw’s in deze sectoren. Zolang er geen garantie is dat andere actoren deze diensten beter kunnen leveren, heeft een overheid baat bij een sterk partnerschap met het middenveld: de overheid subsidiëert, het middenveld levert de diensten vanuit hun expertise en ervaring. En eigenlijk is dat geen ideologie, maar bestuurlijke pragmatiek. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat de overheid steeds de kwaliteit en de efficiëntie van de dienstverlening van de door haar gesubsidiëerde vzw’s moet kunnen controleren. Vzw’s zijn immers ook niet vrij van mogelijk ‘falen’.

De ruimte tussen markt en overheid, die door het middenveld wordt ingenomen, lijkt dus te groeien. Als de overheid onder druk staat en de markt in veel gevallen niet in staat is om publieke diensten op een optimale wijze te leveren, dan groeit de nood aan maatschappelijke zelforganisatie en aan het middenveld. Hierop inpikken is wel degelijk een scherp standpunt, zij het inderdaad een standpunt, dat niet in het klassieke ideologische links-rechts debat te plaatsen is.  

Prof.dr. Bram Verschuere 
Faculty of Economics and Business Administration – Ghent University

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!